In Kopenhagen valt de afwezigheid van fysieke barrières op, zoals toegangspoortjes; hoe anders is dat in Nederland.
Vorig jaar parkeerden mijn partner en ik in Kopenhagen op een plek die duidelijk verboden was. Vijf minuten maar, en een belachelijk hoge boete. We betaalden die direct, en het bedrag ben ik allang vergeten. Wat bleef was iets onder dat alles: het besef dat dit onze keuze was geweest.
Geen camera die ons betrapte, geen wachter die ons aansprak, geen poortje dat ons tegenhield. De stad ging er gewoon vanuit dat we de borden konden lezen en dat we de consequenties zouden dragen als we ze negeerden.
Het klinkt klein, maar het is de bodem van een land.
Over de auteur
Jeroen Panders is strategisch adviseur.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Kopenhagen is een van de prettigste steden om in te bewegen, en dat heeft niets te maken met grachten of bakstenen. Het heeft te maken met afwezigheid. Er staan nauwelijks fysieke barrières: geen ov-poortjes, geen pasjessluizen, weinig hekken. De stad is ingericht rond de veronderstelling dat je het goed doet, en je wordt aangesproken op de momenten waarop je dat niet doet. Het tempo dat dat oplevert is opvallend menselijk.
Hier doen we het omgekeerd. We ontwerpen op het slechtste scenario en breiden vanuit daar uit. Wat ooit een sticker op een tram was, werd een chipkaart, werd een poortje en werd een betonnen drempel, en elke nieuwe versie ging ervan uit dat de gemiddelde reiziger zou frauderen als hij de kans kreeg. Dus werd die kans weggebouwd.
Het meest verraderlijke aan die poortjes zit in hun ontwerp. Ze zijn van glas, ze openen en sluiten met een zachte beweging, en alles aan ze suggereert dat er eigenlijk niets is. Wie weleens met een kinderwagen of een rolkoffer probeert te passeren weet hoe loodzwaar dat glas is, hoe traag de mechanica, hoe hard de scheiding werkelijk werkt. Het wil niet als hek gelezen worden.
Het probleem is wat je daarmee weggooit.
Vertrouwen is formatief. Een systeem dat ervan uitgaat dat je de juiste keuze zult maken, geeft je ook de ruimte om te voelen wat die keuze kost, en daarmee om burgerschap te oefenen. Een systeem dat die keuze van tevoren wegneemt ontslaat je van het hebben van een geweten, en verwijt je vervolgens dat je er geen hebt.
In de film Two Prosecutors van Sergei Loznitsa wordt die logica doorgetrokken tot het uiterste. Een jonge officier van justitie probeert in 1937 een Sovjet-gevangene te bezoeken die hem een gesmokkelde brief heeft gestuurd. De man heeft het recht zijn klacht in te dienen, de jurist heeft de bevoegdheid die klacht te onderzoeken. En toch wordt het bezoek een tocht van uren: gangen, deuren, sleutels, wachters die zwijgen of weigeren of doen alsof ze niet horen. Wantrouwen heeft een plattegrond.
Loznitsa speelt in 1937, maar bedoelt nu. Dat is wat de film zo onaangenaam maakt om te kijken: hij toont waar deze logica naartoe loopt als je haar volgt. Geen crisis, geen breukpunt. Een aaneenschakeling van kleine ontwerpkeuzes die elk afzonderlijk redelijk leken. Een poortje hier, een controle daar. Het systeem stolt rond een veronderstelling, en op een dag is de veronderstelling de werkelijkheid.
Wat we elke keer verspelen als we voor de poort kiezen, is snelheid. Vrijheid. De cadans waarin een stad haar ritme vindt: dat we elkaars ochtend niet onnodig vertragen, dat een kind dat voor het eerst alleen reist niet meteen leert dat het verdacht is.
De poortjes die er staan zullen voorlopig blijven staan. Voor de poortjes die er nog niet zijn, moeten we eerst de cadans kunnen benoemen die ze stopzetten. Anders bouwen we elk volgend hek op een veronderstelling die we nooit getoetst hebben, en wordt het ritme van een land bepaald door wat het niet meer durft.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant