Gascentrales staan steeds vaker stil omdat het land bij zonnig weer volledig kan draaien op energie van zon en wind. Goed voor het klimaat, maar niet goed voor het bedrijfsmodel. Als veel gascentrales dichtgaan, komt de energiezekerheid in gevaar als de zon niet schijnt. Om stroomuitval te voorkomen, is snel ingrijpen nodig.
is economieredacteur voor de Volkskrant en sinds 2021 specialist op het gebied van de energietransitie.
In de immense fabriekshal klinkt een zacht zoemen. Hier, in de Eemscentrale van energiebedrijf Engie, een van de grootste gascentrales van het land, liggen vijf machtige gasturbines stilletjes te wachten tot ze weer worden opgestart.
De turbines, krachtig genoeg om samen vier tot vijf miljoen huishoudens van elektriciteit te voorzien, liggen vandaag niet stil vanwege een storing of onderhoud. De reden is buiten te vinden: het strakblauwe zwerk van waaruit de voorjaarszon het land beschijnt. Op deze zonnige dag in mei produceren de zonnepanelen en windturbines in Nederland zo veel elektriciteit dat het complete land erop kan draaien.
Dus zijn gascentrales vandaag niet nodig en liggen ze overal in Nederland stil. Gas is immers duur en de zon en wind zijn gratis. ‘Eigenlijk is het fantastisch nieuws dat we op zonnige dagen vaak geen fossiele brandstof nodig hebben om de elektriciteitsvoorziening in Nederland overeind te houden’, zegt Harry Talen, bestuursvoorzitter van Engie in Nederland, de eigenaar van de centrale die in het noordelijkste puntje van Groningen ligt. ‘Zeker nu, met de crisis in het Midden-Oosten.’
Laten we het kostbare en schaarse gas vooral bewaren voor de momenten dat het echt nodig is, zegt Talen. Logisch dus dat Engies centrales (het Franse energieconcern heeft nog een tweede gascentrale bij Lelystad) stilstaan.
Pas tegen de avond, als de zon daalt en er minder groene stroom wordt geproduceerd, worden de turbines opgestart en nemen de gascentrales de elektriciteitsvoorziening over voor de nacht, zegt Arjan Sixma, directeur van de Eemscentrale, terwijl hij zijn bezoek langs de turbines leidt. Tot die tijd heerst er een relatieve rust, en zit even verderop een enkel personeelslid afwachtend in de control room naar een van de vele beeldschermen te staren.
Meer duurzame energie is goed. Goed voor milieu en klimaat, en goed voor de gedroomde energie-onafhankelijkheid. Maar één kenmerk van groene stroom blijft onveranderd: die is er alleen als de zon schijnt en als het waait. Met name in de winter, als de vraag naar elektriciteit juist piekt, zijn er vaak langere perioden dat er nauwelijks duurzame elektriciteit voorhanden is. Dit wordt steeds meer een probleem, zeker nu de vier resterende Nederlandse kolencentrales rond 2030 volgens planning dichtgaan.
Rond 2032 wordt het echt spannend: Tennet (het staatsbedrijf dat over de hoogspanningsverbindingen gaat en ook de staat van de elektriciteitsvoorziening in de gaten houdt) voorziet dan mogelijke stroomtekorten in de winterperiode. Niet dat het hele land meteen in duister gehuld wordt, maar op sommige momenten zullen grote bedrijven misschien gedwongen stilgelegd worden om elektriciteit te besparen. Stroom zal op deze momenten bovendien extreem duur worden, misschien wel enkele euro’s of zelfs tientjes per kilowattuur.
Doemscenario’s als deze komen nu nog niet voor, omdat er genoeg gascentrales staan die op volle kracht de elektriciteitsvoorziening overeind kunnen houden. Momenteel staat er inderdaad nog voldoende vermogen, zegt Talen. Het is alleen de vraag of dat over een paar jaar ook nog zo is. Want er dreigen gascentrales te sluiten. Eerder waarschuwden andere uitbaters als RWE en EPNL hier ook voor. De reden: het verdienmodel werkt niet langer.
Als je centrale een groot deel van het jaar stilstaat, zegt Talen, verdien je geen geld, terwijl de kosten doorlopen. Op momenten dat er weinig stroomaanbod is, stijgen de prijzen weliswaar, maar het wordt steeds lastiger om met die paar resterende uren genoeg te verdienen. ‘De opbrengsten lopen terug’, zegt de CEO, ‘en ze zullen naar verwachting verder dalen als er steeds meer wind, zon en batterijen bij komen.’
Dit stelt energiebedrijven voor een dilemma: investeer je nog in een centrale waarvan je niet zeker weet of die over een paar jaar nog geld verdient?
De uitdaging is actueel. Neem de Eemscentrale: van de vijf turbines moet er elk jaar een worden gereviseerd. Zo’n revisie kost tientallen miljoenen. Nu die turbines minder draaien, zou je denken dat er ook minder onderhoud nodig is, zegt fabrieksdirecteur Sixma. Maar dat is een misvatting, zegt hij. Doordat centrales vaker uit staan, moeten ze vaker worden opgestart. Vroeger ging een centrale misschien een of twee keer per jaar uit, vorig jaar had de Eemscentrale 1.164 starts. Daar slijten de peperdure turbines extra van, waardoor niet langer de hoeveelheid draaiuren leidend is voor revisies, maar het aantal starts.
Talen van Engie ziet nog een uitdaging: de levertijden van onderdelen voor gasturbines is sterk gestegen. Door de groei van datacenters voor AI, door de afbouw van kolencentrales, door de groeiende energievraag in Azië en Afrika, worden overal ter wereld nieuwe gascentrales gebouwd. Door de grote vraag nemen ook de wachttijden toe.
Het gaat niet alleen om onderhoud. Het Nederlandse park van gascentrales veroudert snel: de jongste fabrieken zijn al op de helft van hun geplande levensduur. Er zijn daarom plannen om compleet nieuwe centrales te gaan bouwen. Geen makkelijke boodschap, erkent de Engie-baas. Het energieconcern zegt te werken aan groengas en groene waterstof als alternatieven voor fossiele energiebronnen voor zijn centrales, die dan toch duurzaam kunnen draaien, maar de groei van deze alternatieven vergt tijd. Naar verwachting zal het niet snel genoeg gaan om de winterse energieluwte op te vangen.
Er dreigen dus gaten in de energievoorziening te vallen, die volgens Talen vooralsnog alleen opgevuld kunnen worden met – helaas – fossiele centrales. En haast is geboden, zegt Talen: ‘Voor ons is 2030 morgen.’
De sector verkeert in een lastige positie, zegt ook Laurens de Vries, hoogleraar Complexe Energietransities aan de TU Delft. Vroeger bestond er in het elektriciteitssysteem een redelijke balans tussen vraag en aanbod, schetst hij: ‘Als de vraag naar elektriciteit groeide, steeg de prijs en werd het interessant een centrale bij te bouwen. En als er te weinig vraag was, gebeurde het tegenovergestelde: dan sloten centrales en ontstond een nieuw evenwicht.’
Deze balans is verstoord door de energietransitie, aldus De Vries. Er komt nu energie van allerlei bronnen die afhankelijk zijn van het weer, daarnaast fluctueert de gasprijs sterk door alle crises van de afgelopen jaren, en ook de CO2-prijs beweegt mee. De vraag naar elektriciteit zal waarschijnlijk groeien door de energietransitie, maar onzeker is hoe sterk. ‘Hierdoor is het voor de markt lastig om goede inschattingen te maken voor investeringen.’
Om te voorkomen dat gascentrales de komende jaren massaal gesloten worden omdat ze niet meer renderen, acht De Vries overheidsingrijpen noodzakelijk.
Net als de sector ziet de hoogleraar heil in de komst van een zogenoemde capaciteitsmarkt. Simpel gezegd neemt de overheid hierbij het onrendabele deel van de energieproductie van gascentrales over. Het betaalt in feite om centrales open te houden die anders economisch niet meer rendabel zijn, zodat ze in geval van tekorten kunnen bijspringen.
Een kostbare ingreep, die de belastingbetaler mogelijk honderden miljoenen per jaar kost, zeggen experts. Maar het alternatief – extreem hoge stroomprijzen op sommige momenten, of zelfs stroomuitval – is nog minder aantrekkelijk. En duurder bovendien: de maatschappelijke kosten van black-outs zijn enorm, zegt De Vries.
Een capaciteitsmarkt is volgens de hoogleraar te vergelijken met het aanleggen van dijken. Ook een kostbare zaak, maar dijken beschermen het land tegen erger. Door te werken met een veilingsysteem, waarbij bedrijven noodcapaciteit aanbieden met hun centrales, blijft er sprake van marktwerking, en kunnen de kosten zo laag mogelijk blijven, stelt De Vries. Het voordeel voor de klant: extreme stroomprijzen worden gedempt en de leveringszekerheid blijft op peil.
Toch wilde de overheid lange tijd niet aan een capaciteitssysteem; vanwege de hoge kosten en ook omdat het marktverstorend werkt. Het risico bestaat immers dat bedrijven en afnemers ‘lui’ worden: als de overheid ervoor zorgt dat er altijd elektriciteit is, dempt dit de drang om te innoveren. De aanschaf van een dure thuisbatterij is immers vooral interessant als stroom soms duur is en soms goedkoop. Als de prijzen afvlakken door de capaciteitsmarkt, wordt een thuisbatterij (of buurtbatterij of de megavariant) minder snel terugverdiend.
Ondanks deze bezwaren besloot het vorige kabinet een onderzoek te beginnen naar een capaciteitsmarkt. Die lijkt er dus te komen, maar onduidelijk is nog in welke vorm. Haast is geboden, waarschuwt ook De Vries. ‘Het kost vier jaar om een gascentrale te bouwen, plus nog de tijd die de vergunning vergt. We kunnen daarom niet eerst drie jaar pielen aan een verfijnd plan als je in 2032 gereed wilt zijn.’
Kies een mechanisme dat goed werkt, om als het eenmaal op de rails staat, in alle rust het systeem te verfijnen, adviseert hij.
Sommige omringende landen kennen al een capaciteitssysteem of werken eraan. Talen van Engie pleit om de bruikbare elementen uit het buitenland te kopiëren en snel van start te gaan.
Met de komst van een capaciteitsmarkt zijn niet alle gevaren geweken, zegt De Vries. Hij ziet het risico dat de overheid de bestaande kolencentrales langer open laat blijven, uit angst voor stroomtekorten. Potentiële investeerders in gascentrales kijken daar volgens hem met argusogen naar. Als de kolencentrales niet worden gesloten, of als er bijvoorbeeld weer subsidie komt voor stoken op biomassa, of als ze worden ingezet als een soort strategische reserve, dan blijft er 3 gigawatt vermogen in de markt. Dat extra aanbod maakt het investeren in een nieuwe gascentrale juist weer onaantrekkelijk. Als iedereen op elkaar blijft wachten, ontstaat mogelijk een vicieuze cirkel waarbij er uiteindelijk geen nieuwe gascentrales worden gebouwd, en de kolencentrales wel open moeten blijven, zegt De Vries.
Hij hoopt dat er snel duidelijkheid komt. ‘Dat is echt nodig als Nederland na de decenniumwissel verzekerd wil zijn van voldoende stroom.’
Source: Volkskrant