Home

Hoe geld van een Nederlandse ontwikkelingsbank bij een Hondurees moordcommando terechtkwam

Ontwikkelingsbank FMO Tien jaar geleden werd in Honduras een prominente milieuactivist vermoord die protesteerde tegen de aanleg van een dam. Nu blijkt dat haar huurmoordenaars betaald zijn met Nederlands geld. „De FMO had moeten weten dat er sprake was van geweld en intimidatie.”

De kist met het lichaam van de vermoorde milieuactivist Berta Cáceres wordt in de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa weggedragen na de autopsie.

Het was een lange dag geweest in de bosachtige regio Santa Bárbara in Honduras. Milieuactivist Gustavo Castro zat met zijn prominente medeactivist Berta Cáceres bij haar thuis na te praten. „Ik zei tegen haar dat ze meer beveiliging nodig had. Protesteren tegen politici en machtige bedrijven was gevaarlijk”, zegt Castro. „Hermano, antwoordde ze, maak je geen zorgen.” Castro stond op en ging naar de logeerkamer. Om goed uit te rusten. De dag erna zouden ze gaan protesteren tegen de aanleg van een dam. 

„Ineens hoorde ik een dreun, de keukendeur was ingetrapt. Ik hoorde Berta vanuit haar slaapkamer roepen: ‘Wie is daar?’ Mijn kamerdeur vloog open en een man richtte van anderhalve meter afstand een pistool op mij. Ze schoten me neer en lieten me achter, ik denk dat ze dachten dat ik dood was”, zegt Castro. Hij was alleen in zijn oor geraakt. „Vanuit de kamer van Berta hoorde ik nog meer schoten komen. Even later riep Berta naar me: ‘Gustavo, Gustavo!’ Ik rende naar haar toe, maar het was te laat. Ze overleed in mijn armen.”

Berta Cáceres werd op 3 maart 2016 vermoord door een Hondurees huurcommando, dat werd betaald, zo blijkt uit nieuw onderzoek, met geld afkomstig van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO. Hoe raakte die bank betrokken in deze Hondurese zaak?

De milieuactivist verzette zich met de inheemse rechtenorganisatie Copinh tegen de aanleg van de Agua Zarca-dam in de regio Río Blanco in Honduras. Dit project werd in 2009 geïnitieerd door het Hondurese bedrijf DESA, in hetzelfde jaar opgericht door de steenrijke en invloedrijke familie Atala Zablah. Volgens inheemse Lenca-gemeenschappen in het gebied, waartoe ook Cáceres behoorde, zou het damproject hun leefomgeving en de rivier dermate vervuilen dat ze er niet langer zouden kunnen wonen.

Demonstraties tegen het project werden regelmatig hardhandig beëindigd door de Hondurese autoriteiten. In 2013 werd activist Tomás García doodgeschoten tijdens een protest vlakbij het logistieke hoofdkwartier van DESA, door een militair die daar gestationeerd was. Onder meer het Chinese bouwbedrijf Sinohydro trok zich na dit geweld terug uit het project.

Een partij die zich niet terugtrok, was de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), die actief is in zeker 85 landen. Met investeringen in de particuliere sector, bijvoorbeeld middels leningen aan projecten in ontwikkelingslanden, wil de FMO „duurzame en inclusieve welvaart” bevorderen. De Nederlandse staat heeft 51 procent van de bank in handen, ook banken als ABN Amro, Rabobank en ING hebben aandelen.

De ontwikkelingsbank had zich in 2014 verbonden aan het Agua Zarca-damproject. Samen met de Finse ontwikkelingsfinancier Finnfund zou de FMO een lening van 20 miljoen dollar verstrekken, te betalen in tranches aan aannemers en bedrijven die in opdracht van DESA de dam zouden gaan bouwen.

Rode vlaggen gemist

Alleen, zo was al bekend, kwamen de geldbedragen die de FMO overmaakte voor het project lang niet altijd aan bij de bouwbedrijven. De bank had bovendien bepaalde rode vlaggen gemist rond de intimidatie van de Lenca-gemeenschappen en activisten, die al ver voor de aanleg van de dam gaande was. Daarover werden in 2021 al Kamervragen gesteld, vanwege het meerderheidsbelang van de staat bij de FMO. Toenmalig minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Tom de Bruijn (D66) kon echter veel vragen niet beantwoorden vanwege een lopende civiele procedure tussen de FMO en nabestaanden van Cáceres. Hij schreef ook dat niet was vastgesteld dat de FMO „fouten heeft gemaakt in de monitoring van geldstromen”.

Nu blijkt uit nieuw onderzoek dat geld van de FMO werd doorgesluisd naar onder meer naamloze vennootschappen in belastingparadijzen. De betalingen werden daarnaast gebruikt voor intimidatie- en smeercampagnes, en uiteindelijk zelfs om de moordenaars van Cáceres mee te betalen.

Dat ontdekte een commissie van drie onafhankelijke onderzoekers, die na een overeenkomst tussen de Hondurese staat, de nabestaanden van Cáceres en de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IACHR) een jaar lang onderzoek deed naar de transacties en machtsstructuren achter de moord op Berta Cáceres. De onderzoekscommissie maakte gebruik van informatie van het Hondurese OM, politieonderzoeken, analyses van telefoonregisters, contracten en bankgegevens, en hield daarnaast interviews met getuigen, slachtoffers en veroordeelden. De FMO weigerde mee te werken aan het onderzoek.

In het bijna 600 pagina’s tellende rapport dat half januari verscheen, wordt het hele geldspoor blootgelegd: van de geldbedragen die vanuit Nederland werden overgemaakt tot de precieze bedragen die de ingehuurde moordenaars kregen. Met Nederlands geld werd hun hotel geregeld waarin zij verbleven ten tijde van de moord, met Nederlands geld kregen zij twee dagen na de moord ook voor de opdracht zelf betaald.

Na de moord op Cáceres in maart 2016 schortte de bank haar activiteiten in Honduras op. Vijftien maanden later, in juli 2017, trok de FMO zich volledig terug uit het project.

Honderden mensen bezoeken de begrafenis van activist Berta Cáceres in La Esperanza.

Van het ene bedrijf naar het andere

Vanaf het begin zorgde DESA, de initiatiefnemer van de dam en partner van de FMO in het project, er volgens de onderzoekers voor dat geld van het ene bedrijf naar het andere bedrijf werd doorgesluisd. Dat gebeurde meermaals op dezelfde manier: een aannemersbedrijf uit Guatemala, Copreca, leende zijn naam voor facturen die naar de FMO gingen voor de aanleg van de dam. De bankrekening waar de FMO dat geld naar overmaakte, hoorde echter niet bij Copreca, maar was van een offshorebedrijf gelieerd aan aandeelhouders van DESA. Dat ontdekte de Argentijn Pedro Biscay, expert op het gebied van witte boorden-criminaliteit, die als commissielid de transacties onderzocht.

Een bank van deze statuur had betere anti-witwasmechanismen moeten hebben, zegt hij. „Het gaat hier om miljoenenbedragen. Op z’n minst moet je toch checken of het rekeningnummer waar je geld naar overmaakt, ook inderdaad toebehoort aan het bedrijf dat op de factuur staat?” De onderzoeker zegt dat op deze manier 67 procent van de 19 miljoen dollar die onder meer de FMO uitkeerde, werd doorgesluisd en later ingezet voor illegale activiteiten.

„De bank had dit op zijn minst moeten controleren, door de daadwerkelijke voortgang van het werk te verifiëren en de documentatie van de bedrijven grondig te beoordelen”, zegt hij. „Op geen enkel moment werd gecontroleerd of de fondsen daadwerkelijk bestemd waren voor ontwikkelingsdoeleinden.”

Uit het onderzoeksrapport blijkt hoe groot de rol van de topman en financieel topman van DESA was bij de witwaspraktijken en bij de opdracht voor de moord op Berta Cáceres. Beiden zijn daar door de Hondurese autoriteiten al aan gelinkt: topman David Castillo is in 2022 veroordeeld tot 22 jaar gevangenisstraf voor zijn rol in de moord op de activiste, tegen de financieel topman Daniel Atala is in 2023 een arrestatiebevel uitgevaardigd, maar hij is nog altijd voortvluchtig.

