Dat Brugge overloopt van de toeristen dankt het aan de rijkdom uit de middeleeuwen. Een splinternieuwe kunsthal toont de bijzonderste schatten uit die tijd – plus het al even bijzondere verhaal erachter.
schrijft voor de Volkskrant over tentoonstellingen, musea, kunst en geschiedenis.
‘Het is net een sprookje: die plek, die kerken... gotisch, toch?’ Een huurmoordenaar heeft zijn baas aan de telefoon. Die eerste, een vriendelijk ogende Ier van middelbare leeftijd, is naar Brugge gestuurd, maar hij weet nog niet waarom. Een jongere collega moest met hem mee. ‘Heeft hij het naar zijn zin?’, wil de baas weten. ‘Met naar de grachten kijken en zo?’
‘Nou, ík heb het naar mijn zin’, zegt de huurmoordenaar. ‘Ik weet niet zeker of het iets voor hem is.’ Eerder die dag, op sightseeingtour door het historische centrum, is zijn jongere collega als een mokkend kind achter hem aan gesloft. Bah, cultuur.
‘Wat bedoel je?’, klinkt het verontwaardigd in zijn oor. ‘It’s a fairy tale fucking town!’
Als de huurmoordenaar zich herpakt, liegt dat de jongen het prachtig heeft gevonden, wordt hem langzaam duidelijk waarvoor hij hier is. En wie zijn volgende doelwit is.
Toch wel tragisch om een collega te moeten omleggen, ook al heeft die een opdracht verprutst. Daarom heeft de baas hen naar Brugge gestuurd: als laatste goede daad. ‘Ik zou graag nog eens naar Brugge gaan voordat ik sterf’, verzucht die.
Ach Brugge, dat pittoreske, West-Vlaamse stadje met die middeleeuwse straatjes. Zelfs volgens moordenaars een must-see, aldus de komische film In Bruges (2008). Het Venetië van het noorden wordt het ook wel genoemd. Een toepasselijke bijnaam, en niet alleen om de goeiige grachtjes. De stad loopt over van toeristen.
En nu is er een splinternieuwe trekpleister. Midden in het historisch centrum is Brusk verrezen, de langverwachte kunsthal van Musea Brugge. Die organisatie, waarbij dertien musea zijn aangesloten, heeft daarmee eindelijk ruimte voor ambitieuze bruikleententoonstellingen. Zoals het net geopende Breedbeeld, over dé bloeiperiode van de stad, zo bepalend voor dat schilderachtige karakter: de middeleeuwen.
Met kunstvoorwerpen, archeologische vondsten en historische documenten uit de periode van 900 tot 1550 laat deze indrukwekkende tentoonstelling zien: in de middeleeuwen was Brugge niet de pittoreske provinciestad die het nu is, maar een bruisende, internationale metropool.
Al vanaf het ontstaan van Brugge, een stadsnaam die halverwege de 9de eeuw voor het eerst opdook, trok de plek mensen van buiten aan. Cruciaal was de ligging aan het water. Hoewel Brugge een stukje verwijderd ligt van de kust, tegenwoordig zo’n 12 kilometer, raakte het omringende gebied in de vroege middeleeuwen regelmatig overstroomd. Natuurlijke getijdengeulen reikten tot aan de zandrug waarop de stad zich ontwikkelde. Nieuwsgierigen vanaf de Noordzee vonden al snel hun weg daarnaartoe – Bryggja is het Oudnoorse woord voor ‘aanlegplaats’.
Een natuurramp zou Brugge’s zegen blijken. Door een hevige vloedgolf in 1134 ontstond het Zwin, een nieuwe, diepe zeearm die de stad nog beter met de zee verbond. Door de goede bereikbaarheid en tactische ligging ontwikkelde Brugge zich tot een internationaal handelsknooppunt, een wereldstad.
‘De internationale handel omarmde Brugge met zijn tentakels en slokte het op met huid en haar’, schreef Bart Van Loo in zijn bestseller De Bourgondiërs (2019).
Vanuit de Duitse Hanzesteden kwamen er kooplieden met voedsel en grondstoffen, vanaf de Middellandse Zee namen Italianen specerijen en luxeproducten mee. Engelsen brachten wol, zo cruciaal voor de bloeiende Vlaamse lakenindustrie. Die Vlaamse lakens, al dan niet verwerkt tot duurzame kledij, verkochten de Bruggelingen dan weer door.
‘Alle naties ter wereld houden zich warm door Engelse wol die Vlamingen tot lakens weven’, noteerde de Engelse monnik Matthew Paris in zijn 13de-eeuwse Chronica Majora.
Rond 1300 woonden er misschien wel vijftigduizend mensen in Brugge, wat de stad tot een van de grootste van Noord-Europa maakte. Buitenlandse kooplieden kwamen met honderden tegelijk, sommigen bleven langere tijd. Ze verenigden zich in ‘natiehuizen’ en kregen voorrechten van het stadsbestuur. Het laat zich raden wie zich ooit aan de Spanjaardstraat vestigden.
De sporen van die internationale aanwezigheid zijn terug te vinden in de grond. Op de tentoonstelling in Brusk zien we een Toscaanse kan, met bolle buik en kobaltblauwe bloemen, teruggevonden in de beerput van het Spaanse Natiehuis. Zulk luxekeramiek was populair in middeleeuws Vlaanderen – bijna precies zo’n kan schilderde de Vlaamse meester Rogier van der Weyden op de achterzijde van zijn Bladelintriptiek (circa 1445).
Via handelaren op de Middellandse Zee kwamen er ook spullen uit Afrika en zelfs van diep in Azië naar Brugge toe. Vanaf daar werden ze weer verder verspreid, maar ook gebruikt in de stad zelf, bewijzen lokale archeologische vondsten.
Zoals die kleine, bruine, onherkenbare stukjes stof die zorgvuldig uitgelicht in een vitrine liggen. Het blijken zijdefragmenten, materiaal dat vanuit China via de zijderoute naar de kust van de Middellandse Zee is gebracht. Daar is het opgepikt, in Italië of Spanje verwerkt en vervolgens in Brugge terechtgekomen. Inmiddels zijn het onooglijke lapjes.
Een groot contrast met de prachtige stoffen die iets verderop zijn te zien. Zoals de zwartfluwelen panden van een kazuifel, een bruikleen uit Brussel, waarin met rode en gele zijde en zilver- en gouddraad een zwierig patroon van bloemen is geweven. De stof is gemaakt in het Ottomaanse Rijk, waarna het in West-Europa in een vroeg 16de-eeuws priestergewaad belandde.
Fascinerend zijn die kunstwerken waarin culturen samenvloeien, en het schitterendste voorbeeld in de tentoonstelling is wel het reliekenkistje uit het Musée de Cluny in Parijs. In het 12de-eeuwse, Noord-Franse edelsmeedwerk, vol gouden krulletjes en kleurrijke edelsteentjes, zijn vier bergkristallen plaatjes met ingegraveerde antilopes geplaatst. Die zijn weer vervaardigd in Egypte, twee eeuwen voordat ze in Frankrijk een religieuze bestemming kregen.
Relieken verdienden de mooiste omhulsels, want ze waren buitengewoon belangrijk in middeleeuws Europa. Mettertijd verzamelde de stad Brugge een omvangrijke collectie, variërend van splinters van het Heilige Kruis tot het hele lichaam van een heilige bisschop (Sint-Donatianus). Maar het beroemdste is wel het Heilig Bloed van Christus, waarvoor al sinds 1291 processies door de Brugse straten trekken. Niets beter voor je stadsimago dan een goed reliek.
Brugge was als een magneet, niet alleen voor handelaren en pelgrims, maar ook voor kunstenaars. Rijke opdrachtgevers te over in de bruisende stad, die graag hun prestige demonstreerden met kunst. Er werd allerlei mooi spul gemaakt, zoals wandtapijten, edelsmeedkunst en geïllustreerde manuscripten, maar bovenal op het gebied van de paneelschilderkunst gebeurde er iets bijzonders in Brugge. En dat kwam door Jan van Eyck.
Weinig is zeker over Van Eycks vroege leven, maar waarschijnlijk kwam hij uit Maaseik, in de buurt van Maastricht. Vanaf 1425 kwam hij geregeld in Brugge, zeven jaar later kocht hij er een huis. Niet veel later trouwde hij met Margareta. Op de tentoonstelling zien we het uiterst gedetailleerde, ogenschijnlijk natuurgetrouwe portret dat Van Eyck van haar schilderde.
Zijn clientèle kwam uit de elite van de stad, en hij schilderde voor Filips de Goede: de hertog onder wie het Bourgondische Rijk een hoogtepunt bereikte, en die Brugge misschien wel beschouwde als zijn lievelingsstad.
Filips bewonderde de schilder ten zeerste. Dat blijkt wel uit een brief die hij ooit schreef, toen een van zijn ambtenaren treuzelde om Van Eycks jaarloon te betalen. ‘We zullen nooit nog zijn gelijke vinden’, drong de hertog aan, ‘zo uitstekend in zijn kunst en wetenschap.’
Van Eyck verwierf internationale roem. In Italië schreef de historiograaf en humanist Bartolomeo Fazio in 1456 dat hij als een van de meest vooraanstaande schilders van zijn tijd werd beschouwd. Maar het beroemdste citaat over Van Eyck dateert van een eeuw later, toen kunsthistoricus Giorgio Vasari hem uitriep tot de ‘uitvinder van de olieverf’.
Dat klopt niet helemaal – olieverf werd al door eerdere schilders gebruikt – maar Van Eyck perfectioneerde het middel wel. Hij gebruikte siccatieven, die de droogtijd van de verf aanzienlijk versnelden, waardoor die veel handelbaarder was dan voorheen. Penseelstreek na penseelstreek bracht hij aan, hij experimenteerde met doorschijnende lagen verf.
Mede door deze techniek, en door zijn buitengewone aandacht voor lichtinval, ontwikkelde Van Eyck een revolutionaire schilderstijl. Elk materiaal kon hij realistisch weergeven, of het nu ging om pluizig bont, gerimpelde huid, glimmende juwelen of zelfs een bolle spiegel.
Op zijn beroemde dubbelportret van de Italiaanse textielhandelaar Giovanni Arnolfini en zijn vrouw Constanza Trenta is zo’n spiegel te zien, achter het piekfijn uitgedoste echtpaar, aan de wand van hun Brugse woning. En midden in die reflectie, piepklein, zien we ook de schilder. Hij was een zelfverzekerd man, die Van Eyck, een van de eerste kunstenaars die zijn werk signeerde.
Zijn vernuft vloeide niet enkel voort uit zijn genie, stelt de tentoonstelling; hij werd geholpen door kennis uit Arabische teksten, die via Latijnse vertalingen Brugge bereikten. Zoals over alchemie, een vorm van wetenschap die draaide om het begrijpen en transformeren van stoffen. In die context kunnen we Van Eycks experimentele verfgebruik begrijpen, suggereert de expositie: vlak bij zijn Portret van Margareta van Eyck liggen lokale archeologische resten van alchemietoestellen.
En dat Van Eyck zo geweldig licht kon schilderen, zelfs wist hoe het vervormde op een bolle spiegel, komt mede door zijn uitstekende kennis van de optica. In de late middeleeuwen kwam de belangrijkste tekst over deze wetenschap, die zich bezighoudt met de verschijnselen van het licht en de waarneming daarvan, van de Arabische wetenschapper Ibn al-Haytham. We zien objecten doordat lichtstralen erop worden weerkaatst, schreef hij begin 11de eeuw – destijds een revolutionair inzicht. Mogelijk las Van Eyck zijn tekst in vertaling, of die van een navolger.
En zo slopen er invloeden vanuit het Oosten de Brugse kunsten binnen. Soms gebeurde dat subtiel, indirect, zoals bij Van Eyck, maar het kon ook een stuk duidelijker. Zoals toen er een hoge kapel in de stad verrees, met achthoekige toren, bolvormige spits en Jeruzalemkruis bovenop. Iets van een middeleeuwse fantasie heeft hij wel, deze ‘oosters’ aandoende Jeruzalemkapel.
Eind 15de eeuw liet de Brugse koopman Anselm Adornes zijn familiekapel ombouwen, als herinnering aan de Heilig Grafkerk in Jeruzalem. Want die plek, waar Jezus was gekruisigd en begraven – het allerheiligste stukje grond van het christendom, had Adornes zelf bezocht. Hij had er zelfs twee nachten mogen slapen, aan het einde van zijn bedevaart.
Van die tocht is een fascinerend reisverslag overgebleven. Geschreven door Jan Adornes, die vanaf Italië, waar hij studeerde, met zijn vader was meegereisd naar Palestina. Hun route liep via Egypte, waar ze, wellicht als twee van de eerste West-Europeanen, de piramides bezochten, en vermoedelijk zelfs binnengingen. ‘Er wordt gezegd dat het graanschuren waren’, schreef zoon Adornes, ‘maar wij denken dat het graftombes zijn.’
Pelgrimstochten waren populair in middeleeuws Europa. Op de tentoonstelling ligt een opengeklapt, 15de-eeuws getijdenboek uit Brugge, waar op één pagina 23 pelgrimsinsignes zijn ingenaaid. Souvenirs van heilige plaatsen, verzameld door een reiziger. Had deze middeleeuwer nu geleefd, dan had-ie misschien treinkaartjes en museumtickets in een boekje geplakt.
Lokale heiligdommen werden druk bezocht, maar ook verdere tochten werden ondernomen. Was je route lang, zwaar en hobbelig, dan was dat alleen maar goed: zo deed je boete voor je zonden. Een bezoek aan Jeruzalem stond het hoogst in aanzien, met het Heilig Graf als de ultieme bestemming. Tegelijkertijd was dit, voor een Bruggeling althans, de moeilijkst te bereiken plek.
Had je dus succesvol die reis naar en van het Heilig Graf ondernomen, dan kon het geen kwaad dat feit bij thuiskomst eens stevig te onderstrepen. Met een Jeruzalemkapel, bijvoorbeeld.
Het is een indrukwekkend gebouw. Midden in de ruimte staat het eeuwenoude praalgraf van Anselm Adornes, daarachter bevindt zich het altaarstuk: een natuurstenen reliëf van de berg Golgotha, inclusief uitgehouwen passiewerktuigen. Daal je af naar de crypte, en gluur je achter een smeedijzeren hekje in een nis, dan zie je een meegenomen splinter van het Heilige Kruis. Uiteraard fraai verwerkt in een vergulde reliekhouder.
Ga je naar de Jeruzalemkapel, dan zie je ongeveer hetzelfde als een middeleeuwer ooit zag. Voor een groot deel van de rest van ‘middeleeuws’ Brugge geldt dat dan weer niet. Vanaf de 19de eeuw zijn er een boel gebouwen neergezet of opgeknapt in neogotische stijl – alsóf ze middeleeuws zijn, dus. Vooral stadsarchitect Louis Delacenserie had daarin een groot aandeel, een man die een beetje fantasie niet schuwde. Onder meer het Provinciaal Hof aan de Grote Markt gaf hij een imposant, neogotisch uiterlijk, en ook de bovenkapel van de Heilig-Bloedbasiliek nam hij onder handen, waardoor dat er nu middeleeuwser dan middeleeuws uitziet.
Ach, wat maakt het ook uit. Echt of nep, de stad is sprookjesachtig. En al die kronkelende straatjes en schattige kanaaltjes, die zijn meestal wél authentiek. Het middeleeuwse stratenplan is goeddeels bewaard gebleven, en dat is tamelijk uniek. Niet voor niets is de hele historische binnenstad Unesco-werelderfgoed. Brugge is voor velen een verplichte culturele stop geworden. En juist zijn ‘ondergang’ in de 16de eeuw heeft de stad daarbij geholpen.
Na eeuwen van grote commerciële en culturele bloei raakte Brugge in korte tijd zijn prominente positie kwijt. Dat had tal van redenen, waaronder politieke conflicten, de razendsnelle opkomst van Antwerpen en het tragische, steeds verder dichtslibben van dat cruciale Zwin. Al in 1590 werd Brugge door een kroniekschrijver omschreven als een stervende stad.
In de 19de eeuw was Brugge zelfs een van de armste steden van België. De industriële revolutie ging grotendeels aan de stad voorbij. Maar mede daardoor, en door het conservatieve, katholieke stadsbestuur, bleef juist dat oude stratenpatroon, en dus dat middeleeuwse karakter bewaard.
‘Brugge was een dode stad, die zelf in het graf lag van haar stenen kades, met haar reien die verkilde aderen waren geworden toen de krachtige hartslag van de zee was gestokt’, schreef Georges Rodenbach in zijn symbolistische roman Bruges-la-morte (1892).
Juist vanwege deze triestigheid trekt de hoofdpersoon, een weduwnaar, naar Brugge toe. Hij zwelgt er in zijn rouw, en doet jarenlang niet veel meer dan wandelingen maken langs ‘eeuwig trieste torens’ en ‘doodse kaden waarlangs het water zachtjes zuchtte’.
Brugge wordt neergezet als een melancholische plek waar de tijd al eeuwen stilstaat. Het is het tegenovergestelde beeld van de bruisende metropool die de stad ooit was.
En juist dit romantische idee sprak mensen aan. Want mede door dit boekje, dat direct succes had en in zeven talen verscheen, begonnen de nieuwsgierigen weer toe te stromen. Tegenwoordig trekt de stad – nu wellicht ook door het spectaculaire Brusk – weer bezoekers aan van overal vandaan. Voor Brugge niets nieuws.
Breedbeeld. Verweven werelden van Brugge 900-1550, Brusk, Brugge, t/m 6/9.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant