Het woord ‘traan’ roept bij veel mensen associaties op met walvissen. Klopt dat?
De nuttige bestanddelen van levertraan, zoals omega 3, zijn ook in capsules te koop.
Wie dat wil, kan zijn kinderen nog steeds elke dag een lepel levertraan door de strot duwen. Het vissig smakende goedje is nog steeds te koop bij drogisterijen en in een grote sortering online. Maar wat is het eigenlijk, wat zijn de voordelen, en waarom is het dan nu veel minder populair dan vroeger?
Het woord ‘traan’ roept bij veel mensen associaties op met walvissen. ‘Traan’ betekent simpelweg olie, en je hoort het veel in de context van de historische walvisvangst: traankokerijen, traanketels… Maar de levertraan uit het keukenkastje heeft met walvissen niets te maken. Die wordt – altijd al – gemaakt uit de lever van de kabeljauw.
Kabeljauw is een koudwatervis. Je vindt hem in de Noordzee, de noordelijke Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee. De vis kan daar overleven dankzij een efficiënte vetopslag. De kabeljauw slaat zijn vet vooral op in de lever; die is dan ook relatief groot. Snellere roofvissen, zoals zalm, makreel en tonijn, slaan het vet op in hun spieren. Zo is de energie sneller beschikbaar voor het zwemmen – en een grote lever zou ze minder gestroomlijnd maken. De kabeljauw zwemt veel langzamer: die eet vooral kleine vissen, kreeftjes en schelpdieren.
Dankzij zijn mariene dieet, hoog in de voedselpiramide, bevat de lever van de kabeljauw veel vitamine A, vitamine D en omega-3-vetzuren. Die heeft hij opgebouwd vanuit zijn prooidieren, die ze zelf uit plantaardig en dierlijk plankton hebben gehaald. Plankton in koude zeeën bevat veel omega-3-vetzuren: die houden de celmembranen soepel bij lage temperaturen. Ook de vet-oplosbare vitaminen A en D accumuleert de kabeljauw in zijn lever.
Die drie stoffen verklaren de gezondheidseffecten van levertraan. In de vorige twee eeuwen was met name vitamine-D-gebrek een probleem in geïndustrialiseerde landen. Onze huid kan de vitamine maken uit zonlicht, maar alleen als je veel buiten komt. In noordelijke streken – met een laagstaande zon – maken mensen er al snel te weinig van. Vooral voor kinderen in de groei is dat slecht. Bij een tekort kunnen zij rachitis ontwikkelen: een botziekte die zich kenmerkt door kromme ledematen en een slecht gebit.
Vanaf de 18de eeuw werd levertraan een volksmiddel dat veel kinderen dagelijks moesten slikken. Maar halverwege de 20ste eeuw werd duidelijk dat de samenstelling sterk varieert. Vitamine A kan in een hoge dosis giftig zijn. In diezelfde tijd kwam de synthetische productie van vitamines op gang. Het voordeel was dat je de samenstelling nu precies kon doseren. Er kwamen tabletjes en capsules op de markt met de losse vitaminen en vetzuren – en levertraan raakte uit de mode.
Tegenwoordig zie je juist het omgekeerde. Dat heeft te maken met de hype rond omega-3-vetzuren. Die worden in verband gebracht met de gezondheid van hart, bloedvaten en hersenen. Er zijn inderdaad effecten, maar of die klinisch relevant zijn voor de brede bevolking staat ter discussie.
Hoe dan ook: de levertraan, met zijn nostalgische en haast mythische reputatie, keerde terug in de schappen. Maar dan wel in een versie die eerst is gezuiverd en ontdaan van zijn vitaminen en vetzuren, waarna die weer zijn toegevoegd in precies afgepaste hoeveelheden. De visleverolie is daarmee slechts een drager geworden voor de voedingssupplementen. Die zijn nu veelal synthetisch. Een minderheid bevat alleen de natuurlijke vitaminen uit de olie zelf – maar ook dan in gecontroleerde hoeveelheden.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin