In ‘Hope’ raast er íéts door een Koreaans dorp dat een spoor van vernieling achterlaat, maar wat is het? Op het filmfestival van Cannes roemt acteur Michael Fassbender de onnavolgbaarheid van Na’s films: ‘Nooit weet je wat de volgende scène zal zijn.’
schrijft voor de Volkskrant over film.
Een instantcultklassieker, briljante actiescènes, ronkt de een. Ruim tweeënhalf uur is érg lang voor een film die vooral spektakel levert, nuanceert de ander. Tussen de ingetogen arthousefilms die in de hoofdcompetitie van Cannes kans maken op de Gouden Palm, verstoppen de filmfestivalprogrammeurs doorgaans graag iets afwijkends. Een film die botst op al die smaakvolle, genuanceerde cinema waarvoor vanaf het najaar ook in Nederland de filmhuizen weer vollopen. Geschikt om de boel halverwege het festival goed op te schudden.
De afgelopen jaren was deze rol weggelegd voor met genres goochelende en soms diep verontrustende films als Titane (2021), The Substance (2024) en Sirat (2025). Dit jaar is het de film Hope van de Zuid-Koreaanse cineast Na Hong-jin.
De regisseur begint vanaf minuut één in volle vaart. Politiechef Bum-seok in het Zuid-Koreaanse ons-kent-onskustdorpje Hope Harbor onderzoekt een melding van een groepje louche jagers. Hoe zit het met die toegetakelde stier die ze op een landweggetje aantroffen? Zijn die klauwsporen wellicht het werk van een uit Siberië afkomstige en dwars door Noord-Korea overgestoken tijger? Het antwoord op die vragen is nogal wat gekker, uiteraard.
De daaropvolgende drie kwartier zijn een subliem geregisseerd staaltje anticipatie. Bum-seok ziet hoe íéts dwars door een nabijgelegen schuurtje is geraasd, bewapende versterking wordt opgetrommeld. Overal waar Bum-seok vervolgens arriveert, is hij te laat: steeds opnieuw stuit hij op een zalig gedetailleerd vormgegeven ravage. Slimme zet van Na, die zich onder meer liet inspireren door de lang buiten beeld gehouden haai in Steven Spielbergs Jaws: in het hoofd van de kijker groeit het wezen uit tot mythische proporties.
Verklappen wát er na die drie kwartier precies in beeld verschijnt zou zonde zijn, maar de kans is aanwezig dat die verschijning gepaard gaat met een tempo, choreografie en visie die u niet eerder zag. Jager en prooi wisselen daarbij geregeld van rol, terwijl Na de toeschouwer te midden van zijn spektakel uitnodigt om na te denken wie hier het echte kwaad vertegenwoordigt: mens of monster?
Na heeft een naam hoog te houden. Zijn eerdere films The Chaser (2008), The Yellow Sea en vooral The Wailing (2016), een ongrijpbaar genremengsel dat begint als traag en sfeervol moordmysterie en eindigt met hekserij en duiveluitdrijving, laten zich bij voorkeur tijdens het kijken ontdekken.
Die neiging om films van gedaante te laten veranderen is iets Zuid-Koreaans, ben je geneigd te denken. Na’s bekende landgenoten Bong Joon-ho (Parasite) en de dit jaar in Cannes als juryvoorzitter optredende Park Chan-wook (Oldboy) vlochten eerder op vergelijkbare wijze verschillende genres aaneen.
Opvallend is de rol van acteurs Michael Fassbender en Alicia Vikander. Het in het echt sinds 2017 getrouwde sterrenkoppel is op het doek vrijwel onherkenbaar en spreekt een op oud-Mongoolse teksten gebaseerde fantasietaal.
Over de onderscheidende kwaliteiten van ‘regisseur Na’, zoals de filmer op de persconferentie steevast wordt genoemd, is Fassbender duidelijk. ‘De grote westerse blockbusters, ook de goede, bewandelen uiteindelijk toch vaak bekende paden: je weet wat je krijgt. Het onverwachte is steeds meer een zeldzaamheid. Regisseur Na neemt je mee van realisme naar absurde komedie, naar spannende thriller, naar uitzinnige actie. Nooit weet je tijdens het kijken van zijn films wat de volgende scène zal zijn.’
Sociale of politieke thematiek is zo goed als afwezig. Niet plot of karakterontwikkeling, maar beweging, dynamiek, verrassing en overdondering zijn de ingrediënten die de kwaliteit van de film bepalen. Vooruit, Hope speelt zich af aan de Zuid-Koreaanse kant van de gedemilitariseerde zone die Noord en Zuid van elkaar scheidt. Een propagandabord met waarschuwingen tegen ‘spionnen’ en een oproep het land te beschermen tegen ‘infiltratie’ schuiven terloops in beeld. Maar het blijft decor; verfrissend voor het deel van het publiek dat excessief en origineel escapisme óók tot filmkunst rekent.
Een Japanse journalist geeft tijdens de persconferentie niet op. De scènes waarin bewapende burgers in pick-uptrucks het monster onder vuur nemen, roepen bij haar herinneringen op aan de Zuid-Koreaanse volksopstand van 1980 in de stad Gwangju. Massaal verzet tegen het militaire regime van de middels een staatsgreep aan de macht gekomen generaal Chun Doo-hwan resulteerde destijds in een bloedbad. Is Hope niet óók bedoeld als politieke allegorie? Na, met uitgestreken gezicht: ‘Totaal niet.’
Source: Volkskrant