De gemiddelde Nederlander koopt jaarlijks 46 kledingstukken en bezit er 125. Met niet meer dan twintig items kun je eindeloos variëren en spaar je het milieu elders op de wereld, betoogt Peter C. Leferink.
Elke zondag hang ik mijn kleren klaar voor de week die volgt; ik heb er twintig, niet meer, en ik draag ze allemaal. Er zit een bewust systeem achter om met minder meer te doen. Ik sta mezelf toe één item per jaar toe te voegen; ondergoed en sokken niet meegerekend. Soms kost dat stuk veel geld. Daar spaar ik dan lang voor, soms minder als ik bijvoorbeeld tweedehands koop, maar het is altijd een bewuste keuze, een aanvulling of de vervanging van iets wat echt versleten is. Wat ik niet koop, wordt niet gemaakt. Wat niet gemaakt wordt, hoeft niet weggegooid te worden.
We spreken al jaren over de overproductie van de kledingindustrie, en terecht. Honderd miljard kledingstukken per jaar, voor acht miljard mensen. Twintig tot dertig procent daarvan wordt nooit verkocht, maar wel verbrand of begraven. De Atacama-woestijn in Chili heeft een berg van zestigduizend ton afgedankte westerse kleding. Die getallen zijn niet abstract meer; ze zijn geografisch.
Over de auteur
Peter C. Leferink is mode-expert en publicist.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Maar er is een getal waar we liever niet over praten. De gemiddelde Nederlander bezit 125 kledingstukken, exclusief sokken en ondergoed; een daling ten opzichte van de 173 die in 2017 nog gemeten werd. Maar een op de zes hangt ongedragen in de kast, en we kopen er jaarlijks 46 bij en gooien er 40 weg. Vol is vol, zeg maar.
Wat wij weggooien, ruim tweehonderd miljoen kilo textiel per jaar in Nederland alleen, en wat de industrie niet verkoopt, verdwijnt elders. De Kantamanto-markt in Accra, Ghana, de grootste tweedehandsmarkt van West-Afrika, ontvangt wekelijks zo’n twintig miljoen afgedankte westerse kledingstukken. Dertigduizend mensen werken er dagelijks om van onze goedkope afdankertjes een bestaan te maken; als koper, verkoper, reparateur, upcycler. Veertig procent van wat aankomt verlaat de markt als afval, via open riolen, langs de rivieren, het strand op. De rekening van onze volle kasten ligt in Accra.
De oplossing hangt in je eigen kast, achter de kleding die je nooit aantrekt. We laten sport- en werkkleding buiten beschouwing, want die zijn voor iedereen anders. Wat overblijft is het gewone leven: ochtenden, avonden, werk, het strand, de borrel met vrienden. Begin buiten: drie jassen dekken het jaar. Daaronder een handvol bovenstukken die wisselen naar de dag; T-shirts en singlets voor iedere dag, een hemd of blouse als je iets meer wil zeggen, een sweater of trui als het kouder is. Daaronder twee broeken of rokken voor doordeweeks, één voor de momenten die iets formeler zijn, een jurk die meerdere werelden bedient. Een blazer tilt alles op. Twee sjaals die de rest telkens anders maken. En met een accessoire als een button of tote bag maak je alles weer helemaal anders.
Twintig items. Meer heb je niet nodig. En wie bij elke aankoop de vraag stelt, past dit bij tenminste drie dingen die ik al heb, ontdekt wat een bewuste garderobe eigenlijk is: niet minder keuze, maar meer. Elk item dat bij drie anderen past geeft je vier combinaties.
Vermenigvuldig je dat over twintig stuks, tel je sjaals en lagen mee, dan kom je ruim boven de honderd outfits. Uit een kast die in één oogopslag te overzien is. Het principe bestaat al vijftig jaar, heet de capsule wardrobe, en is nooit mainstream geworden, niet omdat het niet werkt maar omdat de industrie er geen geld aan verdient.
De dresscode die een volle kast ooit rechtvaardigde, bestaat bovendien nauwelijks meer. Hybride werken, het verdwijnen van corporate wear als dagelijkse norm; de sociale druk die een uitpuilende kledingkast kon verklaren is weggevallen. Maar we kopen nog altijd 46 kledingstukken per jaar.
Een jurk heeft geen gender. Een rok ook niet. Een blazer evenmin. De genderbinaire indeling van kleding is geen biologisch feit maar een productiebeslissing, vastgelegd in de 17de eeuw door de gildes van Lodewijk XIV, sindsdien nooit meer fundamenteel herzien. Wie een modulaire garderobe samenstelt op basis van wat past, wat werkt en wat iemand zichzelf laat zijn, overschrijdt die grens als vanzelfsprekendheid.
Judith Butler schreef in Gender Trouble dat gender niet is wat je bent, maar wat je herhaaldelijk doet; kleding is het meest zichtbare instrument van die herhaling. Wie die herhaling doorbreekt, weigert dagelijks een productiesysteem dat al driehonderdvijftig jaar op die herhaling rekent.
Wie minder heeft, heeft meer aandacht. Wie meer aandacht heeft, zorgt beter; hangt iets even uit in plaats van het meteen in de was te gooien, besluit dat gaatje toch maar te naaien, ‘pimpt’ het valer geworden shirt met een ‘Buy Less’ button. De waarde van wat je hebt groeit gevoelsmatig naarmate je er meer aandacht aan geeft. En met die waarde groeit de relatie; tussen jou en het kledingstuk, tussen wat je draagt en wie je bent. Die relatie vertaalt zich vanzelf naar een kleedgedrag dat overtuigder wordt, eigener, minder afhankelijk van wat er in je Instafeed voorbij komt; tegelijk werk je actief mee aan het redden van de aarde.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant