Het shirt van de (oud-)topvoetballer is big business. Als tussenpersoon voor een reizende collectie kocht voormalig international Stan Valckx onlangs het WK-shirt terug dat hij in 1994 zelf met Romário had geruild. Voor 20 duizend euro.
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Het shirt van de topvoetballer is big business. Hoe ouder het tenue, hoe beter. Gedragen in een belangrijke wedstrijd: pluspunt. Stan Valckx (62), voormalig topvoetballer uit Arcen, weet er tegenwoordig alles van, als tussenpersoon bij het aanwerven van shirts voor een speciale collectie van een reizend museum.
Valckx is oud-international, voormalig technisch directeur bij meerdere clubs, nog steeds amateurvoetballer in Limburg en levensgenieter. En nu is hij benaderd om, als een aanlokkelijke bezigheid tussen de banen door, voor een internationaal rondtrekkende collectie oude voetbalshirts te verzamelen. Uit het niets kreeg hij een telefoontje of hij op zoek wilde gaan naar zeldzame tricots. Hij heeft door de jaren heen een immens netwerk opgebouwd, handig bij het leggen van contacten met voormalige spelers.
Van het een kwam het ander. Valckx benaderde inmiddels al tweehonderd oud-PSV’ers uit alle oorden, en talloze anderen. Het is sowieso mooi om ze weer te zien of te spreken aan de telefoon, zegt hij. Overal ter wereld liggen kasten vol met oude voetbalshirts – zonde, ze kunnen beter een mooie plek krijgen in een museum.
Valckx scrolt door contacten, of hij doet ideeën op als hij oude beelden ziet. Onlangs keek hij toevallig naar een documentaire over AZ, in het seizoen van de halve finale van de Uefa Cup tegen Sporting uit Lissabon, seizoen 2004-2005. Barry van Galen blonk uit. Best een interessante speler: Nederlands elftal gehaald, al was het dan maar één keer. Dan belt hij Van Galen voor zelf gedragen of geruilde shirts. Hij sprak ook met Mark van Bommel; die heeft zo veel shirts dat hij zelf een museum zou kunnen beginnen.
Het reizende museum met de zogeheten ‘Epica’-collectie is van oorsprong Mexicaans en heeft een Amerikaanse investeerder. Richting de vijfduizend shirts zijn al verzameld, die rond het WK worden tentoongesteld in Mexico, en anders ook geregeld te zien zijn in Madrid. Er zijn ook andere attributen uit het voetbal te vinden: fluitjes, ballen, handschoenen.
Het gaat om shirts van beroemde spelers, met een geschiedenis. Echt gedragen, met het zweet van de wedstrijd – match-worn, in jargon. Valckx: ‘Er wordt veel valsgespeeld in dat wereldje. Bij het museum willen ze zeker weten dat ze gedragen zijn in de wedstrijd, en niet uit de souvenirshop komen.’
Dus kijken ze naar labels, kleuren, naar beelden van vroeger. De eigenaar is ook een tikkeltje onvoorspelbaar, zegt Valckx. ‘Ik had shirts van DaMarcus Beasley, oud-international van de VS. Ik dacht de Amerikanen een plezier te doen, maar ze hadden geen interesse; ze kijken naar het wereldtoneel. Het was lullig om dat door te geven aan Beasley.’
Het principe is simpel: het museum biedt, de eigenaar van het shirt zegt ja of nee. Valckx is de tussenpersoon. Degene die het shirt afstaat, maakt een foto van de voor- en achterkant of soms een video. Het museum doet een bod, via Valckx. Bij een ‘ja’ wordt het bedrag binnen een paar dagen overgemaakt. Een paar weken later is het shirt dan in Madrid. Valckx krijgt commissie.
Saillant: zijn mooiste trofee tot nog toe is een shirt van hemzelf – althans, van een wedstrijd waarin hij zelf speelde. ‘Het WK-shirt van 1994, van de kwartfinale tegen Brazilië.’
De Brazilianen, die ruim een week later wereldkampioen zouden worden, wonnen met 3-2 van Nederland. Valckx was de directe tegenstander van wereldster Romário, met wie hij sinds hun gezamenlijke tijd bij PSV bevriend was.
‘Na de wedstrijd ruil ik mijn shirt met Romário. Ik loop naar de kleedkamer en iemand tikt op mijn schouders: Harry Vermeegen (tv-maker, red.). Hij vraagt: kan ik dat shirt hebben? Ja natuurlijk, zeg ik, en ik geef het shirt weg. Iedereen gaf in die tijd alles weg. Maar toen ik een maand bezig was in opdracht van dat museum, vroegen ze of ik een shirt van Romário kon versieren.’
Valckx belt dus Romário, met wie hij nog steeds bevriend is. Die heeft niets meer. Dan ziet hij Vermeegen toevallig op tv, bij de talkshow Van Roosmalen & Groenteman. Hij belt. Ja, het is weer lachen met Harry, maar dat shirt heeft hij niet meer. In de tv-studio hingen destijds veel shirts, maar na het programma zijn ze verdwenen. Bel mijn oude baas, oppert Harry.
‘Ik die oude baas bellen’, zegt Valckx. En ja, die had het shirt van Romário.
Op een maandag rijdt Valckx naar Muiden, waar dat shirt van Romário al dertig jaar in de kast heeft gehangen. ‘Bij ouderen liggen ze vooral in de kast. De iets jongere generatie lijst ze in.’
Valckx maakt foto’s van het shirt en het museum doet een bod. ‘Dat bod was 20 duizend euro. Ja, voor het shirt dat ik zelf met Romário had geruild. Grappig toch?’
Hij heeft inmiddels honderden voetballers benaderd, van Jan Wouters tot Winston Bogarde, van John Bosman tot de Ghanees Matthew Amoah. ‘Die heeft twee WK’s gespeeld en drie keer de Afrika Cup. Maar ja, zijn shirts liggen in Afrika. En ik wil ze ook niet zomaar meekrijgen. Dan heb ik dozen vol.’
Wat is meer waard, het shirt van een club of dat van een nationaal elftal? ‘De hoogste bedragen zijn meestal voor clubshirts. Mario Been had een oud shirt van Maradona bij Napoli; hij had tegen hem gespeeld met Pisa. Dat shirt heeft hij verkocht.’
Valckx praat nog met de eigenaar van het tenue van de Duitser Paul Breitner, uit de WK-finale van 1974 tegen Nederland. ‘Hij wil het nog niet verkopen. Sommige mensen willen alleen weten wat de waarde van zo’n shirt is, nadat het al jarenlang in de kast heeft gelegen. Dan kun je altijd nog ja of nee zeggen.
‘Er is nu een markt voor. Het voetbal zelf is groter geworden, en de geschiedenis van het voetbal ook. Vroeger was er vaak ook maar één shirt; nu liggen er alleen al in fanshops talloze replica’s. En shirts die het museum niet wil, gaan we proberen te verkopen voor een goed doel.’
Of hij zelf nog veel shirts heeft? ‘Ik dacht dat ik niets meer had, maar mijn vier broers, mijn zus en vrienden hadden nog wat liggen. Het museum was op zoek naar een shirt van Toto Schillaci, topscorer van het WK van 1990. Heel toevallig maakte ik mijn debuut voor het Nederlands elftal tijdens een oefenwedstrijd in Italië, in 1990, kort na dat WK. Ik stond op het veld tegenover Schillaci.
‘Wat denk je? Een van mijn broers komt met een blauw shirt, het shirt van Schillaci. Daar was het museum blij mee. We hebben het verkocht. Mijn broer en ik hebben de opbrengst gedeeld.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant