Filmmuseum Het gaat niet goed met het Amsterdamse filmmuseum Eye, en dat komt omdat dit nationale instituut zijn belangrijkste publieke taak verzaakt, ziet Gawie Keyser. Kom op! Koester en stimuleer cinema als kunstvorm voor iedereen.
Op de oever van het IJ in Amsterdam staat de parel van de Nederlandse filmcultuur: het Eye Filmmuseum. Het witte gebouw, schitterend in het zonlicht, straalt de eigen functie uit. Het is een heilige plek. Hier kun je je onderdompelen in de cinematografische verbeelding.
Gawie Keyser is filmcriticus, essayist en programmamaker. Zijn nieuwe boek, 101 films voor het leven, verschijnt half mei bij Uitgeverij Luitingh-Sijthoff.
Maar schijn bedriegt. Tegenwoordig is het alsof je een graftombe betreedt. Media meten de malaise breed uit. Het Parool, waarin we konden lezen dat Eye technisch failliet is, met in 2025 een recordverlies van 3,2 miljoen euro, en NRC, waarin columnist Joyce Roodnat het artistieke beleid van het filmmuseum hekelt. In plaats van exposities, zoals de meest recente over de actrice Tilda Swinton, betoogt Roodnat, zou Eye veel meer aan film moeten doen.
Hiermee slaat Roodnat de spijker op z’n kop. Eye is te veel ‘museum’ of expo-ruimte en te weinig film. Zo verzaakt dit met belastinggeld gefinancierde, nationale instituut zijn belangrijkste publieke taak: het koesteren en uitbouwen van een bewustzijn van cinema als kunstvorm waar iedereen profijt zou moeten hebben, van prille filmkijkers tot ervaren makers van cinema.
Vergis je niet: zo’n gezonde, nationale filmcultuur is van levensbelang. Om te beginnen kan er anders geen sprake zijn van een bruisende filmindustrie. Simpel gezegd: zolang aanstormende filmmakers geen toegang hebben tot alle facetten van de filmhistorie, of – dat hangt met elkaar samen – zolang ze hiervan geen kennis hebben, zullen ze zelf geen goede films maken. Nog belangrijker: filmcultuur is essentieel voor onze nationale state of mind. Zoals de recent overleden cineast Ramón Gieling, regisseur van films zoals Johan Cruijff: En un momento dado (2004), het stelde in een nooit gepubliceerd essay dat hij me kort voor zijn dood toestuurde: „De verbeelding aan het werk zetten brengt licht, genot en humor, omdat de verbeelding alles mogelijk maakt, en in de verbeelding alles mogelijk is… Ze opent de deur naar de vrijheid.”
Verbeelding en vrijheid. Dan is het pijnlijk dat Eye in de afgelopen jaren bezig was met irrelevante zaken, zoals het uitbaten van de horecagelegenheid in het pand, wat uiteindelijk goed was voor een verlies van bijna een miljoen euro. Of wat te denken van de ‘lening’ die Eye volgens Het Parool in 2022 verstrekte aan de ‘broedplaats Moving Arts Centre Amsterdam’ op het NDSM-terrein? Inmiddels is de ‘broedplaats’ failliet en is het geld weg.
Eye faalt, terwijl het zo simpel kan zijn. Zo simpel als het cureren van cinema. Beginnen door ons simpelweg te vertellen wat er zoal te zien is. Onlangs vroeg iemand me of ik op een zondagavond met hem mee wilde naar The Wild Bunch. Nou, duh… Maar wacht eens even: hoezo draait The Wild Bunch?! Jazeker, zei hij, gewoon in Eye. Voor de goede orde: iedere dag stroomt mijn mailbox vol met persberichten over welke films waar draaien. Maar dat Sam Peckinpah’s meesterlijke western — over verbeelding en vrijheid gesproken — in Eye te zien was, kon je blijkbaar alleen weten als je dat toevallig hoorde. Hoe dan ook, ik ging The Wild Bunch kijken en dat was fantastisch.
Maar ai, Eye. Hoe doods. Die kille sfeer die over het gebouw heen hangt. Dan mis ik die andere heilige plek: het British Film Institute aan de South Bank in Londen. Een filmmuseum waar Eye een voorbeeld aan kan nemen: de zachtheid, de intelligentie en de filmliefde die je aan álles kunt aflezen. Het is een van de fijnste plekken op aarde, niet alleen omdat de omgeving bruist dankzij allerlei culturele centra, stalletjes met street food en boekwinkeltjes, maar vooral vanwege die tempel van filmliefde: het gebouw met vier zalen, vooral zaal één, met zijn roodfluwelen stoelen en het schitterende scherm, natuurlijk mét gordijn.
Ook niet te versmaden: geen snobistisch restaurant met haute cuisine, maar een eettent met pizza, fish and chips, hamburgers en veel bier, Pimm’s en gin-tonic (ik zei het al: ik kom er gráág). En dan kun je zomaar op een zondagochtend om half twaalf meemaken dat de grote zaal vol zit als een gerestaureerde versie van Dr. Who and the Daleks (1965) draait, terwijl de avond daarvoor dezelfde zaal tot de nok toe gevuld was tijdens een vertoning van zomaar een Pink Panther-film.
‘Filmcultuur’ is het toverwoord bij het BFI. Ga maar na: tussen nu en juni draaien er drie slim bedachte programmareeksen rondom respectievelijk de thema’s Cinema and Sound, Lights, Camera, Acting! en Like Riding a Bike: Cycling on film. Even creatief is de invulling van de programma’s. Je kunt er dagelijks films zien daterend uit de hele filmgeschiedenis, van Hollywood-musicals tot werk van de Franse cineast Robert Bresson of de Japanse meester Yasujiro Ozu. Wat je niet bij het BFI zal aantreffen — anders dan bij Eye — is het eindeloos programmeren van nieuwe ‘arthouse’-titels, vaak ontzettend saaie films die toch al elders te zien zijn.
Zo moeilijk is het ook weer niet. Het BFI leert: it’s the movies, stupid! Dat doet ook La Cinémathèque française in Parijs, met deze zomer: rétrospectives te over. Robert Altman, Greta Garbo, Harold Lloyd, Marilyn Monroe en ga zo maar door…
Wat graag zou ik de nieuwe Eye-directie toewensen dat ze ons een opwindend, nationaal filmmuseum kan geven waar film weer centraal staat. Mijn advies hierover: doe eens gek als het gaat om het aanstellen van een nieuwe directeur. Zoek geen cultuurmanager, maar iemand die film ademt. Geen kantoortijger, maar een cinemaleeuw. Vind een dromer. Iemand die doordrongen is van één ding: het belang van de filmculturele verbeelding. Want de unieke vergezichten die de filmkunst ons biedt, hebben we nodig zoals we zuurstof nodig hebben. Alleen dan kunnen we vrij zijn, vrij in ons denken.