Een tienerjongen die vindt dat vrouwen in een relatie altijd beschikbaar moeten zijn voor seks. Leerlingen die zelfbenoemd vrouwenhater Andrew Tate ‘een groot denker’ noemen: veel leraren maken zich zorgen om de invloed van de manosfeer, blijkt uit onderzoek.
Kaya Bouma en Simoon Hermus werken op de wetenschapsredactie van de Volkskrant.
Het waren altijd de leukste lessen van het jaar: de weken dat hij met zijn vijfde klas het thema vrouwengeschiedenis besprak. Dat onderwerp maakt ‘veel los’, zegt docent Simon Boeke die les geeft op een Amsterdams gymnasium. Er ontstaan levendige discussies en leerlingen willen spontaan presentaties geven. ‘Want dit gaat over wat geschiedenis eigenlijk is en wie daarin een stem krijgt.’
Maar de laatste jaren loopt het anders. Steeds minder leerlingen willen een presentatie geven, discussies blijven uit. ‘Als ik leerlingen vraag wat vind je hier nou van, is het: tja, ik weet niet.’ Die ene keer dat een leerling wel iets kwetsbaars durft te zeggen, beginnen jongens achterin te smiespelen en te grinniken. ‘Dat is dodelijk.’
Zijn leerlingen blijven stil uit angst, vermoedt de docent. Ze zijn bang voor dat groepje jongens achter in de klas, die zich ‘dusdanig macho gedragen, dat iedereen zichzelf gaat censureren’. Leerlingen die bekendstaan als fan van Andrew Tate. Of ze daadwerkelijk in de ban zijn van de van verkrachting en mensenhandel verdachte Britse influencer, weet de docent niet.
‘Dat maakt het zo ingewikkeld: deze leerlingen brengen een angstcultuur met zich mee, maar de heftigste dingen spelen zich buiten mijn gezichtsveld af.’ Hij zal deze jongens bijvoorbeeld niet snel horen zeggen dat ze vrouwengeschiedenis onzin vinden, zegt Boeke. ‘Ze zeggen wel dat geschiedenis vaak over mannen gaat: blijkbaar zijn dát toch natuurlijke leiders.’
In Nederlandse klaslokalen klinken de laatste jaren steeds vaker oerconservatieve, misogyne geluiden. Van leerlingen die zelfverklaard vrouwenhater Tate een ‘groot denker’ noemen, tot een jongen die zegt dat vrouwen in een relatie altijd beschikbaar moeten zijn voor seks.
Dat valt op te maken uit een vragenlijstonderzoek van Ipsos I&O, uitgevoerd in opdracht van Stichting School en Veiligheid, dat vandaag verschijnt. Bijna vijfhonderd leraren, leerlingenbegeleiders en andere onderwijsmedewerkers vulden de enquête in. Zij zijn werkzaam in groep 7 of 8 van het basisonderwijs, op een middelbare school of in het mbo.
Uit het onderzoek komt een beeld naar voren dat aansluit bij Boekes observatie: vaak gaat het om een enkele leerling of een klein groepje dat heftige uitspraken doet. Maar volgens bijna de helft van de docenten zijn dit wel de leerlingen met een behoorlijke sociale status, die de sfeer in de klas bepalen.
Met de enquête hoopt School en Veiligheid zicht te krijgen op de invloed van de manosfeer – een verzamelnaam voor online-influencers die mannen voorspiegelen dat ze pas meetellen als ze rijk en gespierd zijn, met een mooie, onderdanige vrouw aan hun zijde. Dat werd in Nederland nog niet eerder onderzocht. Onderzoeken in Australië en het Verenigd Koninkrijk lieten al wel zien hoe de manosfeer het klaslokaal is binnengedrongen.
‘Van docenten krijgen we al langer signalen dat ze worstelen met leerlingen die heftige, vrouwonvriendelijke uitspraken doen’, zegt Martje Heerkens, beleidsmedewerker van School en Veiligheid. ‘We wilden weten of dit breder speelt.’
Het onderzoek is niet representatief, maar het geeft dankzij een brede spreiding naar sector, functie en regio wel een goede indicatie van de zorgen die bij onderwijsmedewerkers leven, zegt Nikki Dekker, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar polarisatie onder jongeren en niet betrokken is bij de enquête.
Op middelbare scholen zijn die zorgen het grootst, valt af te leiden uit het onderzoek: 75 procent van de ondervraagde medewerkers maakt zich weleens zorgen. In de meeste gevallen gaat het om ‘lichte of matige’ zorgen – 11 procent maakt zich ernstige zorgen. Op het mbo maakt 59 procent van de ondervraagde medewerkers zich zorgen en in het basisonderwijs geldt dat voor 46 procent.
De uitwassen van de manosfeer zijn lastig in kaart te brengen. Tieners kijken niet alleen naar video’s van extreme, Andrew Tate-achtige figuren die centraal stonden in de onlangs verschenen Netflix-documentaire Inside the Manosphere van Louis Theroux. Het gedachtegoed verspreidt zich vaak subtieler, via memes, of door slim in te haken op interesses van de kijker – games, films, sport.
De meeste leerlingen van Marcel Jans zijn te jong om het gedachtegoed van de manosfeer te begrijpen. Maar als leraar op verschillende basisscholen in Groningen ziet Jans wel hoe bij sommige kinderen een voedingsbodem wordt gelegd waar extreem gedachtegoed makkelijk wortel schiet.
Neem het drukke jongetje met de grote mond van wie leerkrachten direct aanvoelen dat hij voor problemen gaat zorgen. Niet alleen omdat hij dingen roept zonder echt te begrijpen hoe hij anderen daarmee kwetst, maar ook omdat andere jongens meegaan met zijn gedrag uit angst om zelf mikpunt te worden.
Zo kreeg een leerling op Jans’ school ooit ruzie met een klasgenoot die zich niet echt jongen voelde. ‘Daar had die 9-jarige een video over gemaakt, van ‘fok hem’, en op YouTube gezet.’ De school greep direct in, voerde gesprekken met ouders en leraren.
Hoewel begrenzen belangrijk is, kan een gebrek aan positieve interacties met docenten ertoe leiden dat een kind zich op school vooral afgewezen voelt. ‘Jongeren die minder autonomie en erkenning ervaren, zijn vatbaarder voor de denkbeelden van de manosfeer’, zegt jeugdonderzoeker Dekker.
Eenmaal op de middelbare school lijken Andrew Tate en andere mannelijkheids-influencers vooral populair bij jongens die ‘toch al wat meer macho zijn’, zegt maatschappijleer-docent Gijs Korenblik, die les geeft op een school in de Achterhoek. Het zijn leerlingen die opgroeien in een masculiene cultuur, vermoedt hij. ‘Het soort gezin waar de rolverdeling traditioneel is en de man dominant.’
Het wereldbeeld dat leerlingen thuis en in hun omgeving meekrijgen, speelt een belangrijke rol in hoe gevoelig ze zijn voor de denkbeelden van de manosfeer, zegt ook socioloog Quita Muis van de Universiteit van Tilburg. ‘Jongeren zijn geen onbeschreven blad, ze nemen niet alles klakkeloos over. De jongeren die worden aangetrokken door de manosfeer staan er al meer voor open.’
Er is nog iets aan de hand. Jongeren worden de laatste jaren conservatiever. Gold de jongste generatie decennialang als de progressiefste, inmiddels komen de meningen van de jongste generatie over thema’s als abortus en homoseksualiteit het meest overeen met die van 95-plussers. Dat blijkt uit de European Values Study, dat sinds 1981 de opvattingen van Europeanen meet, waaraan Muis meewerkte.
Hoe dat komt is niet zeker, zegt de onderzoeker. Wel wijst onderzoek uit dat mensen die in een stabiele en veilige situatie opgroeien, vaak progressiever zijn. ‘Ze zijn minder gericht op overleven.’ Lang groeiden Nederlandse jongeren op in de wetenschap dat zij het vermoedelijk beter zouden gaan krijgen dan hun ouders. Voor tieners van nu geldt dat in mindere mate, zegt Muis. Zij vragen zich af of ze nog een huis kunnen kopen, of één salaris nog genoeg is om een gezin te onderhouden.
Ook in voorgaande generaties ontsnapte geen puber aan de bij vlagen krankzinnigmakende onzekerheid die gepaard gaat met het ontwikkelen van een identiteit. Maar nu de verwachtingen van de buitenwereld veranderen, onder meer op het gebied van genderrollen en daten, is dat proces voor sommige jongeren nog ingewikkelder, ziet jongerenonderzoeker Dekker. ‘De manosfeer biedt schijnbaar pasklare antwoorden op de vraag hoe je later financieel succesvol wordt, hoe mannen en vrouwen zich horen te gedragen, hoe je een relatie krijgt.’
Vijf jaar geleden waren haar leerlingen ruimdenkender, zegt docent Madelijne Koenders. Al zeventien jaar geeft ze het vak maatschappijleer, de laatste jaren op een school in het Gelderse Velp. ‘Toen had ik nog geregeld kinderen in de klas die een andere aanspreekvorm wilden. Een leerling die bij ons bekendstond als meisje werd een jongen of andersom. Dat zie ik nu niet meer.’
Wel hoort ze jongens nu vaker zeggen dat ze rijk willen worden, dat ze een vrouw willen die thuisblijft – opvattingen die voorheen impopulair waren. ‘Sommige meiden gaan daarin mee, zeggen dat ze later een rijke man zoeken die voor ze kan zorgen’, zegt Koenders. ‘Maar de meeste meiden zijn progressiever dan de jongens.’
Dekker ziet dit ook terug in het onderzoek dat ze uitvoert naar de opvattingen van scholieren, onder meer over lhbti’ers. Volgens de gezondheidsmonitor van de GGD Amsterdam neemt de acceptatie voor deze groep onder middelbare scholieren af. ‘Tienerjongens denken conservatiever over onderwerpen als genderidentiteit en lhbti’ers dan meiden’, zegt Dekker.
Die tweedeling levert soms strijd op in het klaslokaal, blijkt uit de enquête van School en Veiligheid. Een docent vertelt daarin dat een deel van de meiden de discussie aangaat, ‘meestal zijn ze verbaal sterker’.
Maar de helft van de ondervraagde onderwijsmedewerkers op middelbare scholen ziet óók dat meiden zich soms of regelmatig oncomfortabel of onveilig voelen door uitspraken van jongens. Ze worden stiller, trekken zich terug. Een leraar schrijft dat de sfeer soms grimmig wordt. Een andere heeft de indruk dat meiden zich ‘steeds meer terug laten duwen in het onderdanige man-vrouwpatroon’.
Ook jongens gaan gebukt onder ‘dat hele masculiene’, zegt Koenders. ‘Ik weet van sommige jongens dat ze het machogedrag zo vervelend vinden dat ze niet meer naar school willen.’ Het blijkt ook uit de enquête: 39 procent van de docenten ziet dat jongens zich soms ongemakkelijk of onveilig voelen door opmerkingen van andere jongens over hoe je een goede man moet zijn.
Bij lhbti-leerlingen is dit percentage met 59 procent nog een stuk hoger: zij zitten het vaakst klem, blijkt uit de enquête. Uit de gesprekken die de Volkskrant voor dit verhaal met docenten voerde komt geregeld naar voren dat Paarse Vrijdag de laatste jaren moeilijker ligt. Leerlingen tuigen protestacties op tegen deze dag die draait om acceptatie en emancipatie van lhbti-leerlingen. Ze vertellen over groepjes lhbti-leerlingen die – ook buiten Paarse Vrijdag – met eten worden bekogeld, of in whatsappgroepen worden lastiggevallen.
Nog een opvallende uitkomst: bijna een op de drie vrouwelijke onderwijsmedewerkers die de enquête invulde, heeft weleens meegemaakt dat haar autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd vanwege haar vrouw-zijn. Of dat door de manosfeer komt valt niet te zeggen, zegt Heerkens van School en Veiligheid. ‘Het is bij mijn weten voor het eerst dat dit onderzocht is in Nederland.’
De vrouwelijke docenten die de Volkskrant sprak, ervaren zelf geen autoriteitsprobleem. Maar basisschoolleraar Jans herkent het wel bij collega’s. Niet alleen leerlingen ondermijnen het gezag van vrouwelijke docenten, ziet hij. ‘Ik had ooit een gesprek met de ouders van een jongen die heftige dingen roept en moeite heeft om de autoriteit van vrouwelijke leraren te accepteren. Een van de ouders zei: ‘Jullie hebben ook veel te veel labiele juffen in dienst.’’
Vrouwelijke onderwijsmedewerkers signaleren in het onderzoek van School en Veiligheid wat vaker vrouwonvriendelijk gedrag in de klas (61 procent) dan mannen (50 procent). Een vrouwelijke middelbareschooldocent die anoniem wil blijven, vertelt dat een leerling uit haar klas enthousiast vertelde dat ze in het weekend bij een feministisch protest was. ‘Daarop zei een jongen: ‘Typisch vrouwen, altijd zeuren en klagen.’’ Toen ze het met een mannelijke collega besprak, haalde hij zijn schouders op. Zo was hij op die leeftijd ook – en dat is toch goed gekomen?
De helft van de ondervraagde onderwijsmedewerkers heeft het gevoel dat ze niet genoeg weten over de manosfeer en hoe ze hier in de klas mee moeten omgaan. ‘Op onze website kunnen leraren lezen hoe ze dit kunnen doen’, zegt Heerkens. ‘Het is aan schooldirecties en ook aan de overheid om leraren de ruimte te geven zich hierin te verdiepen én ervoor te zorgen dat het schoolbreed wordt aangepakt, niet alleen door een handjevol docenten die er meer oog voor hebben.’
Gelukkig ligt er, afgaande op de enquête, op Nederlandse scholen een stevig fundament om de strijd tegen vrouwonvriendelijke opvattingen aan te gaan: acht op de tien leraren zeggen een warme band met jongens te hebben. Heerkens: ‘Als we van íéts weten dat het spanningen in de klas vermindert, is dat een goede relatie tussen docenten en leerlingen.’
Daarom vindt de anonieme vrouwelijke docent het verdrietig dat sommige mannelijke collega’s hun goede band met een jongen niet op het spel willen zetten door hem aan te spreken op zijn gedrag – ook uit de enquête blijkt dat een op de zes leraren bang is om jongens van zich te vervreemden door hun ideeën over mannelijkheid af te wijzen. ‘Het is geweldig om als docent een rolmodel te kunnen zijn voor een leerling die dat misschien wel hard nodig heeft. Die band moet je koesteren, maar bovenal benutten, door de moeilijke gesprekken aan te gaan.’
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant