Home

‘Technisch bewijs over de maker van een schilderij is bijna nooit een smoking gun’

Is die Rembrandt wel een echte Rembrandt? Bij zulke toekenningskwesties wordt kennis van kunst gecombineerd met technisch vernuft. Hoe repliceerbaar is dat onderzoek?

Het lijkt geen moeilijke vraag, misschien een beetje kinderachtig zelfs. Maar ze moet er heel lang over nadenken. „Oei, mijn favoriete schilderij?” Charlotte Rulkens laat een lange stilte vallen. Voor haar ligt haar proefschrift, een dik boek waarin ze beschrijft hoe ze met een team van kunstexperts opnieuw onderzoek heeft gedaan naar twee Rembrandts en een Rubens om te zien of het originele onderzoek naar de toekenning van die doeken te repliceren is, en te onderbouwen of ontkrachten is dat de werken echt door hen geschilderd zijn. Maar die schilders noemt ze niet. „Tja als ik er één moet kiezen… Ik hou heel erg van Het Puttertje van Carel Fabritius. Dat vind ik een heel mooi voorbeeld van hoe de natuur letterlijk en figuurlijk gevangen wordt in een schilderijtje.”

Dat werk hangt in Het Mauritshuis in Den Haag. Rulkens (35) kent dat museum goed, ze werkte er na haar studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) enkele jaren als conservator. In die tijd kreeg ze de kans om een tentoonstelling over Rembrandt samen te stellen, ter ere van zijn 350ste sterfdag. Alle Rembrandts die het museum heeft kregen extra aandacht, maar óók de schilderijen die ooit als echte Rembrandt het museum binnenkwamen, maar van hun voetstuk vielen als werk van mindere goden. Het Mauritshuis heeft elf zekere Rembrandts, van zeven werken wordt de toekenning betwijfeld (vorig jaar werden er nog twee toch niet als echt bestempeld). Rulkens leerde er hoe de rol van experts in de loop der jaren was veranderd en hoe de methodes zijn aangepast om vast te stellen of een schilderij echt van de vermeende schilder is.

Het kruispunt van curatorschap, reflectie op eerder onderzoek en het bevragen van methodes werd het centrale punt van haar dissertatie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, die ze er eind april verdedigde. Want onderzoek naar toekenningskwesties van schilderijen kan volgens Rulkens transparanter en in betere samenwerking, vertelt ze in een kantoorruimte van de VU. „We hebben onderzoek uit het verleden gerepliceerd, wat in de bètawetenschappen heel normaal is. Het idee is dat als je dezelfde resultaten krijgt, je zekerder bent van die resultaten. Maar replicatie als onderzoeksmethode, het systematisch herhalen van een studie, is niet gebruikelijk in de kunstgeschiedenis. Ik wilde onderzoeken wat die methode waard is in de kunst, en specifiek bij toeschrijvingsvragen.”

Rulkens keek bij twee portretten van Rembrandt terug naar het onderzoek dat eind jaren negentig was gedaan. Een hangt in het Mauritshuis, en een in het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg. Er werd lang van uitgegaan dat het paneel in Den Haag door Rembrandt was geschilderd, en dat in Neurenberg een kopie hing uit zijn studio. Maar in 1999 werd geconcludeerd dat het andersom moest zijn. „We kwamen erachter dat we weinig wisten over het groepsproces dat toen plaatsvond. Wat waren de individuele bijdragen van de experts die toen betrokken waren? Dat proces en die stappen konden we niet herhalen, en toen ben ik gaan nadenken over repliceerbaarheid. Dan kijk je niet alleen maar terug naar wat eerder is gedaan, maar ook: hoe kun je alle kennis over een studie zo vastleggen dat je het kunt herhalen?”

Portret van Rembrandt van Rijn met halsberg, 1629

Portret van Rembrandt van Rijn met ringkraag. Lange tijd werd dit schilderij beschouwd als een zelfportret van de jonge Rembrandt. Maar na uitgebreid onderzoek bleek dat het een heel goede kopie is van een zelfportret van Rembrandt, gemaakt door een van zijn leerlingen.

Systematisch proces

Voor een helder, systematisch en repliceerbaar proces om toekenning te onderzoeken ontwikkelde Rulkens de ‘attribution expert consensus meeting’, A-ECM. Zo wordt vastgesteld welke experts betrokken worden en volgens welke criteria ze als expert worden gezien. Daarbij hoort ook een schijnbaar simpele kwestie als: wat wordt er verstaan onder een toeschrijving? Betekent dit dat iemand zelf met verf op het doek heeft geschilderd, of gaat het om, zoals Rulkens het noemt, ‘artistieke inventie’ van een kunstenaar die best (mede) door leerlingen kan zijn geschilderd? Data, eerdere onderzoeken, onderlinge discussie, conclusies, alles wordt vastgelegd.

Criteria voor toeschrijvingen zijn weleens opgesteld, maar een methode die ervoor zorgt dat het te herhalen is, die was er nog niet. „Daarin speelt ook mee dat onderzoeksmethoden zo’n enorme vaart nemen in de 21ste eeuw”, zegt Rulkens. „Er wordt nu natuurlijk ook uitgebreid op natuurwetenschappelijk niveau naar kunst gekeken, zie Da Vinci en de zoektocht naar zijn dna. Voor een goed onderbouwde toeschrijving moet worden samengewerkt om het technisch bewijs en het klassieke kennerschap samen te brengen.”

Dat klassieke kennerschap wordt niet overbodig door technisch bewijs, zegt Rulkens. „Dat zou je kunnen denken, maar dat valt vies tegen. Het moeilijke aan toeschrijven is dat je bijna nooit sluitend bewijs hebt. Je hebt verschillende soorten bewijs, maar zelden een smoking gun. Er is geen checklist die je kunt afvinken van: als je deze dingen ziet, dan weet je het zeker.”

Uitsluiten kan, zegt ze, met technisch onderzoek. Pigment dat pas in de negentiende eeuw werd gebruikt, is bijvoorbeeld een reden om zeventiende-eeuwse schilders uit te sluiten. Maar dan blijven er genoeg kandidaten over. „Interpretatie speelt altijd een rol in onderzoek.”

Rulkens kreeg het voor elkaar de twee Rembrandts (of in elk geval één echte en eentje die er verdraaid dicht bij in de buurt komt) uit Den Haag en Neurenberg bij elkaar te brengen. „We hebben de werken eerst technisch onderzocht – pigmentanalyse met de macro-XRF-scanner, dendrochronologisch onderzoek naar de panelen – en ze daarna bij elkaar gebracht in Neurenberg om met experts te bekijken.” Bijzonder, vindt ze zelf ook. „Maar ook belangrijk. Als het over twee versies gaat is het van belang om ze in het echt te kunnen vergelijken met elkaar.”

In het KMSKA in Antwerpen bekeken ze Tronende Madonna omringd door heiligen van Peter Paul Rubens, een altaarstuk van ruim 5 bij 4 meter. In tegenstelling tot de Rembrandts is er nooit veel twijfel geweest over wie dat heeft geschilderd. Maar het was niet ongebruikelijk dat Rubens samenwerkte met assistenten en andere kunstenaars in zijn uitgebreide atelier. Soms maakte hij alleen een ontwerp voor een werk, dat dan werd uitgevoerd door anderen. Het altaarstuk werd op het moment van het onderzoek gerestaureerd, waardoor de experts het iets minder goed in z’n geheel konden beschouwen. Maar omdat de vernislaag was verwijderd en er een grote stellage voor was gezet, konden ze de details des te beter bekijken. „We konden nu heel dicht op de verf kijken, terwijl het normaal niet zo makkelijk toegankelijk was.”

Gezonde correctie

Interessant is hoe de experts in de twee onderzoeken van Rulkens soms terugkwamen op hun mening nadat ze erover in discussie waren gegaan met de andere experts. Bij de twee Rembrandts zei een van de experts: „Ik kwam de meeting in met de kennis dat Gerard Dou waarschijnlijk het Mauritshuis-schilderij heeft gemaakt. Maar ik werd er in het gesprek met collega’s aan herinnerd hoe weinig we weten van wie in die studio werkte en wat ze precies deden. Een gezonde correctie.”

In het onderzoek naar Rubens kwam een van de experts terug op de stelligheid van de overtuiging dat Rubens het gehele werk zelf had geschilderd, van 75 procent zekerheid naar 50 procent: „Sommige details werden vergeleken, waarna ik minder zeker werd van mijn mening dat het werk geheel door Rubens is geschilderd, hoewel ik nog steeds geloof dat het meeste wat we zien van zijn hand is.” Dat soort correcties lijkt heel logisch, maar het oog van de expert werkt vaak alleen. Rulkens: „Veel toekenningspraktijken zijn nu best wel individueel, en niet zo transparant. We willen gebruikmaken van die kennis door aan een grotere groep te vragen wat men vindt van een toeschrijving.”

Maakt het eigenlijk wel iets uit wie een mooi werk heeft gemaakt? Kunst is geen exacte wetenschap, immers. Rulkens lacht. „Nee, soms is het heel leuk om naar kunst te kijken en even achter je te laten van wie het is, en er gewoon puur op zichzelf naar te kijken.”

Wie een kunstwerk precies gemaakt heeft, is natuurlijk van groot belang voor de kunstmarkt, voor musea, voor de kunstgeschiedenis. Maar het heeft ook op toeschouwers een emotioneel effect, zegt ze. Zie je een bordje van een bekende kunstenaar naast een doek in een museum, dan is er een kans dat je langer blijft staan en beter kijkt. Als je weet dat een schilderij door Rembrandt is gemaakt, reageer je er anders op. „En dat is helemaal niet erg. Het geeft aan dat het belangrijk is dat de toeschrijvingen serieus worden aangepakt. Maar dat neemt niet weg dat als je het niet weet als kunstliefhebber, het in sommige gevallen helemaal niet erg is. Zelf heb ik dat vooral bij kunstvormen waarin ik zelf niet gespecialiseerd ben, dan kan ik wat vrijer kijken en meer genieten. Je kunt soms heel plotseling wel ontroerd raken door iets wat heel mooi geschilderd is. En nou ja, bij Rembrandt is dat natuurlijk heel vaak zo. Maar nee, ik ben echt niet de hele dag bezig met: god door wie is dit nu écht gemaakt?”

Wie isCharlotte Rulkens?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next