De onderzoekers ontdekten dat facturen voor miljoenen dollars die in 2015 en 2016 naar de FMO werden gestuurd, door DESA-topman Castillo ondertekend waren als ‘bouwaanvragen’. Het was bovendien Castillo, oud-commandant van het Hondurese leger, die eind 2015 in contact stond met een commando huurmoordenaars, met daarin voormalige leden van de speciale eenheden van het Hondurese leger. Dat blijkt uit WhatsApp-berichten, die werden vrijgegeven door het Openbaar Ministerie in Honduras. Enkele dagen voor de moord schreef hij dat de betaling daarvoor er aankwam.

De onderzoekers legden bloot dat het geld voor de moordopdracht afkomstig is uit Nederland. In december 2015 werd een bedrag van 2,6 miljoen dollar dat de FMO had overgemaakt naar het Guatemalteekse bouwbedrijf dat op de factuur stond, doorgesluisd naar het fantoombedrijf Pemsa. In opdracht van Atala werd dat geld vervolgens gestort op rekeningen van DESA. Twee dagen na de moord op Cáceres, is volgens de onderzoekers ongeveer 20.000 dollar van deze rekeningen opgenomen en betaald aan het moordcommando.

Na de veroordeling van Castillo schreef de FMO in een verklaring: „Het vonnis betekent dat we een bedrijf hebben gefinancierd waarvan de CEO nu schuldig is bevonden aan betrokkenheid bij moord. We zijn hierdoor diepbedroefd.”

Twee rechtszaken tegen de FMO

In de jaren erop spannen de kinderen van de vermoorde activist en leden van de Lenca-gemeenschap twee zaken aan tegen de FMO. Een civiele zaak is momenteel gepauzeerd, in afwachting van onderhandelingen over een mogelijke schadevergoeding. Advocaten zijn namens de familie daarnaast in Nederland een zogeheten artikel-12-procedure begonnen om het OM te dwingen de bank strafrechtelijk te vervolgen.

De FMO wil over de gebeurtenissen in Honduras in het verleden beperkt schriftelijk reageren en in een gesprek met NRC alleen vooruitblikken. Volgens de bank is de kredietovereenkomst uit 2014 met DESA niet zomaar tot stand gekomen. „We hebben destijds de toen geldende internationale standaarden voor ontwikkelingsfinanciering gevolgd. Vooraf hebben we de gangbare due diligence-onderzoeken verricht en laten verrichten. Daaronder vallen ook de partijen die bij een project betrokken zijn en de omstandigheden in het land waar een project wordt gerealiseerd”, schrijft de bank.

De FMO zegt dat ze zelf wel oog heeft gehad voor de zorgen van de omliggende inheemse gemeenschappen. „In die tijd is het project verder stroomopwaarts en naar de andere kant van de rivier verplaatst na zorgen van lokale gemeenschappen. Ook is toen het ontwerp aangepast. In verband met de civiele procedure en de aangifte tegen FMO kunnen we niet ingaan op de wijze waarop onze financiering is gebruikt dan wel mogelijk is misbruikt.”

De gebrekkige controle van geldtransacties door de FMO is niet de enige fout die de ontwikkelingsbank maakte rond het Agua Zarca-damproject, zegt Roxanna Altholtz, hoogleraar mensenrechten aan de University of California in Berkeley en lid van de onderzoekscommissie. „Al ver voor de moord op Cáceres had de FMO moeten weten dat er sprake was van geweld en intimidatie tegen de Lenca-gemeenschap in dit gebied”, zegt Altholtz en wijst erop dat voordat de FMO in het project stapte al bekend was dat er slachtoffers waren gevallen bij protesten. „Ze besluiten een kredietovereenkomst te tekenen met een bedrijf dat nog nooit een dam had gebouwd, te midden van onmiskenbare tegenstand en voor een project dat conflicten en geweld veroorzaakte.”

Ook de reactie van de FMO na de moord op Cáceres noemt ze onvoldoende. „Ze sturen een team, dat concludeert dat de rechten van inheemse mensen zijn geschonden. Maar er is geen enkele poging gedaan om de gemeenschappen die door het project zijn getroffen te compenseren. Het geld dat als lening in het project was gestopt, is kwijtgescholden. Geld dat eigenlijk voor ontwikkeling bedoeld was, is gebruikt om Berta Cáceres te vermoorden. Dat is een zeer pijnlijke waarheid om aan de wereld te moeten vertellen.”

FMO weigerde documenten te delen

De onderzoekscommissie kwam in het najaar van 2025 naar Nederland om hun bevindingen te delen met autoriteiten en in de hoop meer duidelijkheid te krijgen. Ze spraken met afgevaardigden van het OM, het ministerie van Buitenlandse Zaken, de FIOD en de FMO. Volgens de onderzoekers werden ze overal goed ontvangen, werd er geluisterd, maar werd geen informatie gedeeld. De FMO deed dat niet, volgens een verklaring, omdat de commissie mogelijk „bevooroordeeld” was en met „vooropgezette conclusies” naar Nederland was gekomen. Woo-verzoeken werden bij de FMO afgewezen: als NV is de bank geen publieke instelling en valt het niet onder deze transparantiewet.

In een gesprek met NRC zegt Michael Jongeneel, topman van de FMO sinds 2021, dat de bank weigerde documenten vrij te geven aan de onderzoekscommissie, omdat de mogelijkheid niet werd gegeven het rapport in te zien voor publicatie. „Het feit dat ons niet gevraagd is of we de conclusies die erin staan kunnen onderschrijven, geeft voor ons aan dat er sprake kan zijn van vooringenomen conclusies”, aldus Jongeneel. „Wat ik wel kan aangeven is dat wij op punten het zeker niet eens zijn met wat er in het rapport staat, maar die dialoog is niet op gang gekomen.”

Jongeneel zegt, net zoals in de schriftelijke antwoorden van de bank, dat hij inhoudelijk weinig informatie kan geven vanwege de lopende juridische procedures. Hij benadrukt wel dat er veel veranderd is na de moord op Cáceres op het gebied van Environmental, Social and Governance, gebruikt door banken en investeerders om onder meer de duurzaamheid, risico’s en impact van een project te meten. „Daar gaan we nu veel dieper dan we tien, twintig jaar geleden deden. Al is het niet zo dat we destijds niet de gebruikelijke standaarden volgden”, zegt Jongeneel, die benadrukt dat de bank nu betere risicoprofielen van klanten opstelt. „Voor ons is dit nu één van de drie grootste afdelingen. Er zijn enorme slagen gemaakt om ervoor te zorgen dat we de Wet Financieel Toezicht en alle antimoneylaundering-regels naleven.”

In de zomer van 2021 zou De Nederlandsche Bank de FMO al hebben gewaarschuwd, wegens onvoldoende zicht op witwas-en terrorismerisico’s bij verstrekte leningen en investeringen, meldde Het Financieel Dagblad in december van dat jaar. De ontwikkelingsbank bevroor in die periode zes weken lang alle commerciële activiteiten om orde op zaken te krijgen. Twee jaar later werd de FMO bestraft door DNB, omdat er fouten zouden zijn gemaakt bij het tegengaan van witwassen. Zo zou de bank „te laat melding hebben gemaakt van opmerkelijke transacties”.

Jongeneel wijst op de uitdagingen van investeren in risicolanden. „Ik ben niet naïef. Wat wij doen is heel moeilijk, maar we proberen dat zo goed mogelijk te doen om dit soort zaken nooit meer te laten gebeuren.”

Berta Zúmiga, de dochter van de vermoorde milieuactivist Berta Cáceres kwam meermaals naar Nederland voor protesten tegen de FMO.

Een maand na de moord op Berta Cáceres, gaat haar dochter Berta Zúniga voor het eerst naar Nederland. Naar eigen zeggen om de FMO ter verantwoording te roepen voor de rol in de moord op haar moeder, aangezien zij al veel langer op de hoogte zou zijn geweest van geweld in de gemeenschap. Haar strijd zet ze nog altijd voort. „Het is nu tien jaar geleden dat mijn moeder werd vermoord”, zegt Zúniga. „Wij moesten niet alleen haar dood verwerken, maar een heel systeem van straffeloosheid bestrijden. Wij, de slachtoffers, zouden niet zoveel moeite hoeven te doen om de betrokkenen ter verantwoording te roepen.”

Eindredactie: Jisca Cohen en Anne van der SchootBegeleiding: Herman Staal

Mensenrechten

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next