Deze week zijn twee mensen op hoge leeftijd overleden die allebei tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangenzaten in Kamp Vught, een van de drie Duitse concentratiekampen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Nationaal Monument Kamp Vught maakte dat vrijdag bekend.
Het gaat om Elly Vleeschhouwer-Blocq, een van de eerste gevangenen van Kamp Vught. Zij overleed dinsdag op 101-jarige leeftijd. Nationaal Monument Kamp Vught maakte vrijdag ook bekend dat Marie Verbraeken-Blommaart, die als verzetsstrijder in 1943 in Vught gevangenzat, deze week op 105-jarige leeftijd is overleden. Ze zat in het Zeeuwse verzet als koerier.
Vleeschhouwer-Blocq groeide als jongste van zeven kinderen samen met haar vier broers en twee zussen op in een Joods gezin in Amsterdam, vertelde ze vorig jaar april in een interview in de Volkskrant in de serie ‘100 jaar’.
‘Als kind was ik vaak ziek, zwak of misselijk’, zei ze daarin over haar jeugd. ‘In de oorlog dacht iedereen: die gaat gauw dood, maar dat hebben ze mis gehad. Ik was super slank en had bloedarmoede, want was niet zo’n goede eter – nog steeds ben ik matig in alles.’
In 1942 trouwde ze met de eveneens Joodse Wim, midden in de Tweede Wereldoorlog. Toen ze een ster moest gaan dragen, weigerde Vleeschhouwer-Blocq aanvankelijk: ‘Ik wilde gewoon niet apart gezet worden.’ Ze wist niet aan vervolging te ontkomen.
Kamp Vught, waar zij van begin 1943 tot juni 1944 zou blijven, was het eerste van zeven concentratiekampen die Vleeschhouwer-Blocq overleefde. Naar eigen zeggen ‘met ontzettend veel geluk’, maar vooral dankzij haar man Wim, vertelde ze in het interview met de Volkskrant.
‘Dat begon er al mee dat hij met mij meeging. In Kamp Vught werden mannen en vrouwen van elkaar gescheiden, maar we konden elkaar af en toe zien. Op onverwachte momenten hoorde ik ineens zijn stem: ‘Dag Elly.’ Ook bij aankomst in Auschwitz, in juni 1944, in de chaos van een overvol perron, hoorde ik hem boven al het rumoer uit roepen: ‘Dag Elly!’ Dat gaf mij een enorme opkikker – hij leefde nog!
‘Cruciaal is geweest dat Wim ervoor heeft gezorgd dat ik in het werkcommando van Philips werd opgenomen. Het bedrijf had in Kamp Vught een werkplaats ingericht waar onder andere radiobuizen werden gemaakt. Philips had de SS-leiding om Joodse vrouwen gevraagd, want hun dunne vingers zouden hen zeer geschikt maken voor dit werk. Dat was onzin, maar zo probeerde het bedrijf ongeveer vijfhonderd Joodse vrouwen te behoeden voor deportatie.
‘Ik was niet geselecteerd voor de werkplaats. Op 15 november 1943 stond ik al op het perron om gedeporteerd te worden naar Polen, toen ik ineens uit de rij werd gehaald. Ik mocht toch bij het Philips-Kommando werken. Later hoorde ik dat Wim, zodra hij ontdekte dat ik klaarstond voor transport, naar de SS’er is gegaan die leiding gaf aan de administratie, waar hij werkte. En zei: ‘Als mijn vrouw niet wordt teruggehaald, dan ga ik met haar mee en kan ik hier dus niet meer werken.’ Die Duitser had net zo goed tegen Wim kunnen zeggen: ‘Dan ga je maar mee’, maar hij luisterde naar Wim. Kennelijk wilde hij hem niet kwijt. Iedereen was dol op Wim, zelfs deze SS’er.
‘Uiteindelijk zijn alle Joden uit Kamp Vught gedeporteerd, dus ook Wim en het Philips-Kommando, dat in alle kampen die zouden volgen bij elkaar zou blijven. Aangekomen in Auschwitz werden wij niet geselecteerd voor de gaskamers. Dat had het bedrijf in Berlijn bedongen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant