Péter Magyar treedt zaterdag aan als premier van Hongarije. Tijdens de campagne schiep hij torenhoge verwachtingen, met beloftes van hervormingen op tal van vlakken. Ondertussen maakt de kliek rond voorganger Viktor Orbán zich op voor bijltjesdag.
is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.
Een berouwvolle oligarch die ieder moment in snikken lijkt uit te barsten: sinds de verkiezingsnederlaag van Viktor Orbán krijgen Hongaren dingen te zien die ze niet voor mogelijk hielden. Zoals het interview met een geëmotioneerde Gyula Balásy bij nieuwssite Kontroll deze week.
Balásy beheerde een imperium van communicatiebedrijven en was onder meer verantwoordelijk voor de billboards in het land. Zo faciliteerde hij jarenlang de met belastinggeld betaalde lastercampagnes tegen George Soros, lhbti’ers, oppositie en Oekraïne. Het leverde hem de bijnaam ‘propagandapaus’ op.
Zijn bedrijven streken lucratieve publieke aanbestedingen op. Volgens recent onderzoek maakten ze dertig keer meer kans op een contract dan bedrijven zonder politieke connecties. Balásy was namelijk onderdeel van het Systeem van Nationale Samenwerking (NER), het patronagenetwerk van ondernemers die onder Orbán schatrijk werden door samen te werken met de regering.
Na de verkiezingen zijn de bankrekeningen van zijn bedrijven bevroren. Nu neemt Balásy ontslag, doet hij zijn bedrijven over aan de staat en zegt niets verkeerd te hebben gedaan. Zijn publieke biecht baarde opzien, maar werd ook met scepsis ontvangen: zijn grote privévermogen, vastgoed en sportauto’s houdt hij namelijk.
Het interview toont vooral hoe de oude garde voorsorteert op de komst van premier Péter Magyar, die met zijn partij Tisza op 12 april de verkiezingen won. Het systeem van Orbán lijkt uiteen te vallen. ‘NER is een ijsberg die in de zon staat’, zei een corruptieonderzoeker tegen weekblad Magyar Hang. ‘Ze lijkt sneller te smelten dan gedacht.’
Sinds 12 april regent het berichten over zakken met versnipperde documenten die buiten ministeries worden gevonden, geruchten over vluchtende oligarchen en de aankondiging dat Tények (een met propaganda gevulde ‘nieuwsshow’ op Orbán-spreekbuis TV2) alvast stopt. Anderen beloven samenwerking met de nieuwe regering, zoals de voorzitter van de Nationale Bank, een instituut dat loyaal was aan Orbáns partij Fidesz.
Of spijtoptanten clementie krijgen, is de vraag. ‘Je kunt wel krokodillentranen huilen en doen alsof je berouw hebt, maar er is geen vergeving voor de plunderaars van het Hongaarse volk’, schreef Magyar deze week op Facebook.
Vanaf zaterdag is hij premier. Zijn kabinet wordt dan geïnstalleerd, gevolgd door een straatfeest in Boedapest. Magyar wil zijn ‘supermeerderheid’ (twee derde van de zetels in het parlement) gebruiken om het land ingrijpend te veranderen.
Zo wil hij de nieuwsuitzendingen van de publieke omroep stilleggen tot ze onafhankelijke journalistiek bedrijven. President Tamás Sulyok en andere Fidesz-loyalisten op hoge functies heeft hij tot 31 mei gegeven om af te treden.
Hij belooft de corruptie uit te roeien en schuldigen aansprakelijk te stellen. Daar hebben Hongaren oren naar: volgens opiniepeiler Medián vindt 65 procent dat oud-premier Viktor Orbán zich voor de rechter moet verantwoorden.
Maar met bijltjesdag is Hongarije er niet. Een van de belangrijkste beloftes van Magyar is het binnenhalen van EU-fondsen die zijn bevroren wegens zorgen over de rechtsstaat en corruptie. Daarvoor moet het land aan maar liefst 27 ‘supermijlpalen’ voldoen, oftewel vergaande wettelijke hervormingen doorvoeren om de rechtsstaat te herstellen. De fondsen zijn noodzakelijk om de sputterende economie op gang te helpen.
Magyars grote belofte is verandering. Daarom heeft hij gewonnen, toont nieuw onderzoek van denktank European Council of Foreign Relations (ECFR) aan. Voor twee derde van zijn kiezers was ‘systeemverandering’ of ‘anti-Fidesz-sentiment’ de belangrijkste drijfveer.
Dankzij de supermeerderheid kan de regering de grondwet aanpassen en dat is ook het plan. Eén belofte is het beperken van het premierschap tot maximaal twee termijnen (Orbán vervulde er in totaal vijf). Magyar geeft zo een signaal af aan critici die vrezen dat hij even machtswellustig als Orbán kan worden.
Maar wie zegt dat alles anders wordt, schept hoge verwachtingen. Volgens ECFR zien de Hongaren als de top drie van problemen: hoge prijzen en inflatie; de staat van de publieke voorzieningen (zorg en onderwijs); de corruptie en het beleid. Teleurstelling ligt op de loer, de wensen voor verandering bestrijken zowat het gehele maatschappelijk domein.
Magyar ziet een grote rol weggelegd voor zijn ministers. Dit is een politieke cultuurverandering ten opzichte Orbán, die zelf de dominante figuur was. ‘De premier zal geen zonnekoning zijn, maar eerder aanvoerder van een team die vertrouwt op zijn ministers’, zei Magyar de dag na de verkiezingen.
Er komen zestien ministeries. Weinig van zijn ministers zijn beroepspolitici: ze komen uit het vakgebied waarvan ze minister worden of uit het bedrijfsleven. Ook hebben een aantal van hen stevige internationale ervaring. Magyar wil duidelijk breken met een bestuurscultuur die werd bepaald door loyaliteit aan Orbán, partijbelangen en de cultuuroorlog.
Daarnaast gaat de regering er qua man-vrouw verhouding iets op vooruit. Er komen vier vrouwelijke ministers (in de vorige Fidesz-regering waren dat er nul). Binnen het parlement zijn de verhoudingen ook ietsjes rechtgetrokken: 25 procent vrouwen ten opzichte van 14 procent hiervoor (de Tisza-fractie bestaat voor een derde uit vrouwelijke parlementariërs).
Daags voor de inauguratie maakte het inkomende kabinet echter al een uitglijder. Magyar benoemde zijn zwager Márton Melléthei-Barna als minister van Justitie. Magyar verdedigde het besluit aanvankelijk, maar de beeldvorming was niet bepaald gunstig voor iemand die zegt af te rekenen met een nepotistisch systeem.
Donderdagavond trok Melléthei-Barna zich terug. Al met al een onhandige start: Justitie is een van de belangrijkste posten voor het herstel van de rechtsstaat. Vrijdag kondigde Magyar aan dat Márta Görög minister wordt. Zij werkt als decaan van de rechtenfaculteit aan de universiteit van Szeged. Magyar noemde haar de ‘ongekroonde koningin van de Hongaarse advocatuur’. Nog net op tijd.
Anita Orbán, minister van Buitenlandse Zaken
De 51-jarige Anita Orbán (geen familie) wordt behalve minister van Buitenlandse Zaken ook vicepremier. Ze belooft Hongarije weer te ‘verankeren in het systeem van westerse bondgenootschappen’ van de EU en de Navo. Ze is opgeleid als econoom, studeerde later geschiedenis en diplomatie in de Verenigde Staten en had een topfunctie bij Vodafone.
Tussen 2010 en 2015, toen Orbans partij Fidesz aan de macht was, werkte ze bij het ministerie van Buitenlandse Zaken op het dossier energie. Ze vertrok toen Viktor Orbán steeds pro-Russischer werd en energiedeals sloot met Poetin (in 2008 publiceerde ze een boek over energiebeleid als wapen voor Russisch imperialisme). Aan haar de taak om de betrekkingen te normaliseren met bondgenoten die Orbán van zich vervreemdde.
Bálint Ruff, kabinetschef
Bálint Ruff (45) is jurist en was lang actief achter de schermen van de Hongaarse politiek. De meeste Hongaren kennen hem als scherp politiek duider bij het populaire YouTube-kanaal Partizán, waar hij zijn eigen show had. Tijdens de campagne adviseerde hij Magyar soms, hoewel hij geen officiële band met diens partij Tisza had. Eerder adviseerde hij andere (lokale) oppositiepolitici.
Zijn officiële titel is ‘minister van het premierskantoor’, een soort Algemene Zaken. Het is een invloedrijke post, die de grote beleidslijnen voor het publiek uiteenzet en verdedigt. Ruff kondigde aan dat het ministerie onder zijn hoede ‘de motor van de regimeverandering’ wordt, achter corruptiezaken aangaat en zal afrekenen met de erfenis van Orbán.
Zsolt Hegedüs, minister van Zorg
Een ministerie van Zorg is een omwenteling op zichzelf. Onder Orbán was zorg, net als onderwijs, ondergebracht bij een ‘superministerie’ voor sociale zaken. Volgens critici was dit tekenend voor de verwaarlozing van deze beleidsterreinen. Het verbeteren van zorg en onderwijs (dat eveneens een apart ministerie wordt, met academicus Judit Lannert als minister) speelde een sleutelrol in Magyars verkiezingscampagne.
Orthopedisch chirurg Zsolt Hegedüs (56) werd na verkiezingsnacht een hit op het internet vanwege zijn uitbundige danskunsten. In het verleden voerde hij actie tegen corruptiepraktijken in het zorgstelsel. Hij werkte een tijd in het Verenigd Koninkrijk maar keerde terug, naar eigen zeggen om de Hongaarse zorg te verbeteren.
Ágnes Forsthoffer, parlementsvoorzitter
Geen minister, maar een belangrijke en beeldbepalende functie voor Ágnes Forsthoffer (46). Ze groeide op aan het Balatonmeer, studeerde economie en werkte in de omvangrijke toerismesector van haar geboorteregio als hotelmanager. Ze is vicevoorzitter van Tisza en verantwoordelijk voor het netwerk van ‘Tisza-eilanden’, lokale vrijwilligersverbanden die met hun 50 duizend leden een belangrijke rol speelden in Magyars grassroots-campagne.
De voorzitter van het parlement is het gezicht van het instituut, gaat over het ordereglement alsook de parlementaire commissies en vervangt de president wanneer deze sterft, aftreedt of wordt weggestemd. Forsthoffer volgt de controversiële László Köver op, die de rol sinds 2010 vervulde. Hij noemde ‘het schenken van kleinkinderen’ eens ‘de hoogste vorm van zelfverwezenlijking voor onze dochters’.
Source: Volkskrant