Home

Deze journalist werkte twee jaar voor het Leger des Heils: ‘Op jouw manier hou je dit werk niet lang vol’

Journalist Paul Teunissen bezocht twee jaar lang als maatschappelijk werker van het Leger des Heils mensen thuis. Hij helpt ze om hun leven weer op de rails te krijgen – voor zover ze mee willen werken. ‘Waarom doe ik dit werk? Uit nieuwsgierigheid naar wat er zich achter die verweerde voordeur afspeelt? Omdat ik graag iemand in nood help?’

‘Ik begrijp er helemaal geen snars van,’ zegt meneer Westhof. Na tien jaar is zijn huisgenote met de noorderzon vertrokken. Met zíjn auto. In zijn woonkamer staan stoelen en meubels zo opgesteld dat, als meneer Westhof van de bank naar de keuken wil, hij zich elke pas ergens aan kan vastgrijpen. De GGD heeft de woning door een schoonmaakbedrijf laten doen, maar nu, twee weken later, liggen er overal half opgegeten pakketten kant-en-klaarmaaltijden en volle incontinentiebroekjes.

‘Dit kan toch niet,’ zegt zijn zoon. Hij wil zijn vader in een verpleeghuis hebben. Meneer Westhof kijkt hem fel aan. Zijn donkere ogen glanzen. ‘Nooit van zijn leven. Mijn beste vrienden gingen erheen en die zijn nu allemaal dood,’ foetert de 88-jarige man.

Meneer Westhof heeft dringend behoefte aan thuiszorg, maar geen enkele organisatie wil komen, omdat de boel te vies is en de toegang via de wankele plank over het slootje niet conform de arbeidsvoorwaarden is. Daarom mag ik proberen om zijn leven op orde te krijgen.

Dit is vandaag mijn tweede huisbezoek. Ik kom net van mevrouw Van Baarle (59), die pas na lang aandringen in haar peignoir kwam opendoen. ‘We hebben geen afspraak. Je hebt je vergist. Ik wil dat je een half uur van tevoren belt, zodat ik weet dat je komt,’ zei ze met een deftige stem.

Mevrouw wilde niet dat ik de gordijnen opende. Er mocht geen lamp aan. We zaten in de verduisterde woonkamer tegenover elkaar. Zo kon ik niet goed zien of ze nog meer was vermagerd. Wel zag ik dat het eten – spruitjes en aardappelpuree – dat ik vorige week voor haar had meegebracht, op het aanrecht lag te verpieteren.

De laatste keer dat ze door de huisarts op de weegschaal was gezet, woog ze 42 kilo. Ze praat traag. Steekt met moeite haar ene sigaret met de andere aan.

Haar broer belt haar elke dag, vertelt hij mij. Dat nam hij zich voor, nadat mevrouw Van Baarle een half jaar geleden na een hersenbloeding uit het ziekenhuis werd ontslagen.

Zijn zus was altijd al recalcitrant. Ging overal tegenin. Nooit naar goede raad luisteren.

Eerder leidde ze een mondain leven met haar echtgenoot, een gewild modeontwerper, met wie ze de wereld rondreisde. Haar twee dochters had ze op dure Parijse kostscholen geplaatst.

Na de scheiding had mevrouw Van Baarle als boekhouder in haar onderhoud voorzien.

Ze vindt mijn zorgen over haar welzijn belachelijk. Het gaat prima met haar. Nu moest ik maar gaan, want die middag zou ze met vriendinnen gaan borrelen.

**

Drie dagen per week ben ik maatschappelijk werker bij Restart, de afdeling van het Leger des Heils in Zaanstreek-Waterland die tijdelijke ambulante begeleiding biedt. Ik breng vier huisbezoeken per dag. Mijn cliënten – wij zeggen liever deelnemers; ze nemen actief deel aan het weer op de rails krijgen van hun leven – wonen zelfstandig. Opvallend veel hebben er een koopwoning. Er komt geen klusjesman van de woningbouwvereniging om een reparatie te doen, of de bewoner te manen zijn verwilderde voortuintje bij te houden. Huiseigenaren blijven onder de radar, tot het echt misgaat.

We krijgen onze cliënten aangemeld via sociale wijkteams en het Meldpunt en Advies Bijzondere Zorg van de GGD. Die krijgen op hun beurt meldingen van bezorgde buren, een huisarts of een wijkagent.

Mijn vijf collega’s en ik staan erom bekend dat we niet snel opgeven. Als ze de deur voor onze neus dichtgooien, bellen we nog een keer aan. We voeren enthousiasmerende gesprekken via de intercom. We gooien al onze charmes in de strijd om een voet tussen de deur te krijgen. Goed volk.

Eerder deed ik dit werk in Amsterdam.

Toen ik twee jaar geleden in de Zaanstreek-Waterland begon, verwachtte ik in dorpen als Krommenie, Edam en Wormerveer door de onderlinge verbondenheid minder schrijnende thuissituaties aan te treffen. Al snel werd me duidelijk dat sommige mensen in deze contreien net zo eenzaam, vervuild, paranoïde en wanhopig zijn als in Amsterdam.

**

Meneer Brouwer (44) zit op de bank, waar hij zo te zien ’s nachts ook op slaapt. Hij is een nieuwe cliënt. Vaak moet er acuut veel werk worden verricht, om erger te voorkomen. Meneer Brouwer heeft drie maanden huurachterstand. Als de woningbouwvereniging kwaad wil, kan deze een uitzettingsprocedure beginnen.

Meneer Brouwer probeert zijn huur te betalen, maar zodra hij de 25ste zijn uitkering gestort krijgt, plunderen de vele schuldeisers als roofdieren zijn rekening.

Meneer was, toen hij nog samen was met zijn vrouw en hun 10-jarige dochter, manager in de distributie, had dertig man onder zich, verdiende een kostelijk salaris.

Ik vraag waar het is misgegaan.

Meneer Brouwer vertelt dat hij zijn werk als manager zó goed deed dat hij zichzelf overbodig maakte. Het is moeilijk om een uitgavenpatroon dat is gebaseerd op 4.000 netto per maand terug te schroeven naar bijstandsniveau.

Zijn postbus bij de ingang van het flatgebouw heeft hij al twee jaar niet geopend. Nu er niets meer bij past, komt de postbode met de lift naar de zesde etage, om hem de post persoonlijk te brengen. Dat heeft meneer Brouwer liever niet. Hij wil met rust worden gelaten.

Dat ik nu tegenover hem zit, bevalt hem allerminst.

Op de vloer en in de vensterbank liggen bruine hoopjes met een laagje dons erop. Haarballen van zijn twee katten, beweert meneer.

De helft van mijn cliënten heeft een of meer huisdieren. Ik vind dat ingewikkeld. Vaak veroorzaken deze een flinke vervuiling van de woning. Soms worden ze niet goed verzorgd. De katten van meneer Brouwer hebben een treurige blik in hun ogen.

**

Mijn clientèle bestaat uit een gevarieerde groep mensen. Sommigen hebben hun middelbare school niet afgemaakt, anderen studeerden aan de universiteit. Pedagogiek, kunstgeschiedenis, wiskunde. Eén was dertig jaar lang hulpverlener bij ontspoorde gezinnen. Een ander is stratenmaker.

Ik vraag me af of er overeenkomstige factoren zijn. Drugs wel, alcohol ook. In sommige gevallen is er sprake van een psychische stoornis. Soms ernstig, schizofrenie. Er is ook vaak een vermoeden van autisme. Depressie.

Menigeen heeft zijn leven lang goed gefunctioneerd. Carrière gemaakt, getrouwd, kinderen opgevoed. Na de pensionering ging het pas mis. Zoals bij meneer Verhoeven, die een jongen aan de deur kreeg die zei dat hij hem kwam helpen met zijn haperende computer. Die hem tegen de grond werkte, zijn pinpas afnam. De code stond netjes op een post-it die op zijn pc-scherm zat geplakt.

‘Je hebt zeker wel gehoord wat er allemaal is gebeurd,’ zei hij toen ik nietsvermoedend bij hem kwam. De wond op zijn schedel was nog vers. Het bloed helder van kleur.

Daarna ging het snel achteruit. Viel hij van zijn fiets, durfde hij niet meer met de bus naar de stad. ‘Ik ben helemaal van de leg,’ zei hij steeds. Was hij weer gaan stotteren, net als vroeger.

**

Als meneer Brouwer toestaat dat ik hem wekelijks bezoek, kunnen we proberen om zijn leven weer op de rails te krijgen. We kunnen de drie verhuisdozen met ongeopende brieven, vooral aanmaningen, naar de bewindvoerder brengen. Deze zal de huur maandelijks gaan overmaken, gas en elektra, zijn telefoonabonnement, zodat zijn mobiel weer gaat werken.

Meneer Brouwer wil erover nadenken.

Net als over de grote schoonmaak van zijn door kattenpoep vervuilde woning, waar de GGD opdracht voor kan geven.

Meneer heeft zijn dochter niet meer bij zich gehad sinds een mevrouw van de Jeugdzorg oordeelde dat zijn woning geen veilige plek was voor een opgroeiend kind.

Meneer Brouwer vindt het schandalig. Als zijn dochter komt, zorgt hij heus wel dat zijn woning piekfijn in orde is.

Meer van mijn cliënten zien hun kinderen niet. De een wijt het aan een rancuneuze ex die zijn dochter indoctrineert met leugenachtige verhalen, waarin hij als een monster wordt afgeschilderd.

Een vader stuurt zijn zoons elke maand een brief, waarin hij schrijft dat hij van ze houdt. Hij vermeldt zijn mailadres en Instagram-account, in de hoop dat ze na drie jaar iets van zich zullen laten horen.

**

Meneer Hilkens zegt dat ’s nachts, als hij op zijn bank in slaap is gevallen, de buren met een ladder tegen zijn muur klimmen en met een zaklamp naar binnen schijnen.

Mevrouw De Bruin beweert dat haar overbuurvrouw 20 duizend euro heeft gestolen van de bankrekening van haar vriend, die in een verpleeghuis verblijft.

Meneer Waterberg laat een opname zien van zichzelf in de bouwmarkt, waar hij door een paar figuren gevolgd werd, in opdracht van een Belgische cryptohandelaar die nog geld van hem krijgt.

Ik heb hen vandaag om beurten bezocht. Als ik op kantoor kom, vraagt een collega waarom ik zo bleek zie.

Ik moet meer variatie aanbrengen in mijn huisbezoeken. Cliënten met wie ik niet vooruitkom afwisselen met degenen met wie ik kleine succesjes boek.

Een katheter die goed blijft zitten, zodat meneer niet halsoverkop naar het ziekenhuis moet, vanwege een Spaanse Kraag.

Zijn buurvrouw vond hem totaal ontredderd op de grond. Ze belde de ambulance. Regelde een hoog-laagbed. Ze haalt boodschappen voor hem. Hij laat haar elke dag via de app weten dat hij in orde is.

Maar weinig cliënten hebben zo’n buurvrouw.

**

Met meneer Orliens gaat het ook steeds beter. Eerder leefde hij een tijdje op straat. Niet vanwege de drank of de drugs, maar van verdriet om zijn moeder en zijn nichtje, die hij op ongelukkige wijze verloor. Eerst sliep hij in zijn busje, tot dat kapot ging. Rock bottom.

Meneer heeft eigenlijk te veel meegemaakt. Nog geen jaar oud kreeg hij al de diagnose kanker. Verhuisde voor de behandeling met zijn ouders van Suriname naar Nederland. Zijn vader was altijd blijven terugverlangen naar het land van herkomst. Als hij erover vertelt, moet hij huilen. Meneer Orliens is een gespierde man, doet aan vechtsport. Zijn stem is zacht en fragiel.

Soms, als hij langs de weg staat en een vrachtwagen ziet naderen, komt de gedachte in hem op dat hij maar één stap naar voren hoeft te doen.

Het gaat nu beter met hem. Hij heeft een kleine huurwoning, wordt geholpen met zijn schulden, bezoekt zijn specialist voor de behandeling van zijn kanker, ziet zijn 6-jarige dochter elk weekend. Hij helpt mee met judoles op de sportschool van een vriend. Hij heeft een sterke levenswil.

**

Na mijn bezoek aan de paranoïde meneer Hilkens ga ik in vervolg langs bij meneer Hartog (48), een aannemer zonder werk, met honderden stuks gereedschap.

Voor zijn echtscheiding woonde hij in een huis van 200 vierkante meter, nu in een appartement van amper 50. Hij nam al zijn gereedschap mee. De twee slaapkamers staan er vol mee. Hij durft er niet meer te komen. Daarom is hij op de bank gaan slapen.

Hij ook al. De bank en de tv. Meer lijkt er niet te bestaan. Meneer Hartog zegt dat hij eenentwintigduizend zenders heeft. Soms wordt hij tureluurs van het zappen.

Vanaf de bank ziet hij de berg afwas in zijn open keukentje. Hij wordt al ziek als hij ernaar kijkt.

Meneer zegt dat hij een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen in de periode dat hij tegenslagen te verduren kreeg. Het bedrijf waar hij voor werkte ging op de fles, zodat hij niet werd uitbetaald en schulden maakte. Zijn moeder overleed onverwacht én zijn vrouw wilde van hem af.

‘Sindsdien kan ik niks meer onthouden,’ zegt hij. ‘Als ik ergens aan begin, ben ik een minuut later vergeten waar ik mee bezig ben.’

Ik bezoek meneer sinds twee maanden. In die tijd is het gelukt om twee dozen met spullen naar de afvalcontainer te brengen. Ook heeft hij een boormachine via Marktplaats verkocht. Daar had hij een week later spijt van. Nu heeft hij nog maar drie boormachines.

**

Samen met de dames van de huishoudelijke hulp loop ik over de plank over de sloot naar de woning van meneer Westhof. Dit heb ik vorige keer met hem afgesproken. Onze dames zijn wel wat gewend qua vuiligheid. Ze draaien hun handen niet om voor afgekloven kippenpoten die op de vensterbank slingeren, op de badkamerwand gesmeerde uitwerpselen.

Normaal kan ik via het kartonnetje in het kapotte raam mijn arm naar binnen steken en de deur openen, maar nu heeft hij de boel potdicht. Meneer Westhof staat met een woeste blik voor zijn raam.

‘Jullie komen er niet in,’ zegt hij.

Hij wist het wel. Geef ze een vinger en voor je het weet komen er allemaal vreemde mensen zich met zijn leven bemoeien.

Ik vraag de dames even uit het zicht te gaan staan, zodat ik met meneer kan overleggen.

Het is vreemd hem zo boos te zien. Ik had het idee dat hij me wel mocht, zoals ik op hem gesteld ben geraakt.

‘Wat fijn dat jij er weer bent,’ zegt hij vaak. ‘Je bent toch Mo?’ Dan zeg ik dat ik niet Mo ben, maar Paul van het Leger des Heils. Daarna fiks ik zijn cv-ketel, zodat hij het weer warm krijgt. Vind zijn kunstgebit achter de zitbank. Haal ik kant-en-klaarmaaltijden, zodat hij weer vooruit kan. ‘Zonder worst, want dat is net kauwgom.’

Ik denk aan zijn zoon, die vindt dat zijn vader in een verpleeghuis hoort. Hij vermoedt vast dat ik het wil tegenhouden. De huisarts vindt dat, als het meneer Westhofs pertinente wens is om in zijn huis te blijven, dit moet kunnen.

Daar ben ik het mee eens.

Dat verandert als ik hem een week later opnieuw bezoek en ik hem languit op de grond vind. ‘Wat ben ik blij dat jij er bent,’ zegt hij weer. Hoelang ligt hij daar al, vraag ik. Een uur of vier, zegt hij. Hij wijst naar de klok aan de muur. Normaal lukt het hem om naar de bank te kruipen en zich op te hijsen, nu niet.

Ik ben een beetje boos. Of misschien meer ongerust. Wat als ik pas over drie dagen was gekomen? Zijn koelkast is leeg. De elektra is weer uitgevallen.

**

Meneer Brouwer vraagt of ik koffie wil. Als hij naar de keuken loopt, zie ik een bruine streep aan de achterkant van zijn lichtgrijze joggingbroek. Ik heb zijn keuken gezien. De afwas van twee maanden staat er nog. De koffiefilters zijn op, zodat hij wc-papier zal gebruiken. Ik geef het meest veilige antwoord. Dat ik net een hele sloot koffie op heb.

De hygiëne van meer cliënten laat te wensen over. Meneer Hilkens heeft een hekel aan water op zijn huid en neemt hooguit een paar keer per jaar een douche.

Zal ik een hand geven bij binnenkomst of laat ik het bij een knik van mijn hoofd?

Collega’s van de woningbouw of de gemeentelijke uitkeringsinstantie met wie ik een cliënt bezoek, blijven soms angstvallig met hun jas aan staan. Ik zie ze denken. Hoe kom ik hier zo snel mogelijk weg?

Anderen zijn net als ik. Geven een hand, gaan op die vieze bank naast de vuile was zitten, doen of ze de kattenstront niet zien en beginnen op montere toon een gesprek.

Eenmaal buiten halen ze een flesje uit hun zak en desinfecteren ze hun handen.

Nu ik met cliënten de nodige emotionele momenten heb beleefd – een overleden kat, een slecht nieuwsgesprek bij de oncoloog – wordt de omgang anders.

Elke keer als ik afscheid neem van mevrouw Vogelzang laat ik me kussen. Ik lijk op haar broer die ze al jaren niet meer heeft gezien. Soms toont ze iets te veel van haar decolleté. Een overblijfsel uit de tijd dat ze zichzelf prostitueerde om haar vriend te onderhouden.

Op jouw manier hou je dit werk niet lang vol, zegt een collega als ik erover vertel. Wat is mijn manier?

Soms leen ik een cliënt geld als die zonder zit. Laatst heb ik een salontafel gekocht voor de psychotische meneer, die zijn bord met Indiase curry steeds op de betonnen vloer moest zetten. Ik geloof dat ik dat geld wel terug krijg, maar geen ramp als dat niet zo is.

Meneer Kruize breng ik met mijn auto naar het ziekenhuis. Mijn collega’s lenen in zo’n geval vaak het Leger des Heils-busje, maar ik wil gastvrij zijn, hem als ieder ander behandelen.

Als ik mevrouw Van Baarle naar damesgym breng, leg ik een dekentje op de stoel, tegen het lekken van haar plaszak.

Het gaat erom dat ik een goede verstandhouding met mijn cliënten heb.

Soms vertel ik over mijn dochter, die met voetbal is gevallen en met een hersenschudding thuis ligt. Over mijn vader die we, tegen zijn uitdrukkelijke wens in, ook naar een verpleeghuis brachten.

Is het delen van dergelijke intimiteiten erg? Moet ik mijn mond niet voorbij praten, als meneer Hartog net zijn ziel en zaligheid heeft uitgestort over zijn alcoholverslaafde vader die hem zo kleineerde?

**

Soms verlang ik ernaar iemand de waarheid te zeggen. Kan ik het niet aan, dat meneer Brouwer op de bank zit te niksen. Nog te lamlendig om de stront van zijn katten op te ruimen. De post uit zijn bus te halen. Zijn dochter een lief berichtje te sturen. Iedereen heeft het gedaan. Zijn ex, het UWV, de mevrouw van de woningbouwvereniging, zijn familie, die bemoeials van de GGD. Behalve hijzelf.

**

De begeleiding van meneer Kowalski heb ik beëindigd. Ook voor iemand van het Leger des Heils Restart is er een grens.

Ik had met hem te doen. Hij vertelde over zijn geboorte in een strafkamp in Rusland, zijn vader was een politiek gevangene. Hoe hij als 20-jarige om aan de dienstplicht te ontkomen, naar het Westen was gevlucht, hier natuurkunde studeerde, maar nooit had gewerkt vanwege zijn autoriteitsprobleem. Op zijn oude dag leefde hij in een armoedige woning met afgebladderd behang, samen met zijn invalide hond.

Zelf schreef hij talloze brieven aan gemeente, woningbouw, sociale verzekeringsbank, waarin hij zijn beklag deed. Brieven die hij vriendelijk en eerbiedig begon, maar die na een alinea van toon veranderden en uiteindelijk uitmondden in fikse scheldpartijen.

Niemand wilde nog naar hem luisteren.

Hij had bijstand aangevraagd om zijn woning een beetje op te knappen, maar dat was afgewezen. Ik zou hem helpen in zijn verweer op het gemeentehuis. In een brief uitleggen waarom hij wel financiële steun verdiende. Ik liet hem mijn brief lezen. Vroeg of ik foto’s van zijn woning mocht meesturen. ‘Goed?’ ‘Ja, goed.’

Nog voor ik hem de volgende ochtend kwam ophalen om samen naar het gemeentehuis te rijden, schreef hij een mail aan de manager van onze afdeling. Waarin hij zijn beklag deed over mijn verraad.

Zoveel achterdocht kon ik niet aan.

**

Waarom doe ik dit werk? Uit nieuwsgierigheid naar wat er zich achter die verweerde voordeur afspeelt? Omdat ik graag iemand in nood help? Om het stofje dat in mijn hoofd vrijkomt en via de bloedbaan en een tintelend gevoel ‘van goedheid’ door mijn lichaam verspreidt dat, als het bij mijn hart komt, net als het snoep dat knettert als het je tong aanraakt, door mijn boezem spettert?

Omdat als de katheter van meneer verstopt raakt en die grote man met zijn groene melancholieke ogen me wanhopig aankijkt, ik hem graag naar het ziekenhuis breng. Pop, pop! doen de neurotransmitters in het empathische deel van mijn brein.

Omdat ik na het ‘wat ben ik blij dat jij er bent,’ met alle liefde een warme maaltijd maak voor meneer Westhof. Ik kijk hoe hij het eten gulzig naar binnen schrokt. Hij heeft me nodig. Als ik hem niet help, wordt hij ziek en gaat hij misschien wel dood.

**

De Dienst Havens en Vaarwegen is bij meneer Anton geweest. Na tien jaar willen ze hem weg hebben uit zijn caravan langs het kanaal. Er zijn incidenten geweest, met andere bootbewoners op illegale plekken. Er is iemand overleden, als gevolg van koolmonoxidevergiftiging.

Altijd als ik naar hem toe rijd, neem ik me voor om kalm te blijven. Me niet te laten meeslepen in zijn snel opflakkerende razernij.

‘Dus nu moet ik weg omdat een ander zo dom is om zich te laten vergiftigen? Dat gaat niet gebeuren. Laat ze de rechter er maar bij halen. Dan zal ik hem vertellen wat mij allemaal is aangedaan. Worden ze doodsbenauwd.’

De 47-jarige man kijkt me aan alsof ik hem van zijn plekkie wil verjagen.

Ik zeg dat ik hem kom helpen.

Ik vind het ook heel oneerlijk. Als je zo lang ergens woont, bouw je een bepaald recht op. Meneer Anton is een vrije jongen. Met gedragsproblemen. In een appartement met aan alle kanten buren zal dat niet goed gaan.

Zijn boosheid is me nu te veel.

Ik kom net van mevrouw Vogelzang. Ze ligt in het BovenIJ Ziekenhuis. Ze hebben haar gezegd dat ze niet meer te redden is.

‘Heb je ’t al gehoord?’

Ik knikte.

‘Ik ga dood.’

Met haar 57 jaar is ze er nog niet klaar voor.

‘Wil je zorgen dat mijn vijf katten goed terechtkomen?’, vraagt ze tussen haar tranen door. ‘Ze moeten samen naar een mooie boerderij.’

Tegen meneer Anton zeg ik dat ik door moet naar een volgende cliënt.

Ik rijd naar kantoor. Mijn collega’s kennen meneer. Hij wordt al jaren door ons begeleid. Menigeen heeft zijn tanden op hem stukgebeten. ‘Dat is echt een klant voor jou,’ zeiden ze toen ik hier begon.

Ik lucht mijn hart over mevrouw Vogelzang.

Wat als ik haar vóór het weekend had opgezocht? Een half jaar geleden lag ze ook in het ziekenhuis. Met een voetwond die maar niet genas. De huid van haar linkerbeen was donker. Mevrouw heeft vroeger veel gebruikt. Haar bloedvaten zijn aangetast. Die keer twijfelden de artsen of ze haar nog wel moesten behandelen, of naar de palliatieve afdeling zouden overplaatsen.

‘Wacht, nee. Ze is pas twee dagen hier,’ zei ik.

‘Ze heeft niemand. Wie zal haar helpen als ze naar huis gaat?’

‘Ik help haar.’

Die keer hadden de specialisten besloten om mevrouw toch te behandelen en kon ze drie weken later naar huis.

Die wond aan haar voet bleef.

‘Vind je het erg stinken?’, vroeg ze steeds als ik bij haar zat.

Deze keer had ik haar pas na het weekend in het ziekenhuis bezocht.

Een collega vertelt over haar cliënt die niet werd geholpen, terwijl hij op straat lag dood te bloeden.

Een ander komt binnen met taart, om de geboorte van haar dochter te vieren. Al snel gaat het over hun gezinnen. Het geroezemoes van mijn collega’s is aangenaam.

Eentje beklaagt zich over de vlooien die een collega heeft opgelopen bij de verhuizing van een cliënt. Nu is er een plaag op kantoor. Ze leggen witte A4-tjes op de vloer, om te kijken of er vlooien op springen.

Alles stroomt.

**

In de avond bezoek ik meneer Mos, stukadoor. Werkt vijf dagen in de week en doet in de vroege ochtend een krantenwijk. Ik ben gekomen vanwege een incident in de kerstvakantie. Twee opdrachtgevers hadden hem laten weten dat ze hem niet konden betalen. Uit financiële nood had hij zijn belastingreserves opgesoupeerd.

Toen had hij iets gedaan waar hij liever niet over praat. Wat de reden is dat we nu bij de Beddengigant staan, voor de aanschaf van een nieuw matras.

Het is koopavond. We zijn de enige klanten. De verkoper neemt alle tijd. Meneer Mos mag overal gaan liggen. De verkoper weet niet waarom hij een nieuw matras nodig heeft.

Ik voel een vlaag van jaloezie opkomen, over de monterheid van de verkoper. Grote kans dat hij zich na sluitingstijd niet tegen zijn partner gaat beklagen over zijn klanten.

Ik denk aan meneer Westhof, die na zijn zoveelste valpartij toch in een verpleeghuis werd geplaatst.

Misschien bedoelde mijn collega dat ik te emotioneel betrokken raak. Dat mevrouw Vogelzang is overleden. Ik heb haar vijf katten niet naar een boer gebracht, maar naar het asiel en dat ik er twee niet heb kunnen vangen en nog ergens in de wijk rondzwerven. Ze worden vast gevoerd door die aardige oudere buurvrouw. En die meneer van de overkant laat ze binnen als het te koud is, maar toch.

Ik denk aan die jongen die bij zijn ouders op de zolderetage woonde, die nooit buiten kwam en geen leeftijdsgenoten sprak. Als ik met hem sprak, knalde hij steeds met zijn middelvinger tegen zijn oor. Na een kwartier hield hij niet meer uit. Al vloekend en mijn stem imiterend beklom hij de trap naar zijn zolder. Ik denk aan zijn ouders die als de dood waren voor de ggz en hoopten dat hij vanzelf weer normaal gedrag zou gaan vertonen.

Ik denk aan de kus die ik de bewindvoerder van mevrouw Vogelzang gaf bij haar uitvaart. Hoe hard haar wang voelde, alsof ze het ongepast vond, terwijl ik dacht dat dit juist zo’n moment was waarop je alle vormelijkheid opzij kon schuiven. Aan de Poolse onderhuurder die een glazen engeltje op haar kist zette toen deze het graf inzakte.

Aan mevrouw Van Baarle, die niet wilde dat ik tegen haar broer zei dat ik van het Leger des Heils was. ‘Dat is nergens voor nodig.’

Paul Teunissen is journalist, schrijver en scenarist. De afgelopen twee jaar onderbrak hij zijn schrijvende bestaan om in vaste dienst als maatschappelijk medewerker te werken bij de afdeling Restart van het Leger des Heils. Hij heeft toestemming van het Leger des Heils gekregen om over zijn ervaringen als medewerker te schrijven. Namen van de cliënten heeft hij gefingeerd; sommige details die te herleidbaar waren heeft hij veranderd.

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next