Home

In deze vroege roman kleit Hilary Mantel een reus uit wervelende taal

Hilary Mantel Haar pas nu vertaalde roman uit 1998 gaat over een 18de-eeuwse reus, wiens skelet wordt begeerd door een geslachtszieke wetenschapper. Opnieuw schittert ze in haar woordkeuze.

The Surprising Irish Giant of St. James's Street, March 27, 1785.

Hilary Mantel verwierf wereldfaam met Wolf Hall, haar weinig zachtzinnige trilogie over de middeleeuwse koning Henry VIII (die van die zes vrouwen). Internationaal kwam ze in 2009 als een donderslag bij heldere hemel, maar schrijfster was ze  allang. In 1998 publiceerde ze haar achtste  roman, over een reus in de 18de eeuw wiens skelet wordt begeerd door een wetenschapper: The Giant, O’Brien, nu vertaald als De Reus, O’Brien.

Hoofdpersoon is een armetierige Ier die niks kan. Niets bijzonders, iedereen is arm, niemand kan iets. Maar hij heeft iets bijzonders. Hij is een verhalenverteller, een dichter, een selfmade bard. En vooral, hij is extreem groot. Mantel baseerde hem op een historische figuur die als gevolg van een groeistoornis 2,31 meter mat, in een tijd dat de gemiddelde mensenlengte 1,66 meter was. (Ter vergelijking: de fameuze Reus van Rotterdam mat bij een gemiddelde lengte van 1,75 meter 2,38 meter.)

Hilary Mantel: De Reus, O’Brien (The Giant, O’Brien). Vert. Ine Willems. Meridiaan, 275 blz. € 26,50

Met in zijn kielzog een troepje profiteurs trekt deze O’Brien naar Londen om zichzelf als bezienswaardigheid te gelde te maken. Daar houden ze zich, blaffend en bijtend naar elkaar als een troep wilde honden, staande in de chaos van gebrek, smeerboel en wreedheid die de 18de-eeuwse sloppen beheerste. Ierland was erg, Londen is erger. Achterlijkheid is de regel, de exploitatie van een ander als overlevingsstrategie spreekt vanzelf.

O’Brien wordt handelswaar wanneer de eveneens historische wetenschapper John Hunt het op de studie van zijn lichaam heeft gemunt. Hunt is een geslachtszieke Schot die uit is op het ontdekken van het wezen van het leven en het raadsel van de dood. Hij doet experimenten op weerloze paupers en betaalt grafrovers voor lijken om te ontleden. Morbide en toch aangrijpend is hoe de doden hem ontroeren, ,,doof voor gelach, blind voor de wolken”. Ze tarten zijn begrip ,,in hun volmaakte autonomie”.

Historisch lijkroven

Deze roman zal de zachtmoedigen soms even laten slikken. Zo krijgt de lezer een kleine cursus historisch lijkroven voorgeschoteld, uitlopend op een lichaam, samengekneed tot ,,een compacte bundel, niet groter dan een hond of een paar kilo weerbarstige koolraap.”

Mantel mat zich voor de gelegenheid een stijl vol doodsverachting aan. Ze bedient zich van barokke beelden en incidenten. Plompverloren, bij vlagen komiek, doorbreekt ze met alle macht het romantische beeld van historisch Londen. Armoede is niet schilderachtig, het is vies en lelijk. Het ontwaken van de medische wetenschap voltrekt zich afzichtelijk. Meegevoel permitteert niemand zich, terwijl alles kleeft en sopt en stinkt.

Behalve uit modder en stront kleit Mantel De Reus, O’Brien uit taal. Ze schildert met welgemikte woorden hoe de stedelingen hun leven niet zeker zijn, dankzij een mozaiek van dodelijke ziektes en anders laten ze het leven wel door ruzie, handgemeen en roofmoord. En o ja, doordat allerhande autoriteiten ze zomaar in een kerker gooien.

Verschillende malen valt het woord ‘gnuiven’. Soms, laat Mantel John Hunt vaststellen, ,,gnuiven mensen echt”. Dat slaat ook op haarzelf. Je voelt hoe ze gnuivend van genoegen scheldpartijen opdist en in forse bewoordingen zwartgallige grappen maakt. Ze laat zich gaan bij de beschrijving van een bontmuts die op een hoofd ligt ,,als een dode das”. Gooit alle remmen los bij een huiveringwekkend wrede variatie op Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Ze moet gretig een collectie 18de-eeuwse scheldwoorden hebben aangelegd, vele zijn te mooi om niet waar te zijn. Ook bloemrijke dreigementen als ,,al wiebel je met je lul naar de vijf bloedende wonden van Christus” voelen aan als iets wat Mantel niet verzon maar tot haar evidente genoegen ergens aantrof, in een smaadschrift of een klucht.

Hetzelfde geldt voor de opgesomde termen voor executie aan de galg, zoals ,,met Catelijntje trouwen of door het hennepen venster kijken”. Die hoeft ze niet op te sommen, het verhaal kan zonder. Maar ze doet het toch – ze vindt ze te mooi om voor zichzelf te houden. Dat penselen met woorden maakt dit boek onweerstaanbaar, ondanks de lichtelijk zelfingenomen gothic horreur en ondanks soms van bombast uit de bocht vliegende passages (de nachtbries die ,,suizelt” en ook nog eens door de boomkruinen strijkt ,,met de vingers van een zakkenroller”).

Het is allemaal met verve vertaald door Ine Willems, die daarnaast prijzenswaardig inventief de krompraat van O’Briens gezellen omzette in net zo vreemd, maar glashelder Nederlands.

De reus sterft. John Hunt koopt zijn lichaam. Hij kookt zijn botten uit en hangt zijn skelet op. Het helpt hem niet verder, hij zal sterven voor hij met zijn onderzoek resultaten heeft geboekt.

Namens de reus voorziet Hilary Mantel in een ultiem verhaal, over een afgehakt hoofd. Het bedankt ,,voor uw aandacht”.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next