Veel historici die het nationaalsocialisme onderzoeken, schrikken terug voor het beschrijven van de seksuele cultuur tussen mannen. Doe het toch maar wel, zegt Daniela Hooghiemstra: het helpt ons moderne antidemocratische bewegingen te begrijpen.
Politiek gaat niet alleen over de verdeling van productiemiddelen, maar ook over wie de mens is. Of wil zijn.
Zeker aan het begin van de 20ste eeuw, toen de toenemende macht van burgers de samenleving in snel tempo vrijer en gelijker maakte. De willekeur van vorsten had in de eeuw daarvoor plaatsgemaakt voor burgerlijke rede, ‘mannelijke’ brutaliteit had concurrentie gekregen van ‘vrouwelijke’ ordening en recht.
De zich bevrijdende burger ontleende zijn moraal intussen nog aan het christendom. Daardoor ontstond een tweestromenland van vrijheidsdrang, openheid en individualiteit aan de ene kant, en strenge zedelijke normering aan de andere.
Op dit kruispunt van maatschappelijke moraal werd homoseksualiteit een brandende kwestie, vooral in Duitsland. In de homoscene van Berlijn en München, die vanaf 1900 opleefde, werd de dag geplukt. Maar door kerk en politiek werd ‘ontaarde’ seksualiteit bestreden, terwijl wetenschappers probeerden om de ‘afwijking’ te verklaren.
Als een van de weinigen stond de Joodse bioloog Magnus Hirschfeld (1868-1935) er positief tegenover. Hij richtte in 1897 in Berlijn het Wissenschaftliches Humanitäres Komittee (WHK) op, waar hij alle seksuele varianten buiten het burgerlijke huis welwillend onderzocht.
Tussen de ‘Vollmann’ en het ‘Vollweib’ bestonden volgens Hirschfeld nog honderden andere biologische variaties. Deze ‘stiefkinderen der natuur’ verdienden in zijn ogen acceptatie – in plaats van gevangenisstraf – of een ongelukkig huwelijk.
Daniela Hooghiemstra is auteur van het onlangs verschenen De rode en de zwarte jonker – De oorlog van Marinus en Willem van der Goes van Naters.
De Duitse burger moest daar niets van hebben. Maar ook schrijver en filosoof Adolf Brand (1874-1945), die het verbod op homoseksualiteit net zo fel bestreed als Hirschfeld, verafschuwde Hirschfelds ideeën. Als misogyne mannenliefhebber vond hij helemaal niet dat hij tot een bijzondere, feminiene mannensoort behoorde.
Hirschfeld haalde daarmee volgens hem ‘alle schoonheid’ uit de mannelijke erotiek.
In zijn tijdschrift Der Eigene beschreef Brand de man-man eros niet als een ander, maar als een oorspronkelijk fenomeen. Mannen hadden vrouwen nodig voor de voortplanting, maar juist de geestelijk verhevene onder hen voelden zich volgens Brand meer aangetrokken tot elkaar dan tot de in zijn ogen burgerlijke en intellectueel inferieure vrouw.
Deze discussie over homoseksualiteit viel samen met een schandaal, in 1907, aan het Duitse hof. Een van keizer Wilhelms hoogste militairen, generaal Kuno graaf von Moltke, had zich volgens een van oorsprong Joodse journalist schuldig gemaakt aan ‘seksuele spelletjes’ met een andere intimus van de keizer, Philipp Fürst zu Eulenburg Hertefeld.
Als getuige-deskundige deed Magnus Hirschfeld in de rechtszaal zijn biologische theorie uit de doeken. Ja, de generaal voldeed aan zijn criteria voor het feminiene ‘derde geslacht,’ verklaarde hij. Daarmee irriteerde hij niet alleen Adolf Brand en de Eigenen, maar schokte hij heel burgerlijk Duitsland.
Vanaf dat moment werd seks in Duitsland politiek. Feminiene mannen zouden Duitsland naar de afgrond helpen, daarover waren conservatieven en progressieven het eens. Maar terwijl burgerlijk ‘rechts’ partij koos voor de keizer, die slachtoffer van een lasterlijke (Joodse!) politieke campagne zou zijn, wilde burgerlijk ‘links’ de morele verdorvenheid van de elite onthullen.
Net toen dit speelde, was Adolf Hitler in Wenen aangekomen. Het ‘bloed steeg hem naar het hoofd’ noteerde hij later in Mein Kampf, toen hij zag hoe de keizer door de ‘Joodse’ pers vernederd werd.
Adolf was anders dan andere jongens. Hij hield niet van sport of meisjes, wel van theater en kunst en vooral van muziek. Sinds zijn 16de bracht hij al zijn vrije tijd door met een muzikale vriend, August Kubizek (1888-1956), die daar na de oorlog in memoires openhartig over schreef.
‘Adi’ was Augusts enige vriend en hij wist ‘dat Adi buiten mij ook geen andere vriend had’, schreef hij. Verenigd in hun passie voor de opera’s van Richard Wagner betrokken ze samen een kamer in Wenen. Maar terwijl August studeerde aan het conservatorium, kwam van het kunstenaarschap dat ‘Adi’ ambieerd, niets terecht.
Levend op een menu van brood, melk en boter, werd hij, fulminerend over de ‘valstrikken’ die de burgersamenleving voor hem had geplaatst, steeds kwader. Na een jaar verliet Hitler zijn vriend zonder brief of adres achter te laten om na een zwerversbestaan in 1912 in München te belanden.
In de libertaire wijk Schwabing had hij het naar zijn zin en tot zijn opluchting ontsloeg het begin van de Eerste Wereldoorlog hem van de burgerlijke verplichting om baan en vrouw te vinden. Het anarchobestaan aan het front beviel hem uitstekend, en toen in 1918 het bericht kwam dat Duitsland capituleerde, barstte hij in snikken uit. Niet alleen was de Duitse keizer vernederd, het burgerbestaan had Hitler als soldaat zonder opleiding, baan of vrouw ook niets te bieden.
Voor de ‘struinende hond’, was de ontmoeting met de brutale toneelschrijver Dietrich Eckart (1868-1923) een keerpunt. Deze felle, vrijgezelle romanticus geloofde in het ‘eigene’ als de hoogste deugd. ‘Zou ik er niet zijn, dan was ook God er niet’, schreef hij.
Als leraar bij de spirituele ‘Thulevereniging’ sprak hij over het bestaan van een ‘hyperboreaanse’ geest, die de ‘zuivere’ Germaan onderscheidde van andere volkeren. Aan de hand van theosofische idealen maakte hij volgens zijn aanhanger, Hitlers latere partijideoloog Alfred Rosenberg, jonge mannen volgens bewust van hun ‘sluimerende schoonheid’. Zij noemden hem hun ‘meester,’ schreef hij in een postume ode.
Hitlers relatie met de twintig jaar oudere Eckart was hecht, ‘haast
symbiotisch’ zelfs, volgens Hitlers biograaf Volker Ullrich. Van hem leerde hij dat niet de burgerlijke, joods-christelijke cultuur, en niet de ‘zogenaamde’ renaissance of de Reformatie de basis van Europese beschaving vormde, maar de mythes van vijftienhonderd jaar oude Germaanse goden.
De waarheid kwam niet uit de Bijbel of van Jezus Christus, maar zat in de ‘eeuwige betekenis van het noordelijke Avondland’. Om die superieure cultuur te verspreiden moest de Germaan de materialistische, ‘rationele’ Jood bestrijden.
De Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) die rond Eckart en Hitler ontstond, was een ‘mannenbond’. Volgens Eckart was de stem van vrouwen in de joods-christelijke burgersamenleving veel te luid gaan klinken. De vrouw, ‘slechts natuur’, was niet meer dan een stille akker die door de superieure man bezaaid moest worden.
Naast een economische strijd woedde in Duitsland een strijd over seks(e). De NSDAP noemde zich ‘socialistisch’, maar het nationaalsocialisme leek in veel opzichten meer op de anarcho-misogyne ideeën van Adolf Brand, dan op de materialistische gelijkheidsleer van Karl Marx, die juist tot vijand werd verklaard.
Brand schreef in 1902 dat hij wilde strijden ‘voor de man die de moed heeft zichzelf tot God uit te roepen’, niet voor ‘de zwakkeling die zich onderwerpt aan wetten en ethiek’. Dat vatte de nazileer al aardig samen. Übermensch noemde hij dat poëtische stuk.
De feminiene verzwakking van de man moest een halt worden toegeroepen, dat vonden Brand en Hitler allebei. Niet de gelijkwaardige man-vrouwrelatie, maar superieure mannenvriendschap was de bron van nationale kracht.
Het ‘mannelijke tijdperk’ was aangebroken, beweerde Hitlers specialist voor politieke pedagogiek, Alfred Baeumler. ‘Er is geen vriendschap zonder vaderland, maar ook geen vaderland zonder vriendschap.’
In mijn onderzoek naar de nationaalsocialist Willem van der Goes van Naters (1897-1944) en zijn sociaaldemocratische broer Marinus (1900-2004), ontdekte ik hoe de worsteling met moderne mannelijke identiteit en radicale politieke ideologie elkaar voedden.
Als deftige ‘stamhouders’ in een burgerlijke wereld moesten de broers allebei verbergen dat zij (ook) op jongens vielen. Marinus maakte een voor zijn milieu ongewone, antiburgerlijke keuze door zich bij de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP) aan te sluiten. Maar als behendig jongleur bleef hij altijd een democraat.
De paradox hoefde volgens hem niet opgelost te worden, door handig manoeuvreren konden burgerlijkheid en seksuele vrijheid in een rechtsstaat naast elkaar bestaan.
Zijn trotse maar sensitieve broer Willem daarentegen voelde zich door het burgerlijke zedelijke systeem zo tot buitenstaander gemaakt dat hij vluchtte in de radicale, seculiere mystiek van de nationaalsocialistische mannenbond.
Hoe het zoeken naar eigen masculiene identiteit met nationalisme en antisemitisme in elkaar kon grijpen, illustreert het werk van de schrijver en psychiater Hans Blüher (1888-1955), die in Hitlers radicale mannenbond na de Eerste Wereldoorlog een cultfiguur was. In zijn boek Die Rolle der Erotik in der männlichen Gesellschaft introduceerde hij in 1917 het ideaal van de Männerheld, een romantische, erotiserende figuur, die andere mannen inspireert om te vechten voor Duitsland. Zonder die erotische dynamiek tussen soldaat en superieur waren legers volgens hem machteloos.
Wat voor Freud ‘seksualiteit’ was, noemde hij ‘eros’. Dat ging niet (alleen) over seks, maar over de fysieke en de poëtische kracht van heel Duitsland.
Blüher had de Duitse burgerij in 1912 geschokt met de bewering dat de wandelvereniging Die Wandervogel een vrijplaats voor homoliefde was. Als een van de eerste leden had hij beschreven hoe pupillen seksueel werden ingewijd door hun oudere leiders. Dat was volgens hem niet zondig en afwijkend, maar zuiver Germaans en geworteld in klassieke cultuur.
Een golf van burgerlijke verontwaardiging was over hem heen gespoeld. Was hij wel een echte Duitser? ‘Is hij soms een Jood?’ noteerde een redacteur van de Wandervogelzeitung geschokt.
In een ‘antwoord op mijn aanvallers’ had Blüher alles uit de kast gehaald om te laten zien hoe Germaans hij was. Hij had rood haar, schreef hij, een rode baard, grijze ogen en ‘geen platvoeten’. Hij was zo Germaans, dat ‘enkele antisemitische artsen’ die hij kende, hem zelfs een ‘woudteutoon’ noemden.
In het boek Secessio Judaica dat hij in 1923 publiceerde, maakte hij zijn redenering rond. De eigen stam, betoogde hij, was de ‘basisvoorwaarde van de Duitse mens’, en de Jood de anti-pool van het Germaanse, masculiene oerwezen. Je herkende hem volgens Blüher aan ‘zijn tred, zijn gebaren, de manier waarop de vingers uit de hand groeien, de haarinzet in de nek, het oog en de tong’.
Ex-keizer Wilhelm bestelde vanuit zijn ballingschap in Doorn meer dan honderd exemplaren van het boek. Maar het belandde volgens Blüher ook nog in andere ‘betekenisvolle handen’: in 1924 meldde zijn uitgever aan hem dat het boek besteld was door ‘de strafgevangene Adolf Hitler’ die in Landsberg gedetineerd zat na zijn mislukte coup tegen de Weimar-regering.
Hitlers radicaal-conservatieve mannenbeweging was ook een seksuele cultuur. De erotische sfeer in de NSDAP viel veel tijdgenoten op. In de eerste grote biografie van Hitler, die in 1936 verscheen, sprak de Amerikaanse journalist Konrad Heiden van een ‘prevalentie van homoseksualiteit in Hitlers meest intieme kring,’ waardoor ‘velen’ hem verdachten van ‘dezelfde zonde’.
Eugen Dollmann, een homoseksuele medewerker van SS-leider Heinrich Himmler, die als diplomaat in Rome werkte, schreef na de oorlog in openhartige memoires over het (nacht)leven in die stad, dat Hitlers ‘zwak voor jongensachtige mannen’ in ‘bepaalde kringen’ bekend was.
Meerdere ooggetuigen beschreven Hitlers voorkeur voor mannenvriendschappen en zijn ongemakkelijke, vaak obsessieve omgang met vrouwen. De Amerikaans-Duitse pianist Ernst Hanfstaengl, die achttien jaar lang voor hem werkte, noemde hem een ‘narcist met een oedipuscomplex’ die zijn homoseksuele neigingen verdrong. Blüher noemde hem een ‘typus inversus neuroticus’, destijds een term voor onderdrukt homoseksueel.
De politieke opera die Hitler voor Duitsland componeerde was een liturgische verering van de Germaanse man, een übermensch die werd aanbeden door zowel mannen als vrouwen. En dat terwijl hij, de Oostenrijker met dun donker haar, fijne gelaatstrekken, aflopende schouders, brede heupen en vaak hevige emotionele uitbarstingen, van die uitgebalanceerde superman zelf het tegendeel leek te zijn.
Verbeelding kon hem boven zichzelf uittillen. In de propagandafilm Triumph des Willens maakte cineaste Leni Riefenstahl van hem één man: een ongenaakbare leider, die met de armen over elkaar vastberaden richting horizon staarde.
In haar essay Fascinating fascism beschreef Susan Sontag hoe Riefenstahl van het Duitse volk ook een perfect gechoreografeerd lichaam maakte dat geen afwijking duldde. Dáár was Hitler mee ‘getrouwd’. En dat, beweerde hij zelf, was ‘het geluk van Duitsland’.
Nu is zoeken naar ‘bewijs’ voor homoseksualiteit in de eerste helft van de 20ste eeuw een anachronisme in zichzelf. Verlangen naar het eigen geslacht was nog geen identiteit, en die zul je daar dus ook niet vinden.
Dat neemt niet weg dat het moderne verlangen van mannen naar elkaar een maatschappelijke kwestie was. De man die zich als homo liet kennen, werd beschimpt, geridiculiseerd, tot psychisch ziek of biologisch abnormaal verklaard en zelfs opgesloten.
Het conflict over mannelijkheid ging bovendien niet alleen over seks, maar
over de oorsprong en het doel van de gehele moderne mens, die zijn
eigen ‘zuivere’ natuur wilde kennen.
Volgens historicus en jurist Theo van der Meer, die werkt aan een biografie van de homoseksuele volkenkundige Piet Meertens, leverde het conflict tussen christelijk burgerdom en homo-erotisch verlangen in de moderne tijd himmelhoch jauchzende mystiek op. Hevige verboden gevoelens werden vertaald naar het allerhoogste doel, vertelt hij. ‘Verliefdheid op jongens transformeerde in liefde voor de mensheid, verlangen werd mystieke eenwording met Christus of nam de gedaante van de apostel Johannes aan die aan de borst van Jezus ligt.’
De nazibeweging was doordesemd van mystiek die werd gekoppeld aan de oerman. Mannelijkheid en oorsprong werden tot esthetisch ideaal gemaakt, voor christelijke burgermoraal kwam een seculier, Germaans sprookje in de plaats.
Een morbide paradox was daarvan het resultaat. Als esthetisch en filosofisch ideaal werd de ‘man-man-eros’ gecultiveerd, officieel werd de ‘homoseksueel’ verguisd en vervolgd. Het burgerlijke gezin werd als het hoogste ideaal gepropageerd, maar de man werd daaruit juist losgerukt om als ‘mannenheld’ te strijden en te sterven voor Duitsland.
Iemands seksuele ‘aard’ is te intiem, en misschien ook wel te complex, om als absoluut feit te duiden. Daarom branden historici er vaak liever hun vingers niet aan. Toen de Duitse historicus Lothar Machtan in 2002 beweerde dat Hitler een geheim leven als homoseksueel geleid had, oogstte hij daarmee veel kritiek, onder andere van Hitler-biograaf Volker Ullrich, die het in 2013 ‘pure speculatie’ noemde.
