Natuur Wereldwijd neemt ongeveer de helft van de vogelsoorten in aantal af. Maar als we ons niet langer over vogels kunnen verbazen en we ze niet meer benoemen, verdwijnen ze ook uit ons wereldbeeld. Daarom willen Robert Macfarlane en Jackie Morris met hun weergaloze boek vogels weer ‘tevoorschijn toveren’.
De bosuil (Strix aluco).
Een gids ‘over verwondering en verlies’, ofwel A Field Guide to Wonder and Loss: zo noemen de Britse schrijver Robert Macfarlane en illustrator Jackie Morris hun weergaloze The Book of Birds, in het Nederlands vertaald als Het vogelboek met als ondertitel Een veldgids. Twee betrekkelijk afstandelijke titels die de rijkdom aan woord- en tekenkunst eerder verhullen dan prijsgeven. Dit vogelboek lijkt in niets op alle andere vogelboeken of determineergidsen, het is een unicum. Macfarlane schiep een verrassende, fantasierijke vogeltaal en Morris tekende en schilderde vogelportretten van ongekende schoonheid.
Robert Macfarlane & Jackie Morris: Het vogelboek. Een veldgids (The Book of Birds. A Field Guide to Wonder and Loss) Vert. Nico Groen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 384 blz. €39,99
Het is voor het eerst dat auteurs van een vogelboek niet uitgaan van de mens als waarnemer, maar dat ze met inlevingsvermogen het perspectief kiezen van de vogel. Dat moeten we overdrachtelijk zien, want het is uiteindelijk de mens die observeert en schrijft. Daarom spoort Macfarlane de lezer aan met zijn ‘geestesoor’ te luisteren, dan horen wij wat de vogels zelf misschien ook horen als het vogelkoor in de lentemaanden losbarst: „battle-rap, burenroddel, magistrale rietgorsmadrigalen, gefluister, duetten en motetten, aubades, serenades, trillers en jazzriffs, solo’s en een varia aan aria’s; episch, lyrisch, speels, steels…” Menselijke muzieknotaties vertaald in vogelzang.
Lang voordat de mens er was, stelt Macfarlane, zongen vogels tot hun ‘teerbeminde’ en van ‘rivaal tot rivaal’. Lees, of liever zing dit boek hardop en je betreedt de wereld van de vogels. En het verlies uit de ondertitel? Dat is de pijn van een steeds armer en stiller wordende vogelwereld. Met dit boek is er een nieuw ijkpunt om vogels te beschrijven. Voor Macfarlane bestaat een vogel uit ‘zeven wonderen’ die tezamen het „alledaagse wonder opleveren dat we simpelweg ‘vogel’ noemen: nest, ei, snavel, zang, veer, vliegvermogen en trek.” Ieder van de zeven hoofdstukken begint met zo’n wonder en aan het slot is het gedicht over de wonderen voltooid. Tezamen toveren ze het vogelwonder tevoorschijn: nest bevat ei, ei wordt gekraakt door snavel, snavel brengt zang voort, zang klinkt uit veer, veer geeft vliegvermogen, vliegvermogen maakt trek mogelijk…”
Met het vogelwonder ‘van nest tot trek’ als uitgangspunt schuiven Macfarlane en Morris de indeling uit de klassieke veld- of determineergidsen in één keer terzijde. Zo’n gids is van origine een handzaam naslagwerk dat de vogelliefhebber meeneemt het veld in. Om herkenning van een soort te bevorderen zijn de illustraties in zo’n gids zo gelijkend mogelijk. De beknopte tekst die erbij staat geeft uiterlijke kenmerken als kleurpatroon, vliegbeeld, grootte, vorm van snavel of staart. Verder zijn de vogels gerubriceerd naar leefgebied, roep, zang, trek en soms nestbouw of eieren. Elke vogelgids gehoorzaamt aan deze officiële wetenschappelijke classificatie van de Zweedse natuurkundige Carl Linnaeus die in zijn Systema naturae (1735) vogelsoorten onderscheidde in ordes, families en geslachten. Neem bijvoorbeeld de huismus (Passer domesticus), een welbekende verschijning in onze stadstuinen die officieel hoort tot het dierenrijk (Animalia), vervolgens tot de klasse van de vogels (Aves), daarna tot de orde van de zangvogels (Passeriformes) en tot slot tot de familie van de mussen (Passeridae).
Vogels hebben natuurlijk nooit gevraagd om zo’n rigide indeling. Daarom is Macfarlanes toverformule van nest en ei tot zang en vliegvermogen zo geniaal. Het is alsof de vogels zelf hem hebben ingefluisterd: geef ons het wonder van ons bestaan terug, niet dat eeuwenoude harnas van Linnaeus. Dit alles vangt Het vogelboek in een gloednieuwe taal vol binnenrijm, assonantie, alliteratie en beeldspraak. Maar het is geen lukrake verbazing of vrijblijvende lyriek, integendeel, de aanleiding vormt juist pijn, verlies en gemis, zoals Macfarlane betoogt in het ‘Voorwoord’: „Het luchtruim wordt steeds leger. In Noord-Amerika zijn er drie miljard vogels minder dan een halve eeuw geleden. In Europa vijfhonderd miljoen minder. In Groot-Brittannië drieënzeventig miljoen minder. Wereldwijd neemt ongeveer de helft van de vogelsoorten in aantal af. Wat gewoon was, wordt zeldzaam (…) Bij zonsopgang en in de lente is het stiller, de lucht is minder drukbevolkt. Het oeroude vogelorkest valt stil. Een bijna onvoorstelbare overvloed gaat verloren.”
De geelgors (Emberiza citrinella).
In een passage als deze herkennen we natuurschrijver Robert Macfarlane (1976) die sinds zijn debuut Hoogtekoorts (2003) met een indrukwekkende reeks boeken als De laatste wildernis, De oude wegen en Leeft een rivier? een briljante combinatie maakt van cultuur- en landschapsgeschiedenis. Samen met kunstenaar Jackie Morris (1961), die woont en werkt aan de kust van Wales, stelde hij The Lost Words (2017) samen over woorden uit de natuur en het landschap die we dreigen te vergeten of al helemaal vergeten zijn. Dat kan ons ook met vogels overkomen: als bijvoorbeeld de veldleeuwerik verdwijnt, verliezen we met de vogel óók zijn naam en begrijpen volgende generaties niet langer de uitdrukking ‘zingen als een leeuwerik’. Of neem de ijsvogel, een edelsteen van kleurenschittering. Waarom heet de vogel zo? Hoe beschrijf je zijn iriserende blauwe kleed? Zo dus: „De zon werkt als een vonk en – woeoeoesjjj! – blauwe lont steekt de hemel in de hens, zet de lucht in lichterlaaie, schroeit het oog, trekt een streep in het water van een beek. (-) Dat ijsblauw, dat mandarijnoranje: ijsvogel is simpelweg misplaatst in een land van matbruin en -groen.”
De negenenveertig vogels uit dit boek staan alle op de Rode Lijst van met uitsterven bedreigde soorten. We raken ze kwijt. Van sperwer tot goudvink, van koekoek tot bosuil, zelfs huismus, visdief, kievit, spreeuw, veldleeuwerik en gierzwaluw: ze verdwijnen uit onze bossen, steden, akkers, wateren en heuvels. Misschien zijn we er al aan gewend, want afwezigheid laat zich moeilijk in kaart brengen, ‘afglijdingsgewenning’ noemt Macfarlane dat, de stille hemel is ons bijna vertrouwd geworden. Het schokkende is dat de dreigende uitsterving niet de zeldzaamheden betreft, soorten die in traditionele gidsen staan vermeld als ‘zeer zeldzaam’ of zelfs ‘zeer zeer zeldzaam’ (afgekort tot ‘zzz’), maar het zijn de kwetsbare vogels die we dagelijks waarnemen, die deel uitmaken van onze leefwereld. Zonder hen staat ons de vogelarme lucht te wachten, of sterker nog, die is er al. Als we ons niet langer over vogels kunnen verbazen en we ze niet meer benoemen, verdwijnen ze ook uit ons wereldbeeld. Daarom willen Macfarlane en Morris de vogels ‘tevoorschijn toveren’ als uiting van verwondering, en verwondering leidt tot kennis, zorgzaamheid en hopelijk bescherming.
De koekoek (Cuculus canorus).
De illustraties zijn evenals de vogels kostbaarheden. Morris plaatst de vogels vol levendigheid en beweeglijkheid tegen een goudgele achtergrond als juwelen. Ze zijn bijna aldoor in de vlucht afgebeeld, zelden in rust, zoals in gangbare veldgidsen. Hierdoor wervelt en leeft dit boek, het is geen statische galerij met gestileerde prenten of levenloze foto’s maar een bezielde vogelwereld vol vleugelslag. Het gaat er niet om wélke vogel het is, maar wíe de vogel is. Dus niet slechts determineren maar versteld staan van de schoonheid van een vogel in het wild, zijn gedrag, de verhalen rondom een soort, de poëzie van een zingende, vliegende, broedende of baltsende vogel. Wat maakt een nachtegaal tot nachtegaal, roerdomp tot roerdomp? De vogelaars van nu bedienen zich van tal van digitale middelen, zoals apps, die de soort razendsnel determineren waardoor ze die moeiteloos kunnen ‘afvinken’. Zij verzamelen eerder waarnemingen dan dat ze écht naar vogels kijken en luisteren.
In zijn teksten vereenzelvigt Macfarlane zich met vogels. Hij laat de bosuil op zijn ‘uils’ praten, kraaiachtigen als de roek noemt hij ‘babbelzieke barden’ en het prrrr-proeproe, prrrr-proeproe van de zomertortel klinkt als een „spinnende, sussende, lome weeklacht”, een lied „zacht en troostrijk als room, om overdag bij te soezen, een doezelig middaguurslaaplied, een siëstadroom.” Juist als je je laat meevoeren door deze woorden, noteert Macfarlane een inktzwarte schaduwzijde: „Vandaag de dag schieten jagers elk jaar – boven Frankrijk, Italië, Spanje, Malta – een slordige drie miljoen tortels overhoop.”
Nico Groen, vaste vertaler van Macfarlane, vindt voor deze eigenzinnige vogeltaal de juiste, sprekende equivalenten vol rijm, klank, metrum, assonantie. De vertaling is rijk aan cultuurhistorische verwijzingen en trefzeker qua ornithologische kennis. De behulpzame tabel aan het slot heeft toch iets van een determineergids; dat maakt het compleet. Opvallend vaak beschrijft Macfarlane groepen vogels, zoals spreeuwenzwermen in ‘de grootste show op aarde’, mussen als een ‘boevenbende’, huiszwaluwen die ‘met honderden tegelijk’ in de lucht een ‘tapijt’ weven en papegaaiduikers die samengepropt nestelen op kliffen tussen ‘oorverdovend gesnater’.
Om te overleven hebben vogels elkaar nodig. Zang noemt hij niet voor niets een ‘vogelorkest’. Ook het samenspel tussen vogel en mens beziet hij vanuit het vogelperspectief, bijvoorbeeld bij genoemde huismus als toonbeeld van vogelmirakel – hoe alledaags en gewoon – en helaas van verlies: „Als je ze leert zien: neem de tijd om ze te bekijken, want met huismussen dichtbij ben je nooit alleen. We zijn al duizenden jaren buren, ze broeden, voeden zich overal om ons heen, en andersom. Maar tegenwoordig slinkt hun aantal langzaam; het wordt stil in stadstuin en op boerenerf, geen vinnig gekibbel, geen snedige repliek. We hebben het land strakgetrokken, met veel geweld: bermen bespoten, insecten gedood, gaten gedicht, bomen in straten geveld.”
Het is alarmerend, hoe lyrisch tekst en beeld ook zijn. Vogels hebben het zwaar. Nog altijd worden zang-, trek- en roofvogels door plezierjagers bij miljoenen uit de lucht geschoten. Biotopen en broedgebieden verdwijnen, er is geen beschutting, vogels raken ontheemd, breekbare schepselen die hun leven moeten slijten „te midden van onze barbarij”.
De roek (Corvus frugilegus).
Deze liefdesverklaring aan de vogelwereld kent ook humor. Vrijwel iedereen kent het waterhoen (Gallinula chloropus), een wat onopvallende vogel van waterpartijen. Lees eens het ‘datingprofiel’ dat Macfarlane aanmaakt: „Uiterlijke kenmerken: Goed gekleed. Denk landjonker; lage adel uit achterafgraafschap. Onnutte oranje kousenband. Groene knieën, gele poten. Mooie rode snavel met gele punt: zijn mijn kleuren fel, dan ben ik gezond en wel.” Het waterhoen zoekt: „Vrouwtje voor wandelingen in de natuur, om zomp te trappen, voor zwem- en peddeltochtjes. Wie weet later een legsel spikkeleieren in het riet, dan een sliert kuikens, een heel zootje, een dozijn donzige bolletjes op dunne groene pootjes.”
Dit waterhoense, hartveroverende profiel is symbolisch voor dit wonderschone vogelboek: eerst een nest van spikkeleieren en dan een trits jongen, als dat zou kunnen voor alle bedreigde soorten kan het tij misschien gekeerd worden. Raken nesten vol eieren, vliegen jongen uit. Als vogels verloren gaan, in al hun pracht, gaat er ook veel voor mensen verloren: verhalen, taal, schoonheid, liedkunst, vogeltrek. Of, in de woorden van Macfarlane: „Ze rijgen de delen van de wereld aaneen: aarde aan lucht, rivier aan bos, berg aan zee, land aan land, halfrond aan halfrond. Zonder vogels valt alles in losse delen uit elkaar.”