Home

Hoe lees je Oekraïense oorlogsliteratuur? Als een herinnering aan de zwakke plek die we dachten niet te hebben

Twee recent verschenen non-fictieboeken over de oorlog in Oekraïne zijn zó goed tot leven geblazen met literaire details dat het lijkt alsof je een roman leest. Verliezen we daardoor de realiteit uit het oog, of drukken deze verhalen juist extra hard op ons schuldgevoel?

is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.

Op het moment dat Rusland Oekraïne binnenvalt, zit schrijver Victoria Amelina in een taxi in Egypte op weg naar het vliegveld. Het is vier uur ’s ochtends en ze kijkt omhoog: de lucht is helder en de Grote Beer staat vertrouwd boven hun hoofden.

Tijdens de rit door de woestijn is de verbinding slecht, maar er komt één kort bericht op haar telefoon binnen, ‘als een telegram uit de Tweede Wereldoorlog, rechtstreeks van het front. Het luidt: ‘Explosies in Kyiv.’’

Amelina snakt naar adem, probeert een scenario te bedenken – gasexplosie? – waarin het geen oorlog is, en ondertussen probeert haar zoontje naast haar vrolijk een sterrenbeeld in de nachthemel te ontwaren.

Eenmaal in het luchthavengebouw is er geen wegkijken meer mogelijk. De Egyptische beambte blijft het tegen haar herhalen, om het besef te laten landen:

‘Je kunt niet naar je land.’

‘Je kunt niet naar je land.’

Nog steeds dringt de werkelijkheid niet helemaal tot haar door. Amelina staart naar het blauwe scherm met de vertrektijden. Later noteert ze in haar Vrouwen die oorlog zien: ‘Dit zal de laatste keer zijn dat ik Oekraïense steden op zo’n scherm zie: Lviv, Kyiv, Charkiv.’

De vierentwintigste

Ook schrijver Artem Chapeye zit die 24ste februari 2022 in een taxi. Hij vermeldt overigens dat in Oekraïne niemand 24 februari zegt, en al helemaal niet het jaar. Je zegt alleen ‘de vierentwintigste’, en iedereen weet wat je bedoelt.

In de weken voor de Russische invasie werden er in Kyiv iedere avond vuurpijlen afgestoken, iets wat niet gebruikelijk is. Chapeye dacht dat het opzet was, een manier om de bewoners angst aan te jagen.

En dan is het de vierentwintigste. Direct weet hij dat het geen vuurwerk is. ‘De muren schudden van de explosies. Ik voelde de vibraties tot in mijn ruggengraat. Mijn vrouw keek naar het donker en zei: ‘Het is zover.’

Ze vrezen dat ze niet weg kunnen, dat er geen taxi te vinden is. Maar opeens heeft hij er eentje beet. De chauffeur is slaperig, en wanneer ze net de Dnjepr oversteken vraagt hij: ‘Waarom is er zo veel verkeer op de weg om vijf uur ’s ochtends?’

Hij had in zijn taxi liggen slapen. Hij weet van niks.

Chapeye hoort vanaf de achterbank dat de chauffeur wordt gebeld door zijn familie in zijn thuisstad Zaporizjzja, een flink stuk naar het oosten van Kyiv. Hij schreeuwt in de telefoon: ‘Hoe bedoel je gebombardeerd?’

De kans bestaat dat hij hun uit de auto zet, schrijft Chapeye in Gewone mensen dragen geen machinegeweren, dat hij zichzelf wil redden. Maar hij brengt Chapeye en zijn gezin naar hun bestemming. Hij ziet niemand in het verkeer onheus inhalen, ziet niemand via de tegenliggende baan inhaalmanoeuvres uithalen. Het overheersende gevoel die eerste oorlogsdagen, schrijft Chapeye, is liefde. Solidariteit en een alomvattende liefde.

‘Er werd wat afgeknuffeld in die tijd. Mannen begonnen elkaar ineens een paar tellen te omarmen, wat daarvoor hoogst ongebruikelijk was in machistisch Oekraïne.’

De details doen het

Hoe lees je zulke boeken?

Het zijn die details die het hem doen: de Grote Beer. Het blauwe bord met de vertrektijden, waar nooit meer Oekraïense steden op verschijnen. Het vuurwerk. De vierentwintigste zonder verdere aanduiding. De taxichauffeur die van niets weet. De gerespecteerde verkeersregels.

Bij uitstek literaire details, de veelzeggende kleinigheden die het verhaal tot leven blazen en die je niet zomaar zelf zou verzinnen wanneer je de krant leest.

En tegelijk voel ik me, wanneer ik mijn aantekeningen bij deze boeken uitwerk, schuldig. Want ik lees, merk ik, de boeken alsof het romans zijn, meer dan als verslagen van actuele en tegelijk historische gebeurtenissen. Terwijl: de boeken zijn niet louter literaire vehikels. Ze beschrijven een werkelijkheid die door echte mensen dagelijks wordt ondergaan.

En misschien nog erger: ik merk dat ik in beide boeken verwachtingsvol naar de vierentwintigste toeschiet, omdat die nacht en ochtend de filmische momenten zijn waarop de tijd stopt en een nieuwe, enge wereld wordt geboren.

En dit is precies waarvoor zoveel Oekraïense politici en schrijvers waarschuwen, namelijk dat in West-Europa onze aandacht niet moet verslappen nu het sensationele begin van de oorlog langer achter ons ligt. Het existentiële, sombere, slepende, bloederige gevecht duurt voort, en iedereen die zich een seconde in geopolitiek verdiept snapt dat Oekraïne niet alleen voor zichzelf vecht, maar voor heel Europa. Het blijft onze aandacht verdienen.

Chapeye zit inmiddels bij de Oekraïense strijdkrachten. Victoria Amelina zat in juni 2023 met een internationaal gezelschap schrijvers in een pizzeria in Krematorsk toen het restaurant door een Russische raket werd geraakt. Ze stierf een paar dagen later, 37 jaar oud.

Hoe lezen wij?

In De Groene Amsterdammer was Manon Uphoff, schrijver en oud-voorzitter van PEN Nederland, vorige maand heel stellig over het lezen van Chapeye en Amelina: ‘Ons lezen wordt een handeling, een positiebepaling. We kunnen niet langer neutraal, afstandelijk of vrijblijvend lezen. Hoe comfortabel ons eigen leven ook is, we bevinden ons onverbiddelijk in dezelfde tijd, hetzelfde voortdaverende heden’, schreef ze. ‘De vraag