In Monsterzicht schermt Van Aken behoorlijk opzichtig met zijn kennis over Carl Jung, dusdanig dat het boek eronder bezwijkt.
‘De oude wereld sterft, en de nieuwe wereld worstelt om geboren te worden; nu is de tijd van monsters.’
Jan van Aken kiest dit beroemde citaat van Gramsci (zij het in een parafrase van Slajov Žižek) als een van de motto’s van zijn nieuwe historische roman Monsterzicht.
Het boek speelt zich af aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, op het kantelpunt van de oude en de nieuwe wereld. Assistent-psychiater Victor Montanus arriveert in de lente van 1939 in Sint-Dymphna, een katholieke psychiatrische instelling in Hillingenkapel. Daar zal hij als volgeling van Jung de psychoanalyse introduceren als alternatief voor de behandelingen die hij ‘ouderwets, primitief en ineffectief’ vindt.
In deze ‘toevlucht voor de wankelen van geest en de zwaren van gemoed’, waar het ruikt naar ‘carbol en lysol, de scherpe, zure dampen van ammoniak en azijn, van teerachtig creosoot en bleekwater; het complexe bouquet van al die schoonmaak- en ontsmettingsmiddelen waarmee de zusters de vloeren schrobben’, botsen oude en nieuwe ideeën, maar ook religie en wetenschap met elkaar.
Victor raakt al snel gefascineerd door Lena, ‘een begaafd meisje’, waarna zich een licht clichématige verhaallijn ontrolt waarin de jonge dokter bijzondere talenten vermoedt in zijn patiënt. We lezen echo’s van Jungs fascinatie voor Sabina Spielrein, eerst zijn patiënt, nadien zijn assistent – hun complexe relatie werd in 2011 door David Cronenberg verfilmd in A Dangerous Method.
Sinds Lena haar moeder zag sterven, heeft ze last van ‘monsterzicht’: voor haar heeft ieder gelaat twee helften, een normale en een monsterlijke. Victor vermoedt dat zij de duistere kant van ieders persoonlijkheid kan zien, de ‘schaduw’, een belangrijk concept in Jungs dieptepsychologie (zoals Van Aken tot vervelens toe uitlegt). De dokter begint te dromen van een roemrijke carrière als psychoanalyticus, met Lena als zijn assistent.
Twee jaar voordat hij in Sint-Dymphna aankwam, raakte Victor in de ban van een andere vrouw, zo komen we te weten in deel twee van de roman, dat voorzien is van een motto van Iggy Pop: ‘I got a nazi girlfriend’.
Tegen het advies van familie, collega’s en studiegenoten in gaat hij in 1937 studeren in Heidelberg, Duitsland. Geen probleem, denkt de naïeve Victor, want: ‘Met politiek hield hij zich niet bezig.’ Bovendien leek de stad ‘zo vredig’, ‘bij de universiteit stonden wat jongens in bruine uniformen te praten, het leken kwajongens, kinderen nog’.
En hoewel het bewijsmateriaal zich opstapelt dat je niet met politiek bezighouden óók politiek is, blijft hij hangen in Heidelberg. Want hij heeft inmiddels een nazi girlfriend: de atletische, wellustige Verena Kirsch.
Tijdens Kristallnacht berijdt ze hem ‘als een amazone’, en ‘tussen het gelach en geschreeuw, het geronk van motoren en knallen van ingegooide ruiten, de wanhoopskreten van de slachtoffers van deze pogrom, zou niemand vermoeden dat een langgerekte kreet uit het raam van een Altbau afkomstig was van een jonge vrouw die haar hoogtepunt bereikte.’
Intussen wordt in Duitsland ‘geen Joodse psychiatrie meer bedreven’, heeft de professor voor wie Victor een aanbeveling had een ‘Berufsverbot’ wegens ‘politiek onbetrouwbaar’, en lijkt het in het ziekenhuis waar hij een bijbaantje heeft soms wel of de behandeling ‘juist de dood tot doel had’.
Maar hij sust zichzelf: ‘U vergeet dat wij neutraal zijn. Nee, ik ben ervan overtuigd dat wij buiten schot blijven.’
Wie is er eigenlijk ziek in zijn hoofd? De dokter of de patiënt? En wie is het ware monster? De nazi’s of de ‘neutrale’ burgers die verder leven alsof er niets aan de hand is? Zoals Alicja Gescinska in Vrouwen in duistere tijden Barbara Skarga (1919-2009) parafraseert: haat mag dan de motor van het kwaad zijn, onverschilligheid is de brandstof.
Zowel in Heidelberg als in Hillingenkapel behandelt Victor patiënten. De lezer krijgt verschillende casussen voorgeschoteld – ‘Erotomane’, ‘De man met de strohoed’ – waar verder niet echt op wordt ingegaan. Er is wat spielerei met kabouter Spillebeen als fallisch symbool in het kinderlied vol ‘orale en anale elementen’: en Jan van Aken schermt met termen uit de psychoanalyse.
‘Enantiodromie’, is zo’n woord dat voortdurend terugkomt. ‘Weet u wat het betekent?’ vraagt Victor aan zijn nazi girlfriend. ‘Nogmaals, ik ben niet achterlijk’, antwoordt zij. Toch gaat hij mansplainen: ‘Het is een sleutelwoord in de leer van Jung. Hij zegt dat een ontwikkeling uiteindelijk een punt bereikt dat ze in haar tegendeel omslaat, alsof het psychische systeem zichzelf corrigeert.’
Van Aken gebruikt het principe van enantiodromie ook narratief: bij verschillende personages komen eigenschappen en gedachten tot een kookpunt, waarna ze omslaan in hun tegendeel, met tragische gevolgen. Op zich een slimme manier om de theorie van Jung in een roman in te zetten, maar Van Aken is té opzichtig erudiet. En vooral neemt hij zichzelf zo ongelooflijk ernstig, wat het proza log en saai maakt en Monsterzicht finaal doet bezwijken onder zijn eigen sérieux.
Jan van Aken: Monsterzicht. Querido; 320 pagina’s; € 27,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant