In Kiefers hand lopen twee verhaallijnen naast en door elkaar: vreemdgaan en de massavernietiging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lukt het Dieuwertje Mertens deze twee bij elkaar te brengen?
is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.
Sneeuwwitje zou wel gek zijn om de giftige, glimmende appel, die haar boze stiefmoeder voorhoudt, te laten liggen. Zo onweerstaanbaar dat ie glanst!
Dione Melief, midden twintig en onherroepelijk verliefd op de, veel oudere, beeldend kunstenaar Abraham Kiefer – man van de wereld en behoorlijk getrouwd – denkt aan het sprookje als ze na hun eerste ontmoeting een brief van hem ontvangt:
‘In de envelop zitten een folder van het Musée d’Orsay en een retourticket naar Parijs voor aankomend weekend. Dione houdt haar adem in. Op de achterkant zit een post‑it geplakt: ‘3 p.m. Carrousel des Tuileries’ staat er in hanenpoten.’
Principes zijn er om te verloochenen. Aan haar partner Homme vertelt Dione dat haar werkgever haar de kans heeft gegeven over een tentoonstelling te schrijven. Volgende keer gaan we samen, belooft ze.
Verdomd, wat gaat dat makkelijk, bijten in zo’n gevaarlijke vrucht.
Kiefers hand, de tweede roman van literatuurcriticus en journalist Dieuwertje Mertens (1983), is een boek dat moeilijk meebuigt. Die klamme amourette is maar haar beginpunt, want eenmaal op gang – dat gaat nog naar verwachting: Dione raakt zwanger en heeft weinig op met het moederschap, Kiefer blijft ongenaakbaar – zoomt de auteur almaar meer uit, naar wat in eerste instantie een genetisch onderzoek naar Diones ‘achterbakse inborst’ lijkt.
Mertens kiest de metafoor van de mand: iedere twijg of stengel waarmee wordt geweven, staat voor een generatie. ‘Een kapotte twijg kan de stevigheid van de hele constructie tenietdoen.’
Haar grootmoeder van vaders kant, Johanna Cornelia Dewitt-Melief, was ook zo’n vrouw die niet voldeed, zonder veel moederlijk inzicht. De stamboom vertakt zich richting haar aangetrouwde zwager Rudi, de SS’er door wie Johanna zich graag liet kussen. ‘Een smerige vent die zich met allerlei onfrisse zaakjes bezighield’, krijgt Dione bij rondgang langs haar familie te horen, in het boekdeel dat met veel historisch bewustzijn is opgetekend als een soort Großmuttersuche. Dat Rudi niet deugde is bekend, maar wat hij precies heeft uitgespookt?
‘Litzmannstadt, Litzmannstadt, wat deed oom Rudi in Litzmannstadt?’
Net als in haar eerste roman, het net zo mystieke, bombastische Moeders, heiligen, over de dwingende verhalen die het moederschap vormgeven, leest Kiefers hand als een poging bestaande narratieven over vrouw-zijn te doorbreken, op te rekken.
Want wat zet je aan tot wat voor vrouwen als de grootste zonde wordt gezien: jezelf en je onbenullige verzetjes verkiezen boven je gezin? Kleindochter en grootmoeder zijn schuldbewust en laten zich beiden door een soort tweede entiteit, ontsproten uit hun geweten – wat voor Dione de Autrice heet en samenvalt met de schrijver in haar, is voor Johanna de Eigenander – aanspreken op hun overspel.
‘Ho, stop!’ zegt Autrice, als Dione te ver dreigt te gaan. ‘Denk goed na over wat je over jezelf afroept.’
En: ‘Waar ben je precies mee bezig, Johanna?’, vraagt de Eigenander op haar beurt, ‘laat je je nu troosten door die SS’er met zijn losse handjes? Een vuile teef ben je.’
Nogal wiedes dat in deze interne bemoeizucht vooral de maatschappelijke teneur over ‘ongehoorzame vrouwen’ resoneert, maar in een boek dat goed en kwaad zo nadrukkelijk minder statisch wil laten zijn is die veroordelende toon nogal… penetrant. Alsof je seksanekdote op een avond met zogenaamde vriendinnen vooral op veroordelende blikken kan rekenen, die sfeer.
Larmoyant, ook, hoe Dione briefjes schrijft aan haar dochter. De inhoud: ‘Het was sterker dan ik.’ Of: ‘Ik heb in niets zozeer gefaald als in het moederschap. Vergeef me.’
In het derde deel van het boek – opnieuw zo’n originele, onverwachte wending – treffen we Johanna samen met Rudi in het voorgeborchte, waar ze op hun daden reflecteren. Haar levensverhaal is er een van naoorlogse eenzaamheid, van isolatie in een verder kil huwelijk, met Rudi als haar grootste zonde. Zíjn grootste zonde: ja, daar vraag je hem wat.
Het is heel kundig hoe Mertens zo van register wisselt, plots een oorlogsgeschiedenis optekent die – opnieuw – van zoveel geschiedkundige kennis getuigt. Enorm overtuigend in zijn afschuw. Maar: wat heeft het nou te maken met Johanna’s overspel? Is dit een manier haar nóg meer te laten boeten, haar te willen laten inzien dat ze niet alleen is vreemdgegaan, maar ook nog eens met een man die zegt dat het ook wel terecht was, dat de Joden er in het ghetto niet al te warmpjes bij zaten?
In Kiefers hand gaan de mannen vrijuit, van een geweten lijkt in hun geval geen sprake. Abraham Kiefer, vrij gemodelleerd naar de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer, wiens werk thematisch erg raakt aan dat van het personage, kiest zélf welke rol hij zich aanmeet: die van echtgenoot, die van minnaar. In zijn kunst is hij soms de dader, soms het slachtoffer: ‘Kiefer verkleed als Israëlische soldaat houdt Kiefer verkleed als Palestijn in keffiyeh in dezelfde houding onder schot.’
Als Johanna vraagt of Rudi nooit heeft overwogen zelf een einde aan zijn leven te maken, zegt hij dat dat nooit bij hem is opgekomen.
In hoeverre zijn we er als vrouwen bij gebaat, dacht ik bij het lezen van Kiefers hand, om die bestaande beknellende ideeën over het zijn van een goede vrouw alsmaar te herkauwen om ze te kunnen verwerpen? Ja, er was de ambitie een boek te schrijven over grijstinten, maar Mertens tweede leest onbedoeld moralistisch. Een SS’er, Johanna, een SS’er!
Niet dat ik hier een pleidooi voor overspel wil houden, maar: Dione, Johanna, meiden, vergeten jullie niet er ook een beetje van te genieten? Hoe bevrijdend dat kan zijn!
Dieuwertje Mertens: Kiefers hand. Querido; 352 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant