Aan de vruchten kent men de boom. En aan de leescrisis kent men het Expertisecentrum Nederlands en andere instellingen die de afgelopen decennia in naam het leesonderwijs probeerden te verbeteren, maar het in werkelijkheid hebben verslechterd.
Tot 26 mei kunnen Kamerleden bij de regering vragen indienen over het recente jaarverslag van de Onderwijsinspectie, die opnieuw constateert dat de kwaliteit van het lezen niet of onvoldoende verbetert. Tegelijkertijd groeit het lerarentekort verder en blijft de laaggeletterdheid hardnekkig hoog. Ondanks miljardeninvesteringen blijft een kentering uit.
Wat is er gebeurd in het leesonderwijs?
Meestal zoekt men de oorzaak in recente ontwikkelingen: smartphones, sociale media, corona. Maar daarmee komen we niet bij een ongemakkelijke vraag: kan een deel van de verklaring voor de leescrisis misschien ook in het onderwijsbeleid zelf liggen? Critici wijzen erop dat de leesvaardigheid ook na de oprichting van het Expertisecentrum Nederlands (ECN) in 1996 bleef dalen. En steeds sterker zelfs.
Over de auteurs
Ewald Vervaet is wis- en natuurkundige en ontwikkelings- en leespsycholoog. Philip Bakker is informatiemanager en schrijver van het boek In school we trust. Met medewerking van Bakker heeft Vervaet het boek De leescrisis, in 45 jaar ontstaan, kan in 4 jaar weer gaan geschreven.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Het nieuwe expertisecentrum moest via onderzoek, methodiekontwikkeling en kennisdeling het taal- en leesonderwijs verbeteren, met name in de eerste groepen van het basisonderwijs. Dit was omdat de vorming van de basisschool in 1985 nog niet de zegeningen had gebracht die werden verwacht, en de leesvaardigheid zelfs daalde.
Opvallend, want de basisschool als integratie van kleuteronderwijs en lager onderwijs vanaf 1985 was juist bedoeld als een poging te komen tot één goede ‘doorstroom’-school voor (bijna) alle leerlingen, e beginnen bij het vijfdelige rapport van de Commissie Evaluatie Basisonderwijs, Zicht op kwaliteit (1994). Deze integratie had nadrukkelijk de bedoeling om het ‘breukvlak’ tussen kleuteronderwijs en lager onderwijs te doen verdwijnen.
In werkelijkheid is er geen sprake van een breukvlak maar van een natuurlijke ontwikkeling van kleuter naar schoolkind. Toch bleef het denken in een ‘breukvlak’ en meende men dit te moeten aanpakken. De ambities waren dan ook groot en het leesonderwijs veranderde ingrijpend.
De nadruk kwam steeds meer te liggen op vroege signalering, toetsen, beginnende geletterdheid, achterstandbestrijding en doelgerichte trainingen. Het ECN heeft hierdoor in ons land een belangrijke rol gespeeld in het vervroegen van het leesonderwijs, vanwege achterstandsdenken en een leesontwikkeling die vervroegbaar werd geacht. Zo schreef het ECN in 2004 schreef: ‘Het is verheugend te constateren dat enkele jaren geleden de Tweede Kamer en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het initiatief hebben genomen om het taalaanbod in peuterspeelzalen en kinderdagverblijven te verbeteren.’
Kleuters moesten worden voorbereid op lezen om mogelijke achterstanden vroegtijdig te voorkomen. Onderzoekers van het ECN schreven over het stimuleren van ‘beginnende geletterdheid’ en het belang van letterkennis bij kleuters die als risicoleerlingen werden bestempeld. De gedachte daarachter: hoe eerder problemen aanpakken, hoe beter. Daardoor ontstond een cultuur van: vroeger, sneller en intensiever oefenen. Die gedachte snijdt echter alleen hout als een kind psychologisch aan het aanbod toe is, maar daar keek en kijkt het ECN niet naar.
Vanuit dit beleid ontstond het achterstandsdenken. Daarin wordt elke statistische afwijking van 25 procent of meer onder het gemiddelde als achterstand gezien. Het is een statistisch en geen psychologisch begrip: de 25 procent laagst presterende leerlingen op een test vallen eronder. Vanaf 1998 wordt in alle regeerakkoorden over achterstanden van individuele kinderen ten opzichte van een gemiddelde gesproken, ook in dat van 2026.
Psychologisch gezien zijn de meeste kinderen met statistische achterstand echter kinderen die pas later toe zijn aan lezen. Maar we zeggen toch ook niet dat lidcactussen achterstand hebben omdat ze laat in het jaar bloeien?
Vier voorbeelden van het huidige beleid waar het ECN bij betrokken is geweest:
- Kleuters zouden boodschappenlijstjes moeten schrijven. In werkelijkheid past dit niet bij hun ontwikkelingsniveau en juist wel het spelen met klanken en vormen.
- Kleuters zouden in trainingen schoolrijp gemaakt kunnen worden. In werkelijkheid worden kinderen vanzelf rijp voor lezen en schrijven. Dat proces laat zich niet afdwingen.
- Kleuters (en peuters) zouden zo vroeg mogelijk letterkennis moeten opdoen. In werkelijkheid en gezien de leescrisis helpt vroeg letters leren niet. Ook vergeten niet-leesrijpe kinderen getrainde letters snel en krijgen ze afkeer van boeken.
- De nadruk is komen te liggen op snel lezen. In werkelijkheid draait goed lezen om begrijpen, niet om snelheid. Te hoog tempo leidt tot verhaspelend lezen, juist bij kinderen die aan lezen toe zijn.
Het ECN kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor alle problemen rond het lezen. Daarvoor is de kwestie te complex. Maar het betekent wél dat een kritische evaluatie van dertig jaar leesbeleid op ECN-basis legitiem is. Aan de vruchten kent men de boom. En aan de leescrisis kent men het ECN en andere instellingen die de afgelopen decennia in naam het leesonderwijs aan het verbeteren waren, maar het in werkelijkheid hebben verslechterd.
Kamerleden zouden de regering kunnen vragen of het ECN nog bestaansrecht heeft. Wat ons betreft: ja, maar alleen als het roer wordt omgegooid. Als het ECN overstapt van psychometrisch-statistische, goeddeels betekenisloze getallen naar de psychologische ontwikkeling van kinderen van vlees en bloed.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Source: Volkskrant