Home

Waarom heeft niemand na ‘Mystiek lichaam’ (deze week 40) ooit nog een grote aidsroman geschreven?

Bij de verschijning van Mystiek lichaam (1986) had iedereen het over het vermeende antisemitisme van Frans Kellendonk. Het werkelijke onderwerp, aids, sneeuwde daardoor onder. Onderzoeker Jesse van Amelsvoort vraagt zich af wat daar achter zat.

Halverwege Mystiek lichaam duikt er in het leven van Leendert ‘Broer’ Gijselhart een ‘bizar vierletterwoord’ op, een mysterieuze nieuwe ziekte die hij zelf vreest ook onder de leden te hebben.

Door de roman heen wordt dat gevoel steeds sterker. Tegen het einde zit Leendert in een tuinstoel en hoort hij zijn adem ‘schuren, gejaagd, haperend’. Kellendonk schrijft: ‘Hij was ziek, besefte Broer toen. Onzichtbare wezentjes waren in hem aan het kluiven, met myriaden knabbeltandjes.’

Zijn lichaam wordt ‘vezeltje voor vezeltje verteerd door de sarcastische infanterie van de dood.’

Aids: niet genoemd, aanwezig als letter en geest.

Veertig jaar Mystiek lichaam

Leenderts vriend, ‘de rijpe jongen’, is eerder in de roman al geïnfecteerd en zal sterven – een lot dat hemzelf uiteindelijk ook ten deel zal vallen. Niet in de roman zelf, al sorteert hij in het ‘hoogliedje voor de dood’ waarmee Mystiek lichaam eindigt op dat lot voor. Leendert ziet zichzelf als stichter van een ‘geheime dynastie van de dood’ en mogelijk zelfs als diens evangelist, ‘in de zekerheid dat ik door jou zal worden opgeheven en over de drempel gedragen, onsterfelijke dood.’

Jesse van Amelsvoort doceert moderne Europese letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en werkt bij uitgeverij Querido aan een boek over het cultureel geheugen rondom hiv en aids.

Mystiek lichaam verscheen in mei 1986 – precies veertig jaar geleden, de uitgeverij viert het met een nieuwe editie. 1986 was vier jaar nadat de eerste Nederlandse aidspatiënt was gediagnosticeerd en, kort na die diagnose, overleed. Dat jaar bracht Kellendonk door in de Verenigde Staten, als gastschrijver in Minneapolis. Eind augustus 1981 vloog hij naar New York, waarna hij eerst het noordoosten van het land verkende.

In september kwam hij aan in Minneapolis. Het appartement daar beschreef hij in brieven als ‘gruwelijk smerig’, de VS als ‘een plat, burgerlijk, bekrompen en bijzonder ongezellig land’ en de mensen waren vooral ‘phoney en de rest is banaal’.

Kellendonk stortte zich op enkele colleges, lezingen en vooral zijn eigen schrijverschap. Hij ontmoet er mannen, waarvan in ieder geval een deel met hem terug zou willen naar Nederland. Als hij in juni 1982 weer in Amsterdam is, alleen, zitten de eerste schetsen voor Mystiek lichaam in zijn koffer.

Een mysterieuze nieuwe ziekte

Het is moeilijk voor te stellen dat Kellendonk tijdens dat Amerikaanse jaar niets heeft gelezen of gehoord over aids. In juni 1981 waren de eerste berichten verschenen over een mysterieuze nieuwe ziekte, eerst in medische bulletins, maar al snel ook in de homopers en nationale kranten. Artsen wisten er zich geen raad mee: waarom waren hun patiënten vooral homoseksuele mannen?

In augustus 1983 wordt de aidsepidemie voor Kellendonk onontkoombaar. Die maand ondergaat hij een operatie die voortvloeit uit zijn al maandenlang opgezwollen lymfeklieren. Wat hij onder de leden heeft is niet duidelijk, deels omdat er in die beginjaren van de aidscrisis nog geen of slechts weinig testen beschikbaar zijn. Maar ook omdat nog niet iedere arts weet hoe ze een mogelijke aidspatiënt moeten herkennen, en deels omdat Kellendonk de meer herkenbare symptomen van een hiv-infectie niet vertoont.

In de weken na de operatie dringt het besef door dat hij de doodsbel heeft horen luiden, zo laat Jaap Goedegebuure in zijn biografie van Kellendonk (2018) zien. ‘Een hele geruststelling, dat mijn dood alleen voor mezelf onoverkomelijk zou zijn’, noteert de schrijver ironisch in zijn dagboek, nadat hij zijn moeder op de hoogte heeft gesteld van wat hij onder de leden heeft.

Raadselachtige symptomen

In de vroege jaren tachtig was vooral veel onbekend over wat we later hiv en aids zouden noemen. Hoe het zich verspreidde, bijvoorbeeld, en waarom bepaalde groepen geraakt werden en andere niet.

De eerste epidemiologische rapporten waren gebaseerd op voorheen gezonde jonge mannen die stierven aan zeldzame longontstekingen, hun huid bezaaid met de donkere vlekken van het kaposisarcoom – een al net zo weinig voorkomende huidkanker.

Artsen probeerden te begrijpen wat er aan de hand was: hun patiënten deelden niks met elkaar behalve dat ze seks met mannen hadden. Vaak dezelfde, zo bleek uit de eerste epidemiologische bron- en contactonderzoeken. Een handvol anderen had drugs gespoten of een bloedtransfusie voor hun hemofilie ontvangen – een kleine groep.

Omdat kaposisarcoom een vorm van huidkanker is, die dan om onduidelijke redenen normaal gesproken alleen te vinden is in Italië, Centraal-Afrika en onder Oost-Europese Joden, werd de nieuwe ziekte informeel homokanker genoemd. Meer officieel: gay-related immune disease, vanaf 1982 acquired immuno-deficiency syndrome – aids. Zo verdween het stigma uit de naam, maar niet uit de associaties rondom de ziekte.

Verzwakt afweersysteem

Weer later, in 1986, werd ontdekt dat het humaan immunodeficiëntievirus (hiv) verantwoordelijk is voor een proces dat uiteindelijk herkenbaar zou worden als aids: het virus verzwakt het menselijk afweersysteem net zo lang tot het zich niet meer kan verweren tegen allerhande infecties, schimmels en ontstekingen.

In 1996, zes jaar na Kellendonks dood aan de gevolgen van aids, kwam de eerste werkende medicatie op de markt. Hiv hoefde zich niet meer te ontwikkelen tot aids, wereldwijd werden miljoenen levens gered. Door deze en andere medicijnen is het mogelijk met hiv te leven en nieuwe infecties te vermijden.

Toch blijft hiv zich verspreiden, ook in Nederland: volgens de laatste cijfers van de Stichting Hiv Monitoring werden er in 2024 ruim vierhonderd nieuwe diagnoses gesteld. Er leven in ons land nu ruim 25 duizend mensen met hiv, en elk jaar overlijden er ongeveer 25 mensen aan de gevolgen van aids. In totaal stierven er sinds 1982 ruim vijfduizend mensen aan de gevolgen van aids.

Wereldwijd komen er jaarlijks ruim een miljoen nieuwe hiv-positieve mensen bij. Er overlijden meer dan 600 duizend mensen per jaar aan de gevolgen van aids.

Een probleem van iedereen

Dat is nu. Veertig jaar geleden, toen Frans Kellendonk Mystiek lichaam schreef, suggereerden de zwartste analyses dat de exponentiële groei van het aantal infecties ertoe zou leiden dat binnen een paar jaar niet alleen de gezondheid van homomannen en andere risicogroepen op het spel zou staan, maar zelfs de hele volksgezondheid werd bedreigd – inclusief die van heteroseksuelen.

Dergelijke prognoses zijn tekenend voor de paniek die zich meester begon te maken van medische, activistische en beleidskringen. (En van overduidelijke stigmatisering en homofobie: pas toen aids een probleem van ‘iedereen’ dreigde te worden, ging de politiek over tot handelen.)

1986 markeert misschien wel het jaar waarin hiv en aids een onontkoombaar probleem werden, zichtbaar voor steeds meer mensen.

Het is in ieder geval ook het jaar dat de epidemie een literair thema werd in Nederland. Mystiek lichaam is vermoedelijk de eerste Nederlandse roman waarin aids niet alleen een rol speelt, maar een auteur de epidemie ook echt thematiseerde.

In het theater stonden Jos Brink en Wick Ederveen rond diezelfde tijd op de planken met stukken over aids. Vanaf 1988 worden er gestaag boeken en verhalen gepubliceerd waarin schrijvers literair vormgaven aan leven met hiv (zie kader). Het hoogtepunt van deze culturele productie ligt duidelijk halverwege de jaren negentig; na 1997, wanneer aids door farmacologische innovaties en medische doorbraken beheersbaar is geworden, valt de aandacht gelijk weg.

Achteruitkijkspiegel

Hiv en aids als onderwerp in de literatuur veranderen dan ook. Halverwege de jaren nul verschijnen er twee romans over Nederlandse tropenartsen in Afrikaanse, met aids kampende landen, waarna schrijvers als Jan Brokken en Hanna Bervoets later de epidemie vanuit de achteruitkijkspiegel zullen bekijken.

Eén van de hoofdpersonages in Alara Adilows roman Kijk es naar al dat licht (2025) is hiv-positief; hoe, waar, met de crisisjaren heeft het weinig te maken.

Daarmee bestaat het Nederlandse literaire archief rondom hiv en aids uit nauwelijks meer dan twintig romans, verhalen, theaterteksten en memoires.

Dit gaat dan slechts over boeken waarin aids echt gethematiseerd wordt, los van verhalen waarin losse verwijzingen naar de epidemie voorkomen. Denk dan bijvoorbeeld aan hiv als goed doel in Marja Pruis’ jongste roman Huiswerk, of een kunstenaar van wie wordt vermoed dat hij hiv-positief is in Man maakt stuk van Maurits de Bruijn, om slechts twee recente voorbeelden te noemen.

Bij elkaar is het een enigszins onzichtbaar corpus. Zo wordt in Robbert Bloklands recente historische overzicht Live to tell alleen verwezen naar Kellendonks Mystiek lichaam, jeugd- en kinderliteratuur en Hanna Bervoets’ romans Ivanov (2016) en Leer me alles wat je weet (2023). Dat naast een hoop minder bekende schrijvers ook auteurs als Bas Heijne, Gerrit Komrij en Stephan Sanders op literaire wijze over de aidscrisis hebben geschreven, blijft onvermeld.

Subcultureel discours

Dat is minder raar dan het lijkt. Een groot deel van de Nederlandse aidsliteratuur is geschreven door en voor homoseksuele auteurs; noem het een subcultureel discours waarin de zwaar getroffen homogemeenschap betekenis probeert te geven aan de epidemie. Daarbij komt dat veel van de werken zijn verschenen bij kleine of inmiddels opgeheven uitgeverijen, of zelfs in eigen beheer verschenen.

Er zijn ook andere redenen. Stephan Sanders, die in 1994 de novelle De grote woede van M. publiceerde, staat bijvoorbeeld niet bekend als een fictieschrijver. En Jessica Durlacher schreef over aids in Wat gebeurde er met Cathy M.?, maar deed dat als onderdeel van een reeks boeken ter ere van Harry Mulisch’ 80ste verjaardag in 2007.

In Gerrit Komrijs Dubbelster (1993), een overdadige roman over de zelfhatende talkshowhost Otto Kapteyn, zit slechts een kleine scène die zich afspeelt tijdens een fictioneel Amsterdam Diner – de jaarlijkse bijeenkomst op de Dam waar geld wordt opgehaald voor aidsbestrijding.

Kapteyn begrijpt aids vooral als straf en ondergaat het lot gelaten. ‘Aids was een protest van de hele soort’, denkt hij, net als kanker een reactie op mensen die het zo druk hebben ‘met genot en emotie, met verstrooiing en consumptie, met produceren en ouwehoeren’. De staat zou zich ermee moeten bemoeien, maar hoe dat eruit zou kunnen zien: Kapteyn heeft geen idee.

Om maar te zeggen: echt grote romans over aids zijn er niet.

De vraag is dan: waarom niet?

Voorwaardelijke acceptatie

Misschien kun je een antwoord vinden in Jan Brokkens In het huis van de dichter, de als roman gepresenteerde memoire over de jong overleden pianist Youri Egorov die in 2008 verscheen en nog steeds in druk is.

Egorov was een goede vriend van Brokken, raakte op een gegeven moment hiv-positief, en pleegde na een korte maar glansrijke carrière zelfmoord: hij wilde niet nog zieker te worden. Het is een ontroerend boek over een vriendschap in de muziek in de Amsterdamse jaren zeventig en tachtig – een wereld die minutieus beschreven wordt.

Des te vreemder is het dat Brokken de eerste berichten over de nieuwe ziekte pas halverwege de jaren tachtig situeert – terwijl die berichten toch echt al zo’n vier jaar eerder waren verschenen. De zo zorgvuldig opgebouwde wereld in dit verder indrukwekkende boek valt hier ineens in duigen.

Misschien laat de Nederlandse literatuur over hiv en aids dus vooral zien hoe voorwaardelijk de acceptatie is van homoseksuelen en andere door de epidemie getroffen groepen. Blijkbaar kun je met verve het Amsterdam van de jaren tachtig oproepen, gedetailleerd en vol couleur locale, maar ook los van de feiten over aids. En er is geen schrijver, geen redacteur, geen lezer die erover valt.

Out of sight, out of mind.

Antisemitisme

Net zo beroemd als de roman Mystiek lichaam is, is de ontvangst in 1986. De roman werd in de Volkskrant in eerste instantie onthaald als ‘een merkwaardig katholiek boek’ waarin ‘antisemitische gevoelens’ werden geuit.

Toch valt het moeilijk te ontkennen dat vader Gijselhart niet wars is van antisemitisme en dit ook door de roman heen uit. Als zijn kleinkind pas met vijftien maanden gaat lopen, noemt de kinderarts het joch ‘lui’, ‘lichamelijk mankeerde het niets’. Gijselhart is een andere mening toegedaan: het ligt aan het ‘ras’ van de vader.

Gevolgd door: ‘Er zijn maar twee ledematen die de jood graag beweegt en die zijn allebei botloos. Het ene is zijn tong en het andere ken je ook.’

Na het eerste signalement kwam de beroemde aanval van Aad Nuis in de Volkskrant. Hij bespeurde in Mystiek lichaam ‘weerzinwekkende onzin’: de onfortuinlijke terugkeer van uit Nederland verbannen religieuze spiritualiteit, maar ook antisemitisme en homohaat – vooral dus uit de mond van vader Gijselhart.

Nuis zag Kellendonks ironie, ‘maar door alle lagen van parodie en doen-alsof heen blijft een genadeloze kern van onverdraagzaamheid voelbaar. (…) Nog minder te rechtvaardigen is het waas van dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme, dat over bepaalde passages hangt.’

Sterker nog, een kort daarvoor gepubliceerd interview met Hans Maarten van den Brink in NRC Handelsblad wekte voor Nuis de suggestie dat dit cultureel conservatisme niet alleen de roman aangewreven kon worden, maar ook de auteur zelf. Nuis’ tirade vormde de opmaat tot een maandenlange literaire storm, die veertig jaar na dato een vreemde indruk wekt.

Zelfhaat als ziekte

Nuis’ aanval en alle commotie eromheen hebben, ongetwijfeld onbedoeld en ongewild, Mystiek lichaam een blijvende plek in het literaire geheugen verzekerd.

Maar het gevolg was: iedereen had het over het antisemitisme van de roman, niemand had het nog over aids.

Later viel dit meer op. Zo stelde Herman Stevens in 2011 in De Groene Amsterdammer, ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de roman: ‘We associëren Mystiek lichaam met het eerste, nerveuze aidsdecennium, maar de ziekte die iedereen in de roman in zijn greep heeft is de zelfhaat. (…) Broer haat zichzelf en de manier waarop de homoseksualiteit hem op een zijspoor heeft gerangeerd. In Mystiek lichaam neemt aids de gedaante aan van een gerechtvaardigde vergelding van de natuur. Een nemesis. We moeten heengaan en ons vermenigvuldigen. Anders heeft het leven geen zin.’

Stevens plaatst aids in de bredere thematiek van de roman, met aandacht voor de manier waarop de epidemie homoseksuelen, of in ieder geval Leendert, buiten het zo gewenste mystieke lichaam van de mensheid plaatst. Ze kunnen zich niet voortplanten, zullen zelfs sterven. Tegenover Magda’s verlangen om een kind te krijgen en het leven te bezingen, staat haar broers pad naar de dood.

Meer dan een interruptie

Daarmee komen we, volgens mij, bij een antwoord op de vraag waarom Mystiek lichaam na veertig jaar nog overeind staat als een hoogtepunt van de Nederlandse aidsliteratuur. De taal blijft zingen en Kellendonks wereldbeeld blijft prikkelen, dat weten we.

Vanuit het literaire archief rondom hiv en aids valt echter ook op dat aids in deze roman meer betekent dan een ziekte of een interruptie. De epidemie grijpt diepgaand in op de roman en wordt onderdeel van een verhaal over Nederland.

In Mystiek lichaam is aids meer dan een privéaangelegenheid – meer dan een infectie die het individu niet ontstijgt. Bij Kellendonk vertelt Broers ziekte een groter verhaal. De Gijselharts belichamen Nederland in de lachspiegel: ze zijn elk op hun eigen manier verwrongen, grotesk en gierig. Broers hoogliedje voor de dood drijft de spot met religieuze taal, omarmt de dood en davert nog lang na; dat, misschien, is de echo van aids.

Er is een wereld voor aids, en een wereld na aids – en de beste aidsliteratuur maakt die gedachte onontkoombaar.

Een breuk in de geschiedenis

Dat gebeurt bijvoorbeeld in Angels in America, mogelijk het bekendste toneelstuk over aids; auteur Tony Kushner verbindt de epidemie aan Amerika’s religiositeit, migratie, demografie en belangrijke historische gebeurtenissen. Aids is een tragedie voor de mensen die met hiv leven, zonder uitzicht op genezing, maar net zo goed niet te negeren voor wie hiv-negatief is. Er is een VS na 1981, en een land van daarvoor. Wie Angels in America leest of kijkt, kan niet meer terug.

Met Mystiek lichaam markeert Kellendonk voor Nederland eenzelfde breuk in de geschiedenis. De gierigheid van de Gijselharten, hun gebrek aan liefde, de druk om het mystieke lichaam van de familie in stand te houden: het wordt allemaal door aids doorkruist. Tegenover het leven dat zijn zus heeft geschonken, kan Broer slechts jongens ‘met de dood’ bezwangeren.

Nieuw is dat niet, niet echt. Broer heeft zich nooit thuisgevoeld in de familie. Als homoseksueel was hij ‘immers’ niet in staat de bloedlijn door te zetten. Vanuit dit perspectief is zijn hiv-infectie zowel betekenisloos als té betekenisvol.

Haal aids uit de roman en er blijft niets van over. En dat zegt alles over de impact van de epidemie.

Deze week is het veertig jaar geleden dat Frans Kellendonks Mystiek lichaam verscheen. Bij uitgeverij Querido verschijnt nu een nieuwe editie, met een voorwoord van Nina Polak.

Frans Kellendonk: Mystiek lichaam. Querido; 200 pagina’s; € 15.

Er is geen makkelijk te vinden overzicht van gepubliceerde aidsliteratuur in Nederland. Als onderzoeker heeft Jesse van Amelsvoort de afgelopen jaren onderstaande lijst samengesteld, die zich nog altijd ontwikkelt.

Frans Kellendonk: Mystiek lichaam (roman, 1986).
Ron Mooser (red.): Dit verval (verhalen, 1988)
Renate (toen nog: René) Stoute: ‘Een toupetje onbekommerdheid’ (in Bewijs van ontslag, verhalen, 1989)
Baantjer: De Cock en de bloedwraak (detectiveverhaal, 1989)
Bas Heijne: ‘Slecht ding’ (eerst in De tien geboden, verhalen, 1993)
Gerrit Komrij: Dubbelster (roman, 1993)
Chris Verboog: Waarom is dat een homobraadpan (columns, 1993)
Daan Cartens: ‘Ga met de koningen’ (in De droefheid van mannen, verhalen, 1994)
Stephan Sanders: De grote woede van M. (novelle, 1994)
Stef Feld: Een stamelend zwijgen (roman, 1995)
Bert Keizer: Het refrein is Hein (medische verhalen, 1995)
Ton Kors: De tijd van Anton de Lange (roman, 1995)
Han Nefkens: Bloedverwanten (roman, 1995)
Leo Wisselink: De hondenjaren (roman, 1996)
Willem Bijsterbosch: Van de wachters (roman, 1997)
Henk Hendrikx: ‘En toen…’ (verhaal, 1997)
Adriaan Groen: Kruisbestuiving (roman, 2004)
Jessica Durlacher: Wat gebeurde er met Cathy M.? (novelle, 2007)
Jan Brokken: In het huis van de dichter (roman/memoires, 2008)
Hanna Bervoets: Ivanov (roman, 2016)
Hanna Bervoets: Leer me alles wat je weet (roman, 2023)
Alara Adilow: Kijk es naar al dat licht (roman, 2025)
GJ Wielinga: Maan in ram (roman/memoires, 2025)

In Vlaanderen zijn de vroege romans van Dirk van Babylon, zoals Carthago herrezen (1987), bekende aidsliteratuur. In 2025 publiceerde Louis Van Dievel de roman Willy & Romain, waarin aids ook een rol speelt. Verder is er een opvallend grote hoeveelheid jeugdliteratuur uit de jaren negentig waarin bijvoorbeeld ooms overlijden aan de gevolgen van aids. En er zijn romans als Hugo Claus’ De geruchten (1996) en Peter Verhelsts Zwerm (2005), waarin de epidemie op metaforische of allegorische wijze gestalte krijgt.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next