Zet Jun Märkl voor een orkest, en binnen de kortste keren weet hij wat de sterke en zwakke kanten zijn. Vrijdag rondt hij zijn eerste seizoen af als chef-dirigent van het Residentie Orkest. Hoe gaat het met die Haagse groep?
schrijft voor de Volkskrant over klassieke muziek en opera.
‘Het Residentie Orkest is een open, vriendelijke groep’, zegt de Duits-Japanse dirigent Jun Märkl. ‘De musici bereiden zich goed voor en spelen geconcentreerd. Al jaren voordat ik hier in 2025 chef werd, heb ik hun strijdlust meegemaakt. Om het orkest te redden, hebben ze salaris ingeleverd. Dat heb ik nergens anders ter wereld gezien.’
En dat wil wat zeggen, want Jun Märkl (67) is een globetrotter pur sang. Behalve in Den Haag is hij chef-dirigent in Indianapolis (VS) en Taipei (Taiwan). In zijn lange carrière als rondreizend gastdirigent zag hij pakweg 150 orkesten. Vrijdag rondt hij zijn eerste Haagse seizoen af, met werk van Sibelius en Bruckner.
Märkl geldt als een gelouterde orkesttherapeut. Zet hem voor een groep en binnen de kortste keren heeft hij een analyse. Hoe de sfeer is, wat de sterke kanten zijn, waar het aan schort. Met hem leggen we het Residentie Orkest op de divan. Het orkest, opgericht in 1904, kent een blakend verleden. Rond 1960 stak het zelfs het Concertgebouworkest naar de kroon. Een halve eeuw later, na bezuinigingen tijdens het tweede kabinet-Rutte, leek het op sterven na dood.
Hoe omschrijft u de huidige staat van het Residentie Orkest?
‘Als hoopvol. We schaven aan een helder profiel voor de volgende fase. Het nieuwe cultuurgebouw Amare biedt lokaal bijvoorbeeld volop kansen. Voor Den Haag is het echt een stap vooruit. Iedereen wandelt hier binnen, van fitnessgroepjes tot studenten. Van hieruit willen we het orkest verder verbinden met Den Haag en de omliggende gemeenten.
‘Tegelijkertijd moeten we ons in de Randstad zien te onderscheiden van het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch en het Radio Filharmonisch Orkest. Het betekent dat we ons repertoire slim moeten kiezen.’
Wat is slim kiezen?
‘Sinds de bezuinigingen zijn we helaas gereduceerd in omvang. Voor een deel van het orkestrepertoire voldoet een kleinere bezetting prima, denk aan symfonieën van Haydn en Mozart. Daar leggen we ons op toe met een vaste gastdirigent, Richard Egarr.
‘Maar een symfonieorkest heeft ook grote projecten nodig, zoals deze week de Zesde symfonie van Anton Bruckner. Die spelen de andere orkesten ook, maar dit soort kernrepertoire vormt nu eenmaal voor élk orkest een plaatsbepaling. Je groeit ervan, het geeft eigenwaarde. Het gevoel van: ja, dit kunnen we óók.’
Ziet u voor het Residentie Orkest ook een internationale rol weggelegd?
‘Niet direct. Laten we eerlijk zijn: we gelden niet als het toporkest van Nederland. Dus kunnen we ook niet de gages vragen die een internationale tournee mogelijk maken. Maar we werken eraan, volgend seizoen spelen we bijvoorbeeld in Genève en Bazel. Ook met goed gekozen cd-projecten trekken we internationaal de aandacht.
‘Dat lukte met een paar minder bekende, maar prachtige stukken van Camille Saint-Saëns, en met werk van de moderne Japanse componist Toshio Hosokawa. Dit seizoen nemen we muziek op van Erwin Schulhoff, de Tsjechische componist en pianist die overleed in een concentratiekamp. Met het vullen van zulke lacunes in de discografie maak je bijna als vanzelf een referentieopname. Dus tel je internationaal mee.’
Over Schulhoff gesproken: in een concertrecensie hekelde de Volkskrant de platte akoestiek van Amare.
‘Het is inderdaad geen eenvoudige zaal. In het Amsterdamse Concertgebouw worden klanken als het ware veredeld, in Amare blijven ze helder en nuchter. Als je luid speelt, klinkt het al gauw agressief. Van de andere kant kun je nergens zo zacht en gedifferentieerd spelen als in Amare. Ik zoek met het orkest naar een nieuw evenwicht. Gelukkig merk ik vooruitgang, het akoestisch bewustzijn van de musici is het afgelopen seizoen flink gegroeid.
‘Ik beschouw het als mijn hoofdtaak om het orkest nieuwe expressiemogelijkheden te geven. Alleen goed en zuiver samenspelen is niet meer genoeg. Bij Saint-Saëns wil ik een transparante Franse orkestklank horen, bij Smetana een warme Tsjechische. Hoe bereik je dat, hoe luister je naar elkaar, hoe meng je de instrumenten? Ik wil elke week een sprong vooruit horen, al is het maar een kleine.’
Is dat realistisch? Per seizoen bent u maar acht weken in Den Haag.
‘Dat klopt, en dat is ook het absolute minimum. In Den Haag kan het omdat een flink deel van het repertoire wordt afgedekt door Richard Egarr.’
U bent chef-dirigent op drie continenten. Hoe houdt u dat vol?
‘Om te beginnen doe ik niet aan jetlags. Verder ontleen ik er plezier aan om in elke stad een ander muzikaal profiel te ontwikkelen. Een orkest heeft niet alleen zijn eigen groepscultuur, maar weerspiegelt ook een nationale cultuur. Door mijn achtergrond heb ik misschien een talent om me daarin te verplaatsen.
‘Ik ben opgegroeid in een Duits-Japans gezin. Die twee culturen verschillen nogal, bijvoorbeeld in wat je zegt of juist níét zegt. In mijn jeugd vond ik dat vaak lastig, ik had het gevoel dat ik overal tussenin viel. Later heb ik van het bruggen bouwen mijn levensopdracht gemaakt. Ik ben de man van buiten en stel de vragen. Wat is jullie traditie, wat kan er beter, waar wil je heen? Vanuit dat gesprek gaan we samen op avontuur.’
Muziek van Yang, Sibelius en Bruckner, door Bomsori Kim (viool) en het Residentie Orkest o.l.v. Jun Märkl. 22/5, Den Haag, Amare.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant