Home

Vincent Merjenberg legt in ‘Danswoede’ de aantrekkingskracht van de waanzin bloot

In Merjenbergs tweede roman wiebelt hoofdpersonage Elias over het koord tussen genialiteit en gekte – en hij blijkt niet de eerste uit zijn familie. Wat heeft de middeleeuwse sint-jansziekte, een besmettelijke aandrang om te dansen, daarmee van doen?

is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.

Het lukte me maar niet. Een tijd geleden ging ik met een vriendin naar een ecstatic dance-bijeenkomst, bij wijze van experiment. De aanwezigen zouden vrij en meditatief gaan dansen, naar eigen smaak en zonder vaste choreografie.

En dat om ‘los te komen van ego’ en in een trance te raken, extase te bereiken. Zonder middelen, zonder te praten.

Je danst erbij en je kijkt ernaar, naar de massahysterie die volgt. Het springen, huppelen, het gerollebol over de met matten bedekte vloer. Een zestigtal volwassenen op blote voeten, vol van dat wat voor mij niet voelbaar werd: devotie.

Een aangename gekte, benijdenswaardig zelfs. Alsof zij, collectief, een geheime toegang tot iets hadden gevonden.

Elias, het hoofdpersonage in Danswoede van Vincent Merjenberg (1983), had die sleutel ook in zijn bezit. Twee jaar lang leefde hij op straat, nadat hij na de publicatie van zijn familieroman (ook Danswoede getiteld) en de daaropvolgende dood van zijn moeder volledig was doorgebrand. Het gek zijn ging hem gemakkelijk af, ‘er was altijd wel iemand om tegen te praten en de massa was één groot lichaam’, met Elias als het kloppende hart. ‘Dit leven op straat was een concretisering van het doorzien van de dingen. Zo voelde hij dat heel sterk. Hij doorzag alles, zelfs zichzelf.’

Gek zijn zit in Elias’ genen, weet hij, daarom is hij er zo goed in. Van zijn opa geërfd. Elias’ moeder – labiel, manipulatief, verslaafd, she’s got it all – zei altijd dat hij precies zijn grootvader was. Haar vader: gek geworden en veel te vroeg gestorven.

Je lijkt op hem. Vaak klonk het als een waarschuwing, voor het lot dat hem te wachten stond. En soms als een teleurgestelde verzuchting: Je lijkt op hem, maar je bént hem niet.’

We treffen Elias als hij weer van straat is geplukt, ondergebracht, de selffulfilling prophecy is toch niet waar gebleken. Hij zet ’s ochtends een espresso, doet oefeningen om zijn lichaam gezond te houden en belt af en toe met zijn uitgever. Die op papier genezen staat lijkt hem niet echt te bevallen – zijn schrijven komt niet van de grond, hij voelt zich verre van zichzelf. Tot hij bericht ontvangt van professor Amon Encke, zijn voormalige mentor en de aanstichter van – ja, van wat eigenlijk, zijn genialiteit of zijn gekte?

Cirkels

In Danswoede laat Merjenberg zijn personages op intrigerende wijze over dat koord wiebelen. Maar meer dan over lijnen gaat deze tweede roman, na zijn net zo ambitieus-mysterieuze De grijzen (genomineerd voor debutantenprijzen De Bronzen Uil en de Anton Wachterprijs), over cirkels.

Encke doet onderzoek naar massahysterie, naar dingen die geen directe oorzaak lijken te hebben. Zijn monografie over de middeleeuwse sint-jansziekte, een waanzinnige en besmettelijke aandrang om te dansen, resoneert bij Elias, die iets van zichzelf, ouder en grootouder in het ziektebeeld herkent, want ‘de slachtoffers van deze bizarre manie leken dezelfde vorm van vrijheid na te streven die hemzelf altijd tegelijk beangstigd en aangetrokken had’.

Hij zoekt contact met de professor, die niet aanslaat op zijn historische belangstelling, maar op zijn familiegeschiedenis. Die kan bezworen worden, meent hij. Uitgebannen, als Elias het aandurft er een ander verhaal tegenover te zetten. De versmelting tussen hem en zijn grootvader bestaat helemaal niet, Elias zou moeten breken met zijn verstikkende moeder. Fictie kan hem redden, als dat familiare bijgeloof vervangen wordt door een nieuw narratief. Hun contact wordt dat van een arts en een patiënt, met Elias’ roman Danswoede als uitwas. De publicatie duwt zijn moeder over het randje.

Maar toch – wanneer Elias onderweg is naar zijn oude leermeester, die op zijn sterfbed ligt, begint er wat bij de lezer te dagen. Heeft die berekenende Encke hem nu gered, of juist het laatste zetje gegeven, hem de dansvloer opgeduwd?

De professor drukte op Elias’ knopjes met zijn drammerige wijsheden, even vaag als helder, Merjenberg heeft het toontje precies te pakken.

En ondertussen tikte de tijdbom-Elias door.

Nocebo-effect

Het klinkt als wat veel, allemaal, maar Vincent Merjenberg klinkt alles heel knap en logisch in elkaar. De duiding van het historische fenomeen van de dansziekte, opgetekend door Encke, het tragische levensverhaal van de grootvader, vervat in de roman die kleinzoon Elias schreef, als boek-in-boek in het geheel opgenomen: zo samengebracht is het een heel interessante verkenning van het nocebo-effect, het kwade broertje van de placebo.

‘Ik zal schaden’, betekent het – tegen het eind laat Merjenberg het Encke allemaal uitleggen in een wetenschappelijke studie.

Hoe iemand precies is doorgedraaid, dat willen we als normale mensen toch het liefst weten. Misschien omdat dat de enige manier is waarop wij ons nog met de bezetene kunnen identificeren: vanuit het idee dat het onszelf ook zou kunnen overkomen, dat de danser ook ooit stilstond, net als wij.

Een kleine stijlbreuk, deze afwikkeling, het is zonde dat Merjenberg lijkt toe te geven aan de waarom-vraag in een boek dat verder zo in het teken staat van het onbegrijpelijke. Kop, staart. Elias danst weer.

De middeleeuwse dansziekten waren besmettelijk. Er in geloven, dat was de crux, want ook mensen die niets onder de leden hadden maar wel meebewogen, konden anderen aansteken. ‘Wie de ziekte verzon, riep de ziekte tot leven’, schrijft Encke. Merjenbergs tweede is een intelligent, sociologisch boek, dat, gek genoeg, de aantrekkingskracht van de waanzin blootlegt. Het haast ascetische verlangen op te gaan in iets, jezelf te kunnen verliezen.

Vincent Merjenberg: Danswoede. Atlas Contact; 272 pagina’s; € 23,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next