Home

De arts ging in een ander kamertje ‘het beste zaad eruit centrifugeren’ en insemineerde vervolgens de moeder van Cas Reijnders met het zaad van een vreemde donor

Cas Reijnders | podcastmaker Met een impulsieve dna-test dacht journalist Cas Reijnders misschien op Italiaanse roots te stuiten. In plaats daarvan bleek hij een donorkind en onderdeel van een schandaal rond een frauderende fertiliteitsarts. „Ik heb 35 jaar gedacht dat ik qua karakter op mijn vader leek: ineens klopte dat niet meer. Ik dacht: wie ben ik dan nog?”

Cas Reijnders.

Eén jeugdfoto was altijd zijn favoriet: een foto die was genomen tijdens een eerste bezoek aan het historische Museumpark Archeon. Cas Reijnders was acht jaar oud en had zojuist zijn mede-ridders ontmoet, levend en wel. Mannen in plaatpantser die geheimzinnige vragen stelden. „Wie zijt gij?” en „Komt gij met goede bedoelingen?” Dat moment werd vastgelegd. Reijnders was getooid in een felrode cape en hield strijdvaardig een plastic zwaard in de lucht. Een helm, ook van plastic, schuin op z’n hoofd.

Het was deze foto die Reijnders voor het eerst aan het huilen bracht, nadat hij had ontdekt dat zijn vader niet zijn biologische vader was, maar dat hij met behulp van een anonieme donor was verwekt. „Vanaf toen zag ik een kind dat een geheim met zich meedroeg. De onschuld was weg.”

Reijnders’ jongere zus Simone bleek ook van een donor afkomstig – een andere. Alleen hun oudere zus Julieke had het dna van hun beide ouders.

Falende fertiliteitsindustrie

Journalist Cas Reijnders (35), eerder redacteur van de podcast NRC Vandaag, maakte samen met NRC-redacteur Kim Bos de podcast Koekoekskind. In vijf afleveringen bespreken ze niet alleen het persoonlijke verhaal van Reijnders, maar ook hoe gynaecologen jarenlang hun eigen sperma, of ander dan het afgesproken zaad, voor vruchtbaarheidsbehandelingen gebruikten. Want het verhaal van Reijnders is ook het verhaal van het systemisch falen van de fertiliteitsindustrie.

„Ik was naïef”, zegt Reijnders meermaals tijdens het gesprek dat we bij hem thuis in de Amsterdamse Pijp voeren. De ontdekking dat hij een donorkind was, ‘een koekoekskind’ en dus niet van de ‘opvoedvader’, is het diapositief van wat in het Archeon gebeurde. Toen leek fantasie werkelijkheid, nu bleek de wereld die hij meer dan dertig jaar voor werkelijk had gehouden, niet waar.

Toch is ‘naïef’ te sterk gesteld. Te negatief. Alsof hij dit door beter nadenken had kunnen weten.

Wat misschien wel wat ondoordacht was, was het gemak waarmee Reijnders wangslijm naar de internationale dna-bank MyHeritage stuurde. Want zo begon het: de coronatijd was net voorbij, zijn relatie was over en hij besloot elke maand „iets geks” te doen. Hij ging bijvoorbeeld op Italiaanse les en toen leek het hem „wel grappig” om uit te zoeken of hij „toevallig Italiaanse roots” had. Reijnders heeft donker haar, donkere ogen, houdt van espresso, dus ja: best mogelijk, toch?

Wat hij terugkreeg van MyHeritage was een e-mail, waarin stond dat dat niet het geval was. Er stond wel iets anders. „Ik had er niet bij stilgestaan dat ze behalve genetische herkomst ook familiebanden laten zien”, vertelt Reijnders. „Familieleden die ook ooit zo’n test hebben gedaan staan er met naam bij.” Hij bleek een halfzus te hebben. Zijn eerste gedachte? „Mijn vader is een keer vreemdgegaan, maar ik vond het ongemakkelijk om het bij mijn ouders op te brengen.”

Dus liet Reijnders het rusten, gebruikte het hooguit als „grappig verhaal bij dates” en pas drie jaar later, toen hij met zijn twee zussen uit eten was, vertelde hij erover. „Dan heb je het over vroeger. Je gezamenlijke jeugd. Wat je hebt gemist. Toen dacht ik, ja, ik moet toch een keer die halfzus laten vallen.”

„Mijn zussen zeiden: die dna-testen zijn niet fout. Vrienden hadden me daar ook al voor gewaarschuwd.”

Een paar maanden later stuurden Julieke en Simone ook erfelijk materiaal naar de dna-databank.

Toen werd het pas echt verwarrend.

Julieke (43), de oudste, opende als eerste haar mail. Wat bleek: Cas en Simone waren haar halfbroer en halfzus.

Daarna las Simone (33) haar mail voor. Er stond dat ze naast Julieke en Cas nog acht halfbroers en halfzussen had, maar de halfzus van Cas stond daar niet bij. Reijnders: „Toen dachten we, oké, het moet iets met donatie te maken hebben. Je hebt niet zomaar zoveel siblings.”

Cas Reijnders als kind als ridder.

Kort daarop zijn jullie naar je ouders gereden om erover te praten. Je had toen al besloten er een podcast van te maken, het gesprek met je zussen had je ook al opgenomen. Waarom?

„Die dna-databanken waren in het nieuws, want onlangs was zo’n bedrijf failliet gegaan en op de redactie werd de vraag gesteld: wat zouden ze doen met de gegevens? Toen had ik ook nog het idee dat ik ging onthullen dat die databanken onbetrouwbare informatie gaven. Ik was ervan overtuigd dat het niet klopte.”

Zo’n microfoon op tafel schept afstand. Deed je dat bewust?

„Ja. Nou. Het werd voor mij daardoor wel een soort van werk. Toen Julieke en Simone hun mails openden, kwam het nog niet echt bij me binnen – misschien wilde ik dat ook niet. Ik had er nooit aan getwijfeld of zij wel mijn echte zussen zouden zijn, nooit gedacht dat mijn ouders niet mijn echte ouders waren.”

Jullie dachten: onze ouders hebben gebruikgemaakt van donatie, maar dat ons nooit verteld.

„Dat leek het meest logische scenario. Simone en ik wisten al dat we in een kliniek waren verwekt, omdat het allemaal wat moeilijker ging. Daarbij was het zaad van mijn vader gebruikt. Maar wij dachten inmiddels: misschien was mijn vader wel onvruchtbaar en hebben ze daarover gelogen. Wat in die tijd normaal was, hè. Artsen drukten ouders op het hart om het vooral aan niemand te vertellen.”

Maar je ouders bleken van niets te weten.

„Daar waren we het bangst voor. Goed, het was fijn dat ze niet al die jaren hadden gelogen, maar nu was het ook voor hen een enorme schok.”

„Mijn moeder wist nog precies hoe het was gegaan. We woonden in Helmond en ze waren naar de kliniek in Gemert gegaan. De gynaecoloog heette Henk Ruis, mijn moeder noemde die naam meteen. Ze zei: ‘De wachtkamer zat vol, iedere keer weer.’”

Ruis was een ‘hartstikke aardige man’ herinnerde ze zich, zijn vader vond hem ‘uiterst correct’. Ruis had gezegd: ‘We gaan het regelen, geen enkel probleem.’

Dus reden Reijnders’ ouders met het zaad naar de kliniek. Ruis ontving hen, verdween in een aangrenzende kamer om ‘het beste zaad eruit te centrifugeren’ – dit is de black box van dit verhaal – en toen hij terugkwam, insemineerde hij de moeder van Cas.

Met het zaad van een andere donor.

Wanneer ze het verhaal van hun kinderen horen, denken de ouders van Reijnders aanvankelijk: het was per ongeluk. Misschien bevatte de centrifuge nog ander zaad, misschien was het rietje niet goed schoongemaakt. Ook Reijnders zelf heeft moeite om van opzet uit te gaan.

Maar in 2022 kwam Henk Ruis in het nieuws, toen bleek hij met eigen sperma had geïnsemineerd. „Een totale verrassing”, reageerde hij destijds. Samen met artsen als Jan Wildschut en Jan Karbaat werd Ruis een van de frauderende gynaecologen die afgelopen jaren in het nieuws kwamen. Historicus Adriejan van Veen, die onderzoek doet naar fertiliteitsfraude, noemde het deze maand in NRC ‘een systeemfenomeen’.

Kunstmatige inseminatie met donorzaad was altijd al een ethisch en religieus gevoelig thema, waar de politiek zich niet aan wilde branden. In de jaren zestig werd het aan artsen overgelaten, met alle gevolgen van dien. Sinds 2004 is anoniem doneren verboden en kwamen dit soort praktijken, voor zover bekend, niet meer voor – al kampt de fertiliteitsindustrie nog steeds met problemen. Denk alleen al aan de massadonoren met meer dan 25 nakomelingen, wat tot 2018 als het maximale aantal gold.

„Ik kende de berichten over sjoemelde artsen zoals iedereen die waarschijnlijk kent”, vertelt Reijnders. „Je leest ze, maar je bent er niet mee bezig. En toen ineens was ik onderdeel van een schandaal. Ik dacht: dit is veel meer mensen overkomen zonder dat ze het weten.”

„Toen ben ik er journalistiek ingedoken, terwijl ik tegelijkertijd moest verwerken dat mijn vader niet mijn biologische vader was. Ik heb 35 jaar lang gedacht dat ik qua karakter op hem leek, dat ik dat laconieke, die droge humor van hem had, en opeens klopte dat niet meer. Ik dacht: wie ben ik dan nog?”

Wat was je overheersende gevoel?

„Verdriet. Het is één groot rouwproces. Ik moest afscheid nemen van dat naïeve riddertje.”

Op een zeker moment krijg je telefonisch contact met Ruis. Wat verwijt je hem?

„Ik ben kwaad op hem, maar het is dubbel, omdat… en dat zegt ook iedereen… anders was ik er niet geweest. Dan had hier iemand anders gezeten.”

Dat is het dilemma van alle donorkinderen die sjoemelend ter wereld kwamen: de arts of donor afkeuren, is – in zekere zin – zichzelf afkeuren.

„Precies, dus ik moet me er misschien maar een beetje bij neerleggen.”

Kreeg je van Ruis duidelijkheid over wat er was gebeurd?

„Hij gaf alleen vage antwoorden, net als alle artsen die fouten hebben gemaakt en ernaar gevraagd worden. Ze draaien eromheen, ontkennen. Ruis heeft het over ‘kruisbesmetting’, een ‘vieze pipet’.”

Geloof je dat?

„Dat vind ik echt lastig. Ik heb heel lang geloofd, ja, in zijn goedheid. Hij was bijvoorbeeld een van de eerste artsen die lesbische stellen hielp. In die zin geloof ik wel in z’n goede intenties.”

Cas Reijnders.

Maar in jouw geval?

„Ik geloof inmiddels dat hij het bewust heeft gedaan, maar zich nu erg van de domme houdt.”

„Dat begrijp ik gewoon niet, dat hij geen excuses maakt, dat het hem niet lukt om te zeggen: met voortschrijdend inzicht weet ik nu dat ik het niet had moeten doen. Terwijl dat eigenlijk het enige is wat ik wil horen, denk ik.”

Via Stichting Fiom, gespecialiseerd in afstammingsvragen, heb je gehoord dat je ten minste nog 25 halfbroers en halfzussen hebt. Ze hadden ook een match met de donor.

„Ze zeiden: ‘De donor staat in principe open voor contact.’ En: ‘We kunnen je meer vertellen, maar je moet aangeven of je dat wil.’ Toen zei ik vrij snel: het is wel even goed zo.”

Je wilde geen contact?

„Nee, ik wilde dat mijn vader gewoon mijn vader was. Verder verwijt ik de donor niet zoveel, ik heb er gewoon geen behoefte aan. Misschien later.” 

Je hoort vaak dat in dit soort zaken schaamte een rol speelt. Had jij daar last van?

„Nee. Maar mijn moeder wel. Ze voelde zich persoonlijk aangetast, wat ik wel begrijp. In rechtszaken hierover in de Verenigde Staten wordt vaak over sexual harassment gesproken. Wat mijn moeder vertelde, deed me een beetje denken aan de schaamte van mensen die werden verkracht. Ze zei al gauw: ik ga het tegen niemand zeggen.”

En dan kom jij met een podcast…

„Ze is daar nu oké mee hoor, maar het heeft lang geduurd voordat ze het aan vriendinnen vertelde.”

Afgelopen 8 mei was er een avond in De Rode Hoed over jullie podcast. Je vader zei daar: „Je kan het niet afsluiten, we moeten dit met ons meedragen.”

„Ik vond dat een bijzonder moment. Lang heb ik me afgevraagd of het wel tot hem doordrong, die avond zei hij echter heel duidelijk: we moeten ermee dealen, maar voor mij zijn jullie mijn kinderen. Hij zei ook dat we een hechter gezin zijn geworden. Dat vond ik mooi om te horen.”

Denk je weleens: had ik mijn wangslijm maar nooit opgestuurd?”

„Zeker. Ik denk dat ik dan prima gelukkig was geweest.”

Geneeskunde en farmacie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next