Martha Zoetelief-Witte is 100 jaar. De op Texel geboren en getogen boerin is de nuchterheid zelve.
Martha Zoetelief-Witte neemt het zichzelf nog elke dag kwalijk dat ze op een ochtend in oktober vorig jaar vanuit de keuken haar tuin in liep met een vol koffiefilterzakje in haar hand. ‘Ik wilde het in de vullesbak gooien. Had ik dat nou maar níét gedaan, want dan woonde ik nu niet in een gevangenis.’
Ze gleed uit en kon niet meer opstaan. Na een kwartier hoorden de buren haar hulpgeroep. Het was niet de eerste keer dat ze was gevallen, maar ditmaal vonden haar kinderen dat ze niet langer zelfstandig kon blijven wonen.
De 100-jarige vertelt niet in de ‘gevangenis’ over het voorval, maar in haar eigen woning, een paar straten verderop in Den Burg op Texel, die sinds haar verhuizing naar een verpleeghuis intact is gebleven. Zoon John – de enige van haar kinderen die op Texel woont – heeft zijn moeder ernaartoe gereden. Voor hij haar weer terugbrengt, trekt ze alle lades in de huiskamer, keuken en slaapkamer open om er nog even in rond te snuffelen. Terug in het verpleeghuis, begint de oudste inwoner van het Waddeneiland spontaan raadsels uit haar jeugd te declameren:
Itje witje zat op het hekje
Itje witje brak haar nekje
Daar is geen timmerman
die Itje Witje maken kan
‘Rara wat is dat?’ Terwijl haar bezoek haar glazig aankijkt, verklapt ze: ‘Een ei!’
U woont uw hele leven op Texel, hoe heeft u het eiland zien veranderen?
‘Er zijn natuurlijk veel nieuwe huizen bijgebouwd, daarvoor zijn heel wat bomen gekapt. En het is veel drukker geworden, die toeristen rijden veel te hard, je moet erg uitkijken op de weg.’
U heeft slechte ervaringen met het verkeer op het eiland, begreep ik.
‘Mijn vader is op zijn 65ste aangereden door een bietenwagen. Hij stond met zijn brommertje te wachten om over te steken. Terwijl de wagen voorbijreed, verschoof de bak met bieten en raakte het hoofd van mijn vader. Hij was op slag dood. Het is hier vlakbij gebeurd, aan het einde van de straat.
‘Mijn jongste dochter Carla is op haar 17de verongelukt op ons eiland. Het was op een zondagochtend dat ze een stukje wilde fietsen met haar jongere broer van 13. Ik zei nog: ‘Doe het maar niet.’ Ik weet niet hoe het komt, maar ik voel onheil altijd aankomen. Ze gingen toch. Bij de Nieuwlanderweg tussen De Waal en De Koog stak mijn zoon Nic als eerste over, Carla wachtte nog even en ging daarna – waarop ze werd aangereden door een auto. Het gebeurde om 11 uur. Om 16 uur stierf ze in het ziekenhuis in Den Helder. We hebben haar niet meer kunnen zien. Verschrikkelijk.’
U heeft nog twee dochters verloren. Hoe gaat u om met dit verlies?
‘Je krijgt kracht naar kruis. Ik ben gelovig en bid de rozenkrans, dat helpt. Ik bid ook voor mijn vier kinderen die er nog zijn, en de klein- en achterkleinkinderen. Ik denk elke dag aan mijn dochters die ik heb verloren. Tiny en Ans zijn aan kanker overleden. Tiny wist alles, ze kende alle namen van onze koeien. Ans werkte bij Ecomare (het informatiecentrum voor de Wadden en de Noordzee, red.). Ze werd geboren met een zwak hart. Als baby moest ze daarvoor naar het ziekenhuis in Den Helder. Ik kon niet voortdurend bij haar blijven, want het werk op onze boerderij ging door.’
Zijn uw ouders en voorouders ook op Texel geboren?
‘Mijn vader en zijn familie wel, mijn moeder niet – zij komt uit Laren. Mijn ouders ontmoetten elkaar toen mijn vader op bezoek ging bij zijn broer, die als bakkersknecht in Laren werkte. In die tijd was daar nog veel armoede. Na hun huwelijk is mijn moeder naar Texel verhuisd. Ze heeft altijd veel heimwee gehad naar Het Gooi, ze miste haar familie en de jaarlijkse Sint Jansprocessie. Als gezin gingen we een paar keer per jaar bij haar ouders op bezoek, dan waren we wel vijf uur onderweg, met de boot, de trein en de tram.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugdjaren?
‘Mijn ouders waren goed voor ons, mijn moeder was een lief mens. Ik ben geboren op boerderij De Bonte Koe aan het Gerritslanderdijkje nummer 13. Mijn moeder had kleine kastanjebomen meegenomen uit Laren, maar die had ze veel te dicht bij elkaar gezet, bleek toen ze groot werden. We waren met acht kinderen, één broertje stierf met acht maanden, ik weet niet wat hij mankeerde. Mijn moeder was toen net op familiebezoek in Laren.
‘We hadden een paard, koeien en schapen. Na de lagere school ging ik op de boerderij werken. Ik was sterk en kon veel aan. Ik kon karnen en boter maken, van koeien- en schapenmelk door elkaar – dat geeft een heel lekkere smaak.
‘Ons toilet was een houten hokje buiten met een plank met een gat waar een emmer onder stond. Als die vol was, leegden we hem om de beurt onder de perenboom – we hadden zúlke grote peren.’ (Ze gebaart joekels van exemplaren).
‘We hadden een vreemde buurman, hij was vaak dronken. Hij had een inwonende huishoudster van de vaste wal die hij niet betaalde, omdat ze dan middelen zou hebben om te vertrekken. Op een dag kwam ze naar mijn moeder en zei: ‘Ik wil weg, heeft u geld voor een kaartje voor de bus en de boot?’ Met het geld van mijn moeder is ze ontsnapt, het eiland af. Zodra de buurman dit ontdekte, riep hij: ‘Is dat mokkel weer verdwenen?’
Heeft u het jammer gevonden dat u niet kon doorleren na de lagere school?
‘Op de boerderij leer je ook veel. Ik kon niet alleen karnen en boter maken, maar ook brood bakken, dieren verzorgen, sokken breien. Dat heb ik later voor mijn gezin ook allemaal gedaan.’
Binnenkort begint op de televisie de serie Daten in het dorp, waarin vijf jongens van Texel een partner zoeken, wat vindt u daarvan?
‘Ze kunnen ook gewoon uitgaan.’
Was het voor u moeilijk om in zo’n kleine gemeenschap de ware te vinden?
‘Nico was mijn buurjongen, van 400 meter verderop. Van jongs af aan kwamen we bij elkaar over de vloer. Mijn vader hield van stukjes opvoeren, ik ook, die gingen we voordragen bij de familie Zoetelief. Ik zong graag het liedje over tante Treesje. (Ze begint te declameren:)
Ik heb zeven kippen en een haan,
en een tamme pelikaan,
een hondje, een katje en een bokkie
en een lieve koekeroe
en een bonte kaketoe
en een konijntje in een pas geverfd hokkie
en een vinkje en een kraai
en een schele papegaai
‘Vóór Nico had ik al een paar keer verkering gehad. Soms mocht het niet, dan zei mijn moeder: ‘Dat kan niet, want hij is familie.’ Er waren ook jongens die een advertentie zetten in een krant in Amsterdam voor een huishoudelijke hulp. Daar kwam weleens een huwelijk van.’ (Ze begint weer voor te dragen:)
Jan zag een meisje naar zijn zin
Maar slaagde er nog steeds niet in
Toen las men weldra in de krant
Gezocht: een meisje van goede stand
Zij hoeft niet knap te zijn of slank
maar ook niet mager als een plank
Als zij maar lekker koken kan
Dan word ik graag haar man
‘Ik was in de 20 toen onze buurvrouw mevrouw Zoetelief bij mijn ouders langskwam en vertelde dat ze een hulp in de huishouding zocht. Mijn moeder zei: ‘Ga jij er maar heen, Martha.’ ‘Nee, dat wil ik niet, met al die kerels’, reageerde ik. Ze hadden zeven zoons en drie dochters, van wie er een mank liep. Maar ik ben toch gegaan, en blijven hangen.
‘De jongens hadden vaak ruzie. Op een dag had mevrouw Zoetelief een kledingrek met was naast de kachel gezet, om te drogen. Ze was buiten met de schapen bezig, toen de kleding in brand vloog. Nico rende naar buiten om zijn moeder te waarschuwen. ‘Snotneus, wat doe je hier?’, riep ze. ‘Er is brand!’, riep hij. Met natte lappen is de brand geblust.
‘Nico was acht jaar ouder en werd verliefd op mij. Ik wou eerst niet. We gingen een paar keer uit dansen en toen is het er toch van gekomen. In 1955 zijn we getrouwd, ik was 30, Nico 38. We gingen wonen in een zomerhuisje op het erf van hun boerderij Hoeve Vredelust, dat zijn vader in 1928 als boerenknecht had gekocht.’
Hoe heeft u het toerisme op het eiland zien opkomen?
‘Mijn schoonouders waren al begonnen met het verhuren van hun schuur. Toen Nico, zijn broer en ik de boerderij overnamen, kwamen er steeds meer toeristen langs, vooral uit Amsterdam. Ze vroegen of ze hun tent bij ons konden opzetten, of in de schuur konden overnachten. In de zomer gingen onze kinderen op zolder slapen, zodat we hun slaapkamers ook konden verhuren.
‘Een keer vroeg een stel of ze in het kippenhok konden overnachten. Ik zei: ‘Ga maar naar het strand, dan haal ik intussen de kippen eruit en maak ik de boel schoon.’ De volgende ochtend zaten ze onder de kippenluis.
‘De vakantiegangers liepen overal rond op ons erf. Sommigen voelden zich wel erg thuis. Op een gegeven moment zag ik dat een jongen mijn baby uit de kinderwagen haalde, ik ging er snel op af en zei dat hij dat nooit meer mocht doen.’
Wat was, terugkijkend op de afgelopen 100 jaar, uw mooiste tijd?
‘Ik denk thuis, toen mijn moeder er nog was en we samen sokken breiden. Ik kon lekker mijn gang gaan, had veel vrijheid. Toen nog wel.’
geboren: 28 december 1925 op Texel
woont: in een verpleeghuis op Texel
familie: 7 kinderen (3 overleden), 7 kleinkinderen, 2 achterkleinkinderen
beroep: boerin
weduwe sinds 2015
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant