Het vuur raasde door allerlei natuurgebieden in Nederland begin deze maand, ook zo bij het Defensieterrein in het Limburgse Weert. Wat achterblijft zijn een geblakerd bos en geschrokken omwonenden. ‘Echt mazzel dat de wind niet de andere kant op stond.’
Toine Heijmans is algemeen verslaggever en rondreizend columnist van de Volkskrant.
Het vuur is uit, maar de brand is niet voorbij. Is het vuur uit? Rook stijgt uit zwarte grond en veroorzaakt een rare, laaghangende mist in het geblakerde bos. Brandlucht kleeft aan stammen en struiken, het heeft goed geregend maar hier en daar is de bodem nog warm; twee mountainbikers trappen de smeulende hotspots dicht.
Vier dagen duurde het blussen, ‘brand meester’ meldt een mobiel lichtbord aan de weg. Het was groot nieuws, anderhalve week terug: vuur raasde door allerlei Nederlandse natuurgebieden, de rooklucht drong door tot diep in de Randstad, maar met de vlammen doofde ook de berichtgeving en de vraag hoe het verder moet.
Dit is het resulaat: een tapijt van as, enkeldiep. Sommige bomen en struiken ontsnapten, andere staan te sterven; aan de stammen te zien kwamen de vlammen tot een meter of tien. Kurkdroog hout en harde wind: Franse, Duitse, Belgische brandweer moest komen om de Nederlandse bij te staan, en met het zwaarste legervoertuig dat ze hebben, een tankachtig ‘geniedoorbraaksysteem’ met de naam Kodiak, trok Defensie brede brandgangen. Nog woelt een bulldozer de grond om, ter voorkoming van nieuwe uitbraken.
De Weerter- en Budelerbergen vormen zo’n typisch Nederlands terrein dat zich staande moet houden in een druk land. Het is van iedereen, en iedereen wil er wat mee. Vliegdennen en heide, beschermd natuurgebied en ook weer niet. Het is gewoon tachtig rijden op de drukke Geuzendijk, die het zandlandschap doorklieft, behalve bij de oversteekplaats voor tanks want dit is dus ook Defensieterrein. En recreatiegebied, staat op een schildje voor wandelaars, ‘mits u geen oefeningen verstoort’.
Aan de oostzijde ligt vakantiepark Weerterbergen met vijfhonderd bungalows, dat bijna moest evacueren. Aan de westzijde ligt Kempen Airport, een particulier vliegveld met twee tanks brandstof van elk dertigduizend liter, waar ze al maanden waarschuwen voor geweervuur en explosies, en niet begrijpen waarom het oefenen alleen maar intensiever werd. En ten noorden, net onder de A2, ligt asielzoekerscentrum Cranendonck met vijftienhonderd bewoners, dat haastig werd ontruimd.
Maar koud was de brand begonnen of commandant der strijdkrachten Onno Eichelsheim zei: ‘heel vervelend voor omstanders, campings en de natuur zelf, maar we moeten blijven oefenen om klaar te zijn voor crises en het opleiden van onze mensen.’ Kwestie van prioriteiten.
Nog wat verwonderd vertellen Emiel en Laura de Groot hoe ze het vuur pas zagen toen het vlakbij was. Meivakantie: met de kinderen in een huisje op het park. ‘Ze schoten al dagenlang’, tot vlak voor de brand begon, ‘niet normaal, zoveel ze schoten.’
Emiel laat een foto zien van de rookwolk die opsteeg boven hun huisje, onwerkelijk. Pas toen de Chinook-helikopter kwam om te blussen begrepen ze de ernst. De vlammen naderden tot op 300 meter, en Laura vertelt hoe werd omgeroepen: ‘Er is brand, het is onder controle, geen zorgen’, maar of ze toch hun tassen wilden pakken, de auto wilden halen. Dat hebben ze gedaan.
Natuurlijk moet Defensie oefenen, zeggen ze, ‘maar dit is misschien niet de allerbeste plek’, zeker met die droogte en die wind. En: ‘De kans op brand lijkt me hier groter dan de kans op oorlog.’
Dieper het bos in is de bodem bezaaid met zwarte takken. Hele wortelstelsels liggen bloot: omvergeduwd door de Kodiak. Twee mountainbikers trappen kleine vuurtjes uit, ze wonen in de buurt: Theo en Pieter Jacobs, vader en zoon. Theo: ‘Is dat oefenen nodig? Misschien wel. Maar ik zou zeggen: als het zo brandbaar is, ga gerust crossen met je tank, maar wacht even met schieten en explosieven.’ Pieter: ‘Ja dat lijkt me logisch.’
Jemig wat waaide het hard die donderdag, toen zaten ze ook op de fiets, kop in de wind, ‘echt mazzel dat ‘ie niet de andere kant op stond’. Zeg maar richting de dorpskernen en het industrieterrein, het azc, de snelweg, het vliegveld – daar bekomen ze nog van de gebeurtenissen.
Kempen Airport, familiebedrijf sinds 1970, circa 50 duizend vluchten per jaar, heeft een huisvriend tot woordvoerder benoemd die zijn naam liever niet in de krant wil, en unverfroren van wal steekt over het ‘gebrek aan discipline’ bij Defensie. Nadat een dag eerder het oefenterrein bij ‘t Harde in de hens ging, ‘stuurden we om 18.46 uur per mail nog een brandbrief waarin we onze zorg uitspraken en om overleg vroegen: straks breekt ook hier de pleuris uit’.
En dat gebeurde. Hij laat de foto’s zien: het hele industrieterrein in de rook. Ze zijn zelf gaan blussen, ‘met onze eigen brandweerwagen, bedoeld voor kleine branden’. ‘Pas na drie keer 112 bellen, toen we over de brandstoftanks begonnen, kwam de brandweer. Dat duurde ruim een halfuur.’
Defensie wil het vliegveld kopen, ‘we wachten op de afronding’. De krijgsmacht wil meer oefengebied, met een oefendorp, alles erop en eraan. Geen probleem, wat hem betreft, ‘ze hebben ruimte nodig, maar doe dat dan wel verstandig’.
Het vuur kwam tot op 200 meter van de brandstoftanks, die gelukkig zijn ingegraven. Het probleem is ‘de onzorgvuldigheid’, ‘gewoon er even niet aan denken dat hier een vliegveld ligt’. En dat bij een krijgsmacht die al zoveel moeite heeft met het vinden van nieuw terrein.
Een specht doorbreekt de stilte in het verschroeide bos. Groene sprieten steken uit pollen platgebrand gras. Na de zomer ziet het er vast weer presentabel uit, maar ook dan is de brand nog niet voorbij.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant