Opvallend veel gespleten personages, alternatieve levens, levensbepalende rolverdelingen, maskerade en ontmaskering op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs, die op 11 mei wordt uitgereikt. Maar welke schrijver verdient ’m?
is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
‘Voel je je alweer een beetje jezelf?’ Het werd me de afgelopen maanden vaak gevraagd. Je jezelf voelen: het ultieme eindstation van de kraamtijd.
Na een hoop gekkigheid – zwanger zijn, hormonale stemmingswisselingen, bevallen – weer gewoon, normaal. Jezelf. De vraag impliceert dat ‘jezelf’ is als die te krap geworden spijkerbroek: iets waar je je in kunt wurmen. De ironie is natuurlijk dat zodra je moeite moet doen jezelf te zijn, je het eigenlijk niet bent.
Toch, een mens van vlees en bloed kan soms even perfect samenvallen met zichzelf. Een doorsnee dinsdagavond, rond half negen. De kinderen slapen eindelijk, je bladert gedachteloos door de alweer oude weekendkrant, neemt een slok lauwe thee en gooit die krant zuchtend bij het oud papier, dán, bijvoorbeeld.
Die kleine genade is een doorsnee romanpersonage niet gegund (zie je Madame Bovary al met oud papier bezig?). Simpelweg ‘jezelf zijn’ is voor romanpersonages zelden vanzelfsprekend. Zij worden door hun schepper opgescheept met onuitroeibare egocentrische gedachtes en met een akelige ongerijmdheid tussen hun gevoelens en de uiting daarvan.
Immers: in de kloof tussen binnen- en buitenkant schuilt de literatuur.
In de hedendaagse roman gaat het minder om wie iemand is en des te meer over hoe iemand zou kunnen zijn. Doen alsof, jezelf spelen, iemand anders worden: het rollenspel des levens is ook de overkoepelende thematiek van de zes romans die dit jaar genomineerd zijn voor de Libris Literatuur Prijs – op 11 mei wordt die uitgereikt.
Opvallend veel gespleten personages, alternatieve levens, levensbepalende rolverdelingen, maskerade en ontmaskering. Van Griekse tragedie tot naargeestige klucht: de shortlist is ‘a stage, and all the men and women merely players’.
Als de dieren van Lieselot Mariën, Het gezoem van bijna alles van Coco Schrijber, Overgave op commando van Nadia de Vries, Nog lang geen winter van Peter Terrin, De Jaknikker van Peter Buwalda of Aan het einde van de oorlog van Bert Natter.
De auteurs rekenen af met dat malle ‘jezelf zijn’: tezamen schetsen zij het beeld van een wereld waarin iedereen zich moet schikken naar de rol die hen is toebedeeld.
Dat wordt meteen duidelijk in Als de dieren, de debuutroman van Lieselot Mariën, opgezet als een Griekse tragedie, compleet met dramatis personae (‘personen van het drama’). De rollen wisselen, maar altijd is er een ‘zij’ en een ‘ik’. Ze lijken dezelfde persoon, maar zijn gespleten.
De zij is de buitenkant, een betrokken moeder die zorgt voor haar huilbaby; de ik de binnenkant, een uitgeputte vrouw die zich niet kan vereenzelvigen met de moederrol.
Als de dieren is een reconstructie van een postnatale depressie, iets waar Mariën zelf ook doorheen ging. Waar ging het mis? Waarom? Zal ze ooit weer zichzelf worden? Mariën slaagt erin haar ademloze wanhoop te vangen in woorden. ‘Er is geen uitweg, er is alleen de constante belegering van mijn ruimte, de opsluiting in mijn eigen leven, terwijl ik geen idee heb hoe het waarachtig te bewonen.’
Als de dieren weet de lezer ‘ten diepste te raken’, schrijft de jury, en ja, hier heeft iemand héél persoonlijk over échte pijn geschreven. Dat maakt het geheel misschien iets te naar binnen gekeerd om te winnen – al schuilt in die intimiteit juist ook de kracht van de roman.
In Het gezoem van bijna alles van Coco Schrijber is juist kinderloosheid de bron van verdriet. Hoogleraar wijsbegeerte Cato Goudschenker heeft zich teruggetrokken op een berg om zich daar avond na avond te bezatten. Ze fantaseert over een alternatief leven, waarin ze wél moeder geworden is en over de mogelijke levens van haar vijf ongeboren kinderen.
‘Zelden heeft iemand zo lichtvoetig over de zwaarte van het leven geschreven’, meent de jury.
Vervang dat ‘lichtvoetig’ gerust door ‘aanstellerig’. Dit is nou is zo’n typische roman waar lezers – en blijkbaar ook de juryleden van de Libris – intrappen: een in feite saai boek volgepropt met zó veel inspirational quotes (‘Doen wat je hart je ingeeft’), pseudofilosofie (‘Waarom is er iets en niet niets?’) en quasipoëtische onzin (‘Het gezoem van bijna alles heeft iets in gang gezet wat onomkeerbaar is’) dat mensen als vanzelf gaan geloven dat het mooi en diep is.
Het is me werkelijk een raadsel wat deze roman op de shortlist te zoeken heeft, terwijl een uitstekend boek als De bandagist van Marente de Moor niet eens de longlist haalde. Los van de kitscherige, zelfingenomen, Happinez-achtige stijl waarin het geschreven is heeft Cato bar weinig echt interessante gedachten – zeker voor een hoogleraar wijsbegeerte. Als ze ten langen leste tóch van haar berg komt is dat voor een volstrekt egomane missie: het beklimmen van een ándere berg – plots begeesterd door het decadente idee dat je je leven op elk moment volledig kunt omgooien.
Probeer dat maar eens aan Schelvis uit te leggen. Het blauwharige hoofdpersonage uit Overgave op commando van Nadia de Vries probeert tegen de klippen op te ontsnappen aan het lot dat er op uit lijkt te zijn hem/haar/hen (Schelvis’ sekse blijft in het midden) pijn en vernedering toe te brengen.
Controle is een illusie, daarvan is Schelvis doordrongen. Het leven slokt je op, en kotst je weer uit.
Dat weerhoudt Schelvis er niet van toch van alles te proberen. Aspirant-moordenaar, dief, dakloze, uitgebuit seksmaatje, schoonmaker in een paardenslachterij – geen rol is de optimistische Schelvis te gek. Desalniettemin wordt er monter over verteld, in een komisch, plechtstatig taaltje. Het is hard, het is gruwelijk en het wordt lichtvoetig gebracht, zó dat het eigenlijk extra treurig wordt. ‘Mijn vrienden leerden me wat rancune was. En manipulatie. Tot mijn spijt ben ik een volgzaam dier dat gedijt bij heldere instructies.’ Het is allemaal vreemd op een goeie manier.
‘Het totaal kunstmatige universum van Schelvis, vol tegenstellingen, overdrijvingen en verwijzingen naar schelmen- en arbeidersromans, is een ongelooflijk intelligente satire’, schrijft de jury in haar rapport. ’t Gaat in al z’n vreemdheid niet winnen natuurlijk, maar Schelvis vergeten we nooit meer.
Wat ik wel was vergeten – vergeef me dit bruggetje – is de roman van Peter Terrin. Ik las én besprak dit boek vorig jaar, maar toen het op de shortlist verscheen moest ik het googelen, om tot mijn verbazing bij mijn eigen recensie uit te komen. Nog lang geen winter (ook niet bepaald een titel die blijft hangen, noem je boek dan gewoon Zomer) gaat over de fotograaf Simon die erachter komt dat hij al jaren in een parallel leven vastzit. En dan de kans krijgt om naar zijn ‘echte’ leven terug te keren.
De grote wat-als-vraag, daarop is deze roman gebouwd. Wat als je die geliefde níét had laten zitten, dat kind wél had gekregen, toch die afslag had genomen?
‘Op welk moment begon het leven dat ik nooit heb geleid?’, vraagt Simon zich af. ‘Existentiële vraagstelling’, noemt de jury dat, maar toch weet het voorspelbare verhaal niet echt te boeien.
Terrins gereserveerde stijl (‘nergens staat een woord te veel’) werkt dit keer in zijn nadeel, het onderkoelde hoofdpersonage beklijft niet en de ontknoping van het hele gebeuren is flauw. Al met al een weinig memorabele roman. ‘Er is een parallelle wereld denkbaar waarin Peter Terrin een interessanter boek geschreven had’, zo eindigde ik mijn recensie. O ja.
En laat dan nu de zwaargewichten de ring betreden. Bert Natter en Peter Buwalda, de twee grote kanshebbers, ieder met een knoert van een roman.
De eerste dreun is van Buwalda met De jaknikker, deel twee van een mogelijke trilogie; de lotgevallen van de legendarische sukkel Ludwig Smit en consorten worden vervolgd. Hoewel de personages er in dit boek allemaal hun eigen geheimpjes op na houden zijn ze, meer in dan in de andere boeken, wél zichzelf. Ze kunnen niet anders. Ludwig ís die neurotische zenuwlijer, vader Johan die opportunistische macho, stiefbroertje Dolf dat opgeblazen wonderkind.
De jury heeft gelijk als ze schrijft dat dit een verhaal ‘van maskerade en ontmaskering’ is; alter ego na alter ego wordt opgetrokken. Maar toch blijven de personages in essentie dezelfde.
Alleen: Buwalda trekt gewoon het hele decor achter ze weg, waardoor hun rol net anders uitkomt. En net als de lezer daaraan gewend is, doet-ie het nog een keer: in het boek zit een boek waarin een boek zit.
Wat mij betreft maakt Buwalda met dit droste-effect de boel nodeloos complex en daardoor ook een beetje saai, maar zoals te verwachten viel werd het door genoeg argeloze recensenten direct ‘virtuoos’ genoemd. Terwijl: het is een trucje, aardig uitgevoerd, dat wel, maar toch een truc, en niet eens een originele.
Wie dat geen bezwaar vindt (‘meestertruc’, jubelt de jury) heeft aan De jaknikker een heerlijk boek. Krankzinnig goede metaforen, lekkere anekdoten, elegante personagewisselingen, en vaak zo ontzettend ráák allemaal.
Maar de knock-out komt toch van Bert Natter. In Aan het einde van de oorlog zijn vrijwel alle personages (maar liefst 31) te verdelen over slechts twee rollen: bewaker of gevangene. De roman speelt zich af op 20 april 1945 in een concentratiekamp dat sterk op Ravensbrück lijkt. Hier werden duizenden gevangenen gemarteld, uitgehongerd en vermoord. Hoe dat precies ‘in z’n werk ging’, valt allemaal te lezen in de roman van Natter, die 24 gruwelijke uren in het kamp beschrijft zonder ook maar een minuutje over te slaan.
Alle personages, van de hoogste nazi tot aan de Joodse gevangene die in de gaskamer werkt, weten dat de rolverdeling in feite volstrekt willekeurig is; het had net zo goed omgekeerd kunnen zijn. Sterker nog, het verhaal speelt zich af op een moment dat de rollen elk moment daadwerkelijk omgedraaid zullen worden: aan het einde van de oorlog.
Bert Natter staat bekend als uitstekende schrijver, maar tot het grote publiek is hij nooit doorgedrongen. Als ooit, dan nu: Aan het einde van de oorlog lezen is een ervaring. Dat is te danken aan de bijzondere literaire structuur waarin de beschreven gebeurtenissen ongeveer net zoveel tijd in beslag nemen als het lezen ervan (24 uur dus) terwijl ook de vaart erin wordt gehouden doordat er razendsnel van het ene naar het andere personage wordt geschakeld – ‘tour de force’ schrijft de jury dan (terecht).
Natter gaat bovendien vol op het stijlorgel. In groteske scènes dient hij gruwelijkheden haast smeuïg op en worden de tedere momentjes schaamteloos sentimenteel uitgeserveerd. En het werkt. Wie begint met lezen, stopt niet meer – iets wat ook een beetje fout voelt: zitten we ons hier nou te verlustigen aan al die ellende? Dat de lezer zo de rol van medeplichtige krijgt maakt deze roman extra gelaagd.
Dus: Bert Natter moet winnen en zal winnen. Hij schreef het beste boek. Ook het ongezelligste boek, helaas. Maar ja, nu fascisme weer helemaal terug is en WO III in de lucht hangt kan Aan het einde van de oorlog worden gelezen als een actuele waarschuwing: mensen, pas op, want je weet niet welke rol jou wordt toebedeeld.
Peter Buwalda: De jaknikker. De Bezige Bij; 668 pagina’s; € 35.
Lieselot Mariën: Als de dieren. Das Mag; 308 pagina’s; € 23,99.
Bert Natter: Aan het einde van de oorlog. Thomas Rap; 640 pagina’s; € 29,99.
Coco Schrijber: Het gezoem van bijna alles. Querido; 320 pagina’s; € 23,99.
Peter Terrin: Nog lang geen winter. De Bezige Bij; 259 pagina’s; € 23,99.
Nadia de Vries: Overgave op commando. Pluim; 160 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant