Cécile Huijnen | violist en voormalig concertmeester In ‘Ik vertrek’ kijkt Cécile Huijnen terug op haar 52 jaar als violist. Ze heeft een schitterend vak, zegt ze tegen NRC. Maar over de schaduwkanten wordt gezwegen. „Er is veel ziekteverzuim in orkesten. Ook mentaal is het een zwaar beroep.”
Cécile Huijnen
Wat wil je later worden, vroeg de meester in de zesde klas van de basisschool aan Cécile Huijnen. „Iets met schrijven”, antwoordde ze, want opstellen maken was echt haar ding. Misschien journalist? Eén ding stond vast: ze ging Nederlands studeren.
„Nee hoor”, zei de meester, „jij wordt violist”. De moeder van Huijnen, amateurviolist bij het Sittards Kamerorkest, had hem dat zó ingeprent, dat het in zijn hoofd een voldongen feit was geworden.
„Mijn pad lag vast voordat ik het levenslicht zag”, schrijft Huijnen (60) in het maandag verschenen boek Ik vertrek, waarin ze terugkijkt op haar 52 jaar als violist, waarvan 40 als professional en 35 als concertmeester. Ze zat nog in de buik toen haar moeder tegen haar vader zei dat hun eerste kind ‘heel muzikaal’ was en Cécile zou gaan heten als het een meisje was. Naar Sint Cecilia, de patroonheilige van de muziek.
Die onwrikbare overtuiging van haar moeder ervoer Huijnen als hardvochtig, schrijft ze. Ze heeft het niet aan haar te danken dat ze uitgroeide tot een succesvol violist en concertmeester, maar de van haar moeder geërfde volharding en strijdlust waren geen overbodige luxe in de orkestwereld, die Huijnen als sociaal onveilig en gesloten heeft ervaren – een onthullend deel van het boek.
Van sommige passages gaan je oren klapperen. Zoals die over de dirigent die dreigt haar carrière kapot te maken omdat ze hem aanspreekt op zijn gedrag. Over de leden van het buitenlandse orkest waar Huijnen als gastconcertmeester optreedt. Ze vinden het maar niks dat zij op de eerste stoel zit en werken haar ostentatief tegen. Of de collega’s die achter haar rug in haar privéleven gaan wroeten. „Die onveilige werksfeer neemt in sommige orkesten buitensporige vormen aan, waardoor het speelplezier soms ver te zoeken is”, schrijft ze.
Huijnen noemt bewust geen namen. Ze wil geen mensen kwetsen, alleen vastgeroeste patronen zichtbaar maken. Om tunnelvisie te voorkomen vroeg ze een paar vertrouwelingen uit de orkestwereld om het manuscript vooraf te lezen. Kon ze dit wel opschrijven? „Het ontbreekt aan openheid en transparantie, zowel tussen musici en management als tussen musici onderling”, vat ze het probleem aan het eind van het boek samen.
Tussen december 2023 en januari 2025 werkte Huijnen zonder vast dienstverband bij verschillende orkesten – iets waar ze zelf voor koos. Ze ging als gastconcertmeester aan de slag, na 33 jaar vaste aanstellingen bij achtereenvolgens Het Balletorkest, Het Gelders Orkest en Phion. In die ongebonden periode kon ze volledig zichzelf zijn, vertelt ze. Ze hoefde als concertmeester geen oplossingen meer aan te dragen bij interne ruis. „Ik had met iedereen lol en dacht: fuck, zo kan het dus óók.”
Toch besloot ze begin vorig jaar vroegtijdig te stoppen als violist. Het intensieve studeren brak haar op. En ze was doodsbang om later spijt te krijgen van dingen die ze niet had gedaan. Van Arnhem verhuisde ze naar een huisje met weids uitzicht in de Betuwe. Ze verkocht haar achttiende-eeuwse Grancino-viool en werkt sindsdien als coach, vertrouwenspersoon en sparringpartner in de orkestwereld. Daarnaast presenteert ze Diskotabel, een radioprogramma van NPO Klassiek.
„Mijn moeder – ze is inmiddels overleden – was heel dominant. Een tiger mom zou je haar nu noemen. Haar passie moest de passie van haar drie dochters worden. Op mijn zesde leerde ik noten lezen en werd mijn muzikale gehoor getraind. Een jaar later kreeg ik een viooltje. Aanvankelijk vond ik dat best leuk, maar omdat mijn moeder klokte hoe lang ik studeerde, werd dat een kwelling. Ik was voortdurend aan het schipperen en tegensputteren. Ook toen ik op mijn zestiende het huis uit ging, ‘in ruil voor‘ een opleiding aan het conservatorium, bleef ze mij controleren via bijvoorbeeld mijn hospita. Studeerde ik wel genoeg? Dat vond ik zó verstikkend dat ik het contact heb verbroken. Pas na dertig jaar ben ik mijn moeder weer in Limburg gaan opzoeken. Boos zijn is slopend, en ik wilde mijn zussen helpen met mantelzorgen. Mijn moeder had parkinson, woog op het laatst 42 kilo. Ik zag haar kwetsbaarheid en voelde mededogen.”
Ze veert op. „Alles ging altijd over mijn moeder! Als ik ziek was zei ze: weet je hoeveel hoofdpijn ík heb? Toen ik op mezelf ging wonen, en wat meer ademruimte kreeg, ben ik me gaan afvragen hoe mijn moeder, het oudste meisje in een katholiek gezin van acht kinderen, zo ver van zichzelf verwijderd is geraakt. Ze had graag professioneel violist willen worden, maar wist dat dat niet kon omdat ze te laat was begonnen. Toen projecteerde ze haar droom op ons.”
„In zekere zin heeft elke musicus last van controledrang en perfectionisme. Maar het is waar dat dat in mijn geval doorsloeg. Ik vergeleek mezelf met de allerbeste violisten. Ik wilde kunnen wat zij konden.”
„Ik wilde dat iedereen dezelfde passie voor muziek voelde als ik en er evenveel in investeerde. Er zijn zó veel musici die waanzinnig spelen maar geen vaste baan kunnen krijgen. Een vaste baan is een luxe in onze wereld. Ik heb geen geduld voor mensen die komen uitrusten op hun werk.”
„In elk orkest zitten musici die de kantjes ervan aflopen. Dan trekken ze een minuut voor het einde van de repetitie al hun jas aan. Of ze studeren zó weinig dat ze bij de vierde repetitie nog steeds de noten moeten zoeken. Dan zit je bij mij niet goed.”
„Raar hè? Voor sommige mensen was het niet nodig dat ik mijn hoofd boven het maaiveld uitstak. Terwijl dat wel bij een concertmeester hoort. Dirigenten komen en gaan, maar een concertmeester moet de kar trekken en daar hoort ook bij dat je je soms impopulair maakt.”
„Dat ís ook helemaal niet leuk. Zeker niet voor musici, voor wie het instrument al sinds hun kinderjaren een verlengstuk van henzelf is. Hoor je als musicus dat je niet goed functioneert, dan voelt het alsof je een slecht mens bent. Daar komt bij dat de werkomstandigheden in de orkestwereld verre van ideaal zijn. In de decennia nadat je als musicus bent aangenomen, worden nauwelijks functioneringsgesprekken gehouden. Een hr-functionaris of directeur heeft geen tijd voor vijftig, zestig of honderd uren aan gesprekken. En het ontbreekt aan bijscholing. Op mijn vierentwintigste werd ik voor het eerst concertmeester. Ik moest zelf uitzoeken hoe je leiding geeft.”
„Ons werk is topsport, hè? Ook ik moest in de jaren voordat ik stopte veel meer doen om soepel te blijven. Omdat er geen financieel vangnet is voor musici die eerder willen stoppen, zie je veel onzekerheid en paniek bij degenen die het niet meer kunnen bijbenen. Sommigen proberen een stapje terug te doen, van eerste naar tweede klarinet bijvoorbeeld, maar als er geen vacature is, heb je een probleem. In een grote groep strijkers kan je nog wegduiken, maar voor blazers die een solopartij moeten spelen is er geen ontkomen aan.”
Ze zucht. „Heel pijnlijk. Niet alleen omdat dat zichtbaar en hoorbaar is, maar ook omdat zo’n collega nóg harder gaat studeren en vaak nóg meer fysieke klachten krijgt. Er is veel ziekteverzuim in orkesten. Ook mentaal is het een zwaar beroep. Je hebt geen personal space, bent altijd met vijftig, zestig of tachtig man bij elkaar. Zit samen in de bus en staat samen in de rij voor de wc. De kunst is die prikkels niet te laten binnenkomen. Maar als je je afsluit, communiceer je weer niet lekker in het orkest als je muziek moet maken.”
Cécile Huijnen
Ze is even stil. „Je móét verbondenheid uitstralen. Ook als je naast iemand zit met wie je het niet kunt vinden, of als je net ruzie met je partner hebt gehad. Awkward, zeker, maar alle musici zijn daarin getraind.”
„Ondanks de schaduwkanten is het een schitterend vak met veel fijne collega’s. Het is een onbeschrijfelijk gevoel als een orkest boven zichzelf uitstijgt omdat alle neuzen dezelfde kant opstaan. Ik wilde de allermooiste solo spelen, mensen raken. En gezien worden, want schouderklopjes heb ik niet van huis uit meegekregen.”
„De bezuinigingen maakten de orkestleden onzeker, omdat ze de eindjes daardoor nauwelijks aan elkaar konden knopen. En wat het gedrag van dirigenten betreft: sinds de onthullingen over Ali B en het grensoverschrijdende gedrag bij The Voice of Holland, hebben orkestdirecteuren daar veel meer oog voor. De paar dinosauriërs die zich nog misdragen, graven hun eigen graf. Maar of orkestdirecteuren in de gaten hebben wat zich soms afspeelt tussen musici op de orkestvloer – het geroddel en gepest – betwijfel ik.”
„Ze zullen zeggen dat ze ‘ermee bezig zijn’ – wat ook zo is. Of dat ze het begrijpen, maar dat het heel ingewikkeld is, omdat veranderingen geld kosten. Dat geld is er niet.”
„Daar ben ik van overtuigd. In de orkestwereld lopen we honderd jaar achter als het om zelfontwikkeling, communicatie, transparantie en sociale veiligheid gaat.”
„Soms voel ik een klein steekje als ik bij een mooi concert zit. Zo van oe, daar had ik graag aan mee willen doen. Maar als ik bedenk wat ik ervoor moet doen, voel ik opluchting. Het grote moeten is weg. Alsof ik permanent met vakantie ben.”
Cécile Huijnen: Ik vertrek. Uitg. Growing Stories, 272 blz. 22,99 euro.