Toch kan moderne politieke ideologie niet los worden gezien van de strijd over mannelijke en vrouwelijke seksuele identiteit, die aan het begin van de 20ste eeuw, parallel aan die over arbeid en kapitaal, losbarstte.
Homoseksualiteit in die tijd niet zien, is niet minder problematisch dan haar aanwijzen. Zo hebben biografen die over Hitlers seksleven niet willen ‘speculeren’ er gek genoeg geen moeite mee om Eva Braun zijn ‘minnares’ te noemen. Terwijl zij, klagend over zijn voortdurende afwezigheid, twee zelfmoordpogingen deed, door Hanfstaengl een ‘veredeld meubelstuk’ werd genoemd en zelf aan Dollmann
verklaarde met Hitler nooit seksueel contact te hebben, omdat hij zichzelf al aan Duitsland gegeven had.
Hadden historici hier soms een verrekijker, of is seks met een vrouw in hun ogen net zoiets als tandenpoetsen? Wordt überhaupt niet opgekeken van het feit dat zoveel mannen die een afwijkende of gestoorde relatie met vrouwen hadden, elkaar in Hitlers militante, misogyne beweging vonden?
Eckart haatte vrouwen, de echtgenote van Rudolf Hess typeerde haar huwelijk met hem later als een ‘nonnenschool’, Röhm ‘walgde’ van alle vrouwen behalve van zijn moeder en van zijn zussen, en Himmler vond seks ‘gevaarlijk’ maar ontwikkelde al jong een obsessie met voortplanting, die resulteerde in een soort van magisch-realistische cultus rondom vruchtbaarheid.
‘Seks is politiek’, beweerden feministen in de jaren zestig en als dat ergens het geval was, dan was het in nazi-Duitsland. De Franse cultuurhistoricus Johann Chapoutot beschreef hoe een door christelijke zeden gedomineerde burgercultuur door de nazi’s werd opzijgeschoven voor de heidense ethiek van Naturgesetzliche politik.
In plaats van de tien geboden kende Hitlers Rijk nog maar één alles overheersend doel: overwinning en verspreiding van de ‘arische’ soort. Moraliteit werd een kwestie van respect voor de bloedlijn der Ahnen, voorouders, in plaats van voor de burgerlijk-christelijke zeden. Masculiene oerkracht moest niet onderdrukt maar juist gestimuleerd worden. Het belang van huwelijkse trouw werd gerelativeerd, echtscheiding makkelijker gemaakt, en ongehuwde moeders die raszuivere kinderen baarden uit het verdomhoekje gehaald.
Hoe Hitlers anti-burgerlijke, radicale mannenbond de steun van burgerlijk Duitsland verwierf, blijft het raadsel van Duitsland, maar de Nacht van de Lange Messen in de zomer van 1934, was hierin een cruciaal moment.
De seksuele anarchie van SA-leider Ernst Röhm liep zo uit de hand, dat Hitlers beweging begin jaren dertig een schietschijf werd van socialistische propaganda. ‘Roei de homo’s uit en het fascisme is verdwenen’, luidde volgens schrijver Maxim Gorki een gezegde in de Sovjet-Unie. Ook conservatieven begonnen toespelingen te maken op de losse zeden in Hitlers beweging. Hitler besloot zijn homoseksuele vriend Röhm, die bovendien al te linkse politieke ideeën wilde doorduwen, te offeren.
Himmler, de homofobe leider van de Schutzstaffel (SS) die met de SA concurreerde, organiseerde een moordpartij die Röhm en honderden andere homoseksuele SA’ers het leven kostte. Met die ‘schoonmaak’ was Duitsland beschermd tegen de ‘ongelukkige aanleg’ van mannen zoals Röhm, verklaarde rijksleider Goering.
Wie dit macabere spel met schijn en werkelijkheid doorzag, was de Duitse schrijver Thomas Mann. Over hem verscheen in Duitsland vorig jaar een biografie van Tilmann Lahmann (de Nederlandse vertaling verschijnt later dit jaar), die laat zien dat verdrongen homoseksualiteit op zijn leven en zijn werk een grotere invloed had dan tot nu toe gezien werd.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield Mann een door bewonderaars nooit helemaal begrepen lofzang op de mannelijke kracht van Duitsland. Die oorlog, dacht hij, zou een einde maken aan de verstikkende burgerbeschaving waarmee het ‘vrouwelijke’ Frankrijk het ‘mannelijke’ Duitsland verstikte.
De ‘harten van de dichters’ waren opengegaan’, schreef hij. ‘Oorlog! Het was reiniging, bevrijding was wat wij ervoeren, en ongehoorde hoop.’
Na de oorlog bekende Mann in zijn dagboek dat die oorlogstaal was voortgekomen uit wat hij ‘seksuele inversie’ noemde, de gangbare term voor homoseksualiteit. In het essay Von Deutscher Republik sprak hij in 1923 publiekelijk zijn steun uit aan de ‘vrouwelijke’ democratische Republiek van Weimar. Duitsers moesten zich ‘door jeugd en mannelijke kracht’ niet zo laten meeslepen, schreef hij. De ‘humaniteit' woog zwaarder.
Vlak na Himmlers moordpartij, ruim tien jaar later, noteerde Mann in zijn dagboek dat de nazi’s hun seksuele schizofrenie nu aan iedereen hadden laten zien. Zij strooiden met zedelijke ‘deugpropaganda’, schreef hij, terwijl homoseksualiteit intussen ‘een van de wezenlijkheden van het nationaalsocialisme, ja van het Duits-zijn is’.
Om Duitsland te verleiden had maatschappelijke outcast en mannenvriend Adolf Hitler een burgerlijk jasje aangetrokken. In de verraderlijke paradox zat de essentie van het nazisme.
Hans Blüher verloor na de ‘Nacht’ een van zijn beste vrienden. Hitlers zogenaamde bevrijdingsbeweging, besefte ook hij nu, was een bende ‘sadistische misdadigerstypes’ die uit zelfhaat geboren moordlust botvierden op wie of wat dan ook. Had Duitsland zijn ‘ontdekkingen’ over homoseksualiteit maar serieuzer genomen, verzuchtte hij. Dan zou ‘dit afschuwelijke schouwspel’ niet zijn opgevoerd.
Nadat de nazidictatuur verslagen werd, bevrijdden mannen en vrouwen zich vanaf de jaren zestig alsnog van christelijke zeden, via de democratische weg. Vanaf toen ging seksuele bevrijding ook over gelijkheid.
Maar onder invloed van globalisering, geopolitieke verschuiving en nieuwe technologie ontstond in deze eeuw over identiteit opnieuw een conflict. Misogyne politiek en mystieke obsessie met de eigen ‘stam’ doken weer op. In een beruchte speech nam Thierry Baudet het vergeten woord ‘boreaal’ in de mond, waarmee in nazikring destijds de bron van de zuivere ‘Noordse’ mens werd aangeduid.
Met Trumps Maga-beweging kwam de manosfeer op, en sinds de aanslagen op de Twin Towers leerde het Westen ook de islamitische variant van de mannenbond kennen, die zich tegen seksuele gelijkheid keert.
Moderne politiek gaat over eigen identiteit en daarmee over seksuele cultuur. Zonder oog voor de revolutie die op dat gebied rond 1900 begon kun je de geschiedenis van het nationaalsocialisme niet begrijpen. Toch speelt seksuele cultuur in de beschrijving van het fascisme in Nederland nauwelijks een rol. En dat terwijl het zedelijke leven van ‘mannenheld’ Anton Mussert, die op zijn 23ste met zijn twintig jaar oudere tante trouwde, opvallend onburgerlijk was.
De homobeweging voelt zich als vanouds verlegen met het thema. Vorige maand bezocht ik in het Kunstmuseum in Basel de tentoonstelling The First Homosexuals – The Birth of New Identities. Een mooie en interessante expositie, die laat zien hoe kunstenaars het onzegbare toch zeiden.
Maar terwijl de ‘entartete’ kunst die het vrouwelijke in de man toonde, ruim aandacht kreeg, schitterde de nazikunst die masculiene eros verheerlijkt door afwezigheid. Volgens de non-binaire conservator Len Schaller heeft de lhbti-gemeenschap het in de wereld al moeilijk genoeg. De tentoonstelling, die uit Chicago komt, werd door veel Europese musea geweerd voor Basel toehapte.
In dat klimaat, meende Schaller, kan homo-erotische nazikunst beter nog even in de kast blijven.
Daniela Hooghiemsta: De rode en de zwarte jonker – De oorlog van Marinus en Willem van der Goes van Naters. Uitgeverij Balans; 336 pagina’s; € 27,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant