Home

Frank Dikötter kan er niet over uit: hoe is het mogelijk dat het Westen zo welwillend bleef tegenover Mao Zedong?

Morgenrood boven China is een verbijsterend verhaal over de vele misdaden van het communistische regime van Zedong. De westerse mogendheden, de Verenigde Staten in het bijzonder, bleken behoorlijk naïef in hun omgang met de rebellenleiders.

schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.

De Nederlandse historicus Frank Dikötter schrijft al vele jaren (in het Engels) over China. Maar hij lijkt nog steeds niet te zijn bekomen van zijn verbazing over het feit dat de communisten zich in korte tijd van een verbeten splintergroep tot de machthebbers van China wisten op te werken – mede dankzij de Amerikanen.

In zijn boek over dit thema, Morgenrood boven China, toont Dikötter zich verbijsterd over de wreedheid waarmee de communisten hun tegenstanders hebben bevochten. Over de omvang en de frequentie van interne zuiveringen. Hun vermogen om bloeiende landschappen tot smeulende vlakten te reduceren. Hun grenzeloze opportunisme en de achteloosheid waarmee zij verdragen aan hun laars lapten.

Ook klinkt in Morgenrood boven China verbijstering door over de naïviteit van westerse mogendheden, de Verenigde Staten in het bijzonder, in hun omgang met de communistische rebellenleiders. In hun fixatie op de corruptie en de incompetentie van ‘generalissimo’ Chiang Kai-shek, president van de Republiek China, verloren de Amerikanen het grotere kwaad van diens communistische tegenstanders uit het oog. Daardoor zijn ze medeplichtig aan de vestiging van een van de meest destructieve regimes uit de menselijke geschiedenis.

Welwillend tegenover Zedong

Dit roept – buiten het bestek van Dikötters boek – weer de vraag op hoe het in godsnaam mogelijk was dat zoveel inwoners van het vrije Westen een grote welwillendheid jegens Mao Zedong bleven houden toen veel van zijn misdaden allang waren geboekstaafd.

Van de vertelkunst van z’n auteur moet Morgenrood boven China het niet hebben. Dikötter, sinds 2006 hoogleraar humanistiek aan de Universiteit van Hongkong, is dermate vertrouwd met het Mao-tijdperk dat hij zijn lezers onvoldoende ontziet. Hij tekent elke tussenstand van elke beschreven ontwikkeling nauwgezet op. Hij strooit met exotische plaatsnamen en maakt het er niet toegankelijker op als hij de lezer maant Xinfeng vooral ‘niet te verwarren met de plaats Jiangxi waarvan de naam hetzelfde klinkt’.

De karakteristieken van opgevoerde personen zijn nietszeggend in hun plichtmatigheid: ‘... een imponerende man met felle ogen’; ‘... een tengere, knappe dichter’; ‘... een rustige en ernstige aanvoerder’; ‘... een saaie maar ambitieuze jongeman’; ‘... een sinistere figuur met een dun snorretje en dikke brillenglazen’. Kleur op de wangen krijgen ze niet door dit soort kenschetsen.

Het verspreiden van angst

De daden van deze flat characters spreken echter voor zich. Vanaf de vestiging van de Chinese Communistische Partij in 1921 legden de leiders zich toe op de verspreiding van angst. Niet alleen bij het nationalistische Kwomintang-regime van Chiang Kai-shek, maar ook bij arbeiders en boeren, hun natuurlijke bondgenoten.

Die boeren ambieerden daarentegen geen rol in de proletarische revolutie. Vóór 1940 was naar schatting slechts een op de zeventienhonderd Chinezen lid van de Communistische Partij. ‘Bijna elk Europees land, met uitzondering van nazi-Duitsland, kon bogen op een groter aantal communisten in verhouding tot hun bevolking’, schrijft Dikötter.

Uitsluitend door terreur kon de partij zich handhaven, en uiteindelijk zegevieren. ‘Macht komt uit de loop van het geweer’, wist Mao al bij het begin van zijn mars door de communistische instituties. Voor hem en zijn medestanders was het zaak om nog wreder te zijn dan hun tegenstanders.

Op de overtuiging dat ze daarmee het levensgeluk van het proletariaat zouden dienen, lieten zij zich niet betrappen: terreur leek voor hen een doel op zich. Ver vóór de vestiging van hun macht, in 1949, veroorzaakten communistische experimenten in de binnenlanden van China al honderdduizenden doden.

Bij gebrek aan klassenvijanden

De ideologie werd daarbij achter de wagen van de terreur gespannen. Tot verbazing van China’s eerste communisten, die hun scholing in de jonge Sovjet-Unie hadden genoten, ontbeerde het Chinese platteland de klassenstructuren waarop hun ideologie was geënt: er waren nauwelijks ‘landheren’ die tot klassenvijand konden worden verklaard.

Hun weinig begerenswaardige positie werd ingenomen door de zogenoemde ‘middenboeren’, die iets meer landbouwproducten oogstten dan zij voor het eigen gebruik nodig hadden. Uiteindelijk onderscheidden de communisten – die zichzelf aanvankelijk bij voorkeur bolsjewisten noemden – 28 klassen ‘die moesten worden uitgeroeid’. Dat lot trof niet alleen degenen die als ‘kwade landheer’ waren aangewezen, maar ook ‘sociaal ongewensten’, geestelijken, waarzeggers, blinden en ouderen.

Hoewel de sporen van het bolsjewistisch schrikbewind zichtbaar waren in de gebieden die door de Nationalisten van Chiang Kai-shek waren heroverd, en hoewel talrijke vluchtelingen konden vertellen wat het reëel bestaand socialisme behelsde, genoot Rood China in het Westen lange tijd meer dan het voordeel van de twijfel. In 1937 schreef de Amerikaanse journalist Edgar Snow een hagiografisch boek over Mao (Red Star over China). Diplomaten meenden dat de rode strijders eerbare patriotten waren die slechts poseerden als communist.

George Marshall

Die opvatting sterkte de latere minister van Buitenlandse Zaken George Marshall, die in 1945 door president Truman naar China was uitgezonden, in de mening dat de Verenigde Staten hun kaarten op Mao moesten zetten.

En zo geschiedde – met alle gevolgen van dien voor het verloop van de burgeroorlog die op dat moment in China woedde: andere landen ontvingen beduidend meer hulp van de VS dan het gedoemde China van Chiang Kai-shek. De historicus Jonathan Fenby velde in 2008 dan ook een hard oordeel over de in Europa vereerde Marshall: hij was ‘zo ongeveer de minst geschikte man om naar China te sturen’.

Frank Dikötter: Morgenrood boven China. Hoe de communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen; uit het Engels vertaald door Rob de Ridder; Spectrum; 464 pagina’s; € 39,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next