Nu hij zelf kanker heeft, doet hij dat toch. Zijn memoires Elke dag laten zich lezen als Asschers poging om met zijn sterfelijkheid in het reine te komen.
Schrijvers die ziekte en naderend einde in alle stilte verwerken zijn geloof ik langzaamaan een zeldzaamheid. Ook Maarten Asscher (1957), voormalig uitgever, cultuurambtenaar en directeur van Athenaeum Boekhandel, tegenwoordig fulltime schrijver en vertaler, kon het niet laten.
Voor de hand lag dat allerminst. ‘Boeken over ziekte en ziekenhuizen lees ik niet graag’, meldt hij in het voorwoord van het onlangs verschenen ‘autobiografische essay-cum-memoir’ Elke dag, ‘en het zou dus ook niet logisch zijn er zelf eentje te schrijven.’
Maar ja, nu hij kanker heeft komt het er toch van. Vast neemt hij zich voor ‘de clichés van die witte medische wereld’ te vermijden: de ziekenhuisverblijven, de teurgkerende gesprekken, het eindeloze wachten, de scans en de controles. ‘Dat zijn slechts de symptomen, de gevolgen. Het onderliggende onderwerp is waar het om gaat, en dat is de menselijke sterfelijkheid.’
Elke dag laat zich lezen als Asschers poging om daarmee in het reine te komen. Twee hoofdstukken lang maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij schetst de ‘romantische, empathische omgang met de dood’ uit zijn kinderjaren, toen de ernst van de zaak nog niet echt tot hem doordrong.
Hij beschrijft het latere sterven van dierbaren: van de grootvader van vaderskant wiens sterfbed hij angstvallig vermeed, van goede vrienden als publicist Michaël Zeeman, uitgever Johan Polak, uitgever Theo Sontrop, maar ook van zijn eigen vader. ‘We wisselden kleine dingen uit, praktische zaken, alsof er niet zoveel aan de hand was, terwijl ondertussen in slow motion zich de ramp van zijn sterfelijkheid voltrok.’
Tussendoor strooit groot poëziekenner en -liefhebber Asscher rijkelijk met gedichten, van hemzelf of door hemzelf vertaald, die hem mede uit de ellende omhoogtrekken. Zoals Le cimetière marin van de Franse dichter Paul Valéry, oftewel Het kerkhof bij de zee, met het prachtige motto van de Griekse dichter Pindaros: ‘Jaag niet, mijn ziel, het onsterfelijke leven na, maar put het domein van het mogelijke uit.’
Op z’n best is Asscher in het laatste en langste hoofdstuk, waarin hij zijn eigen sterfelijkheid recht in het gelaat kijkt – en het natuurlijk tóch gaat over ziekenhuisverblijven et cetera, et cetera. Eén keer lijkt het einde werkelijk nabij. De behandelend artsen willen de familie al waarschuwen ‘dat het de komende nacht weleens niet goed met me zou kunnen aflopen’, maar het blijkt loos alarm. Logischerwijs maakt deze bijna-doodervaring zoveel indruk dat hij de datum waarop het gebeurde (15 februari 2025) diverse keren vermeldt.
Asschers wederwaardigheden leiden tot soms alleraardigste observaties. Bijvoorbeeld dat de dood niet zozeer lijkt op een eeuwige slaap als wel op een eeuwige narcose. Of dat de groeispurten uit het begin van een mensenleven in de laatste fase omgekeerd terugkomen, als ‘een soort vervalmomenten’. Sprongetjes – niet opwaarts maar neerwaarts.
De ‘mooiste houding’ tegenover de dood ziet er wat Asscher betreft uit als een combinatie van ‘elegantie en misprijzen’. Oftewel: ‘Op een sierlijke manier, niet in paniek of schrikachtig, maar doordacht en met een zekere zwier zorgen dat de beurt die het lot voor jou in petto heeft, behendig wordt ontweken, zodat je ongeschonden uit deze bijna-botsing tevoorschijn komt en nog een tijdlang meekunt.’
Het perfecte symbool daarvoor vindt hij in de ooievaar. Laatste strofe van het fraaie sonnet dat hij aan de vogel wijdt: ‘Ook ik oefen mijn onbezorgde gang:/ terwijl de dagen een voor een verstrijken,/ stap ik even opzij voor elke zeis.’
Maarten Asscher: Elke dag – Over de drie stadia van sterfelijkheid. De Bezige Bij; 177 pagina’s; € 23,99.
Source: Volkskrant