‘Wat mag jij toch leuke dingen doen voor de krant”, verzuchtte een collega toen ik vertelde dat ik op zweefvliegreportage ging in Flevoland. Een ander huiverde: „Krijg je dan geen hoogtevrees?” Pas toen viel het kwartje. „Nee, ik bedoelde zwééfvliegen”, zei ik, terwijl ik knullig met mijn armen wapperde. „De insecten. We gaan ze vangen met een netje, gewoon tussen de struiken.”
Maar zelfs de fotograaf blijkt, als ik hem ontmoet op de parkeerplaats van het Horsterwold, nog snel zijn telelens voor een macrolens te moeten verwisselen. „Ik vroeg me al af waar de landingsbaan was.” Samen met entomoloog John Smit van EIS Nederland gaan we op zoek naar de uiterst zeldzame zwarthaarmelkzweefvlieg, een soort die sinds 2012 uitgestorven werd gewaand in Nederland. Pas in 2024 dook hij hier, tussen het bloeiende fluitenkruid, ineens weer op. En dus hoopt Smit er nu een in zijn insectennet te vangen.
Dat Nederlanders bij de term ‘zweefvliegen’ sneller aan vliegtuigen denken dan aan bestuivende insecten verbaast hem al niet meer. „Het is tekenend voor de achteruitgang.” Ruim dertig jaar geleden, toen Smit als tiener meeging op zomerkampen van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, vingen ze sommige soorten nog met tientallen tegelijk. Maar nu gaan de zweefvliegen in aantal zo hard achteruit dat EIS samen met Natuurmonumenten een nieuwe landelijke telcampagne begonnen is.
En dus speuren we de bloemen van het Horsterwold af naar alles wat zweeft. Het is niet makkelijk om de soorten te herkennen: veel zweefvliegen doen aan mimicry, waarbij ze bijen of wespen nabootsen. Maar Smit weet precies bij welk individu hij moet toeslaan met zijn net. Aan zijn schouder bungelt een fototoestel. „Voor mij is dit ook een soort die ik al heel lang niet gezien heb.”
Zijn enthousiasme doet me denken aan dat van Steve Boyes, hoofdpersoon in de nieuwe Werner Herzog-film Ghost Elephants. In het gezelschap van lokale spoorzoekers gaat de Zuid-Afrikaanse bioloog op zoek naar een mogelijk mythische olifantenkudde op de Angolese hoogvlakten, met buitenproportioneel grote olifanten. Al jaren is het de vurige wens van Boyes om de kudde te vinden. Een wensdroom zoals je vaker ziet bij bevlogen biologen: uit fascinatie voor een soort blijven ze dóórgaan.
Zo’n drijfveer kan heel motiverend zijn, weet ook Smit. „Al kan het soms ontaarden in een regelrechte pissing contest, in de trant van: mijn lijstje met gescoorde soorten is langer dan het jouwe. Zulke fanatieke twitchers, die stad en land afreizen om zeldzame soorten te spotten, kom je niet alleen tegen bij vogelaars maar ook bij insectenliefhebbers. Als in één boom een bedreigde zweefvliegsoort is ontdekt, zoals de grote fopblaaskop, wordt dat vaak in een mum van tijd door tientallen mensen doorgegeven op observatiewebsite waarneming.nl.”
Zelf heeft hij er zich allang bij neergelegd dat ‘wenssoorten’ zich niet altijd laten zien. „Schrijnend genoeg illustreert dit de omvang van de biodiversiteitscrisis, omdat zoveel soorten zo zeldzaam zijn geworden.” Boyes gaat in Ghost Elephants nog een stap verder door zich hardop af te vragen of zijn droom niet beter een droom kan blijven. Want kan de werkelijkheid wel tippen aan de fantasie? In een wereld vol doemdenkers brengt juist wensdenken hoop.
Of onze eigen queeste naar de zwarthaarmelkzweefvlieg succesvol afloopt leest u binnenkort op de wetenschapspagina’s van NRC. Tot die tijd laat ik u nog even zweven tussen hoop en vrees.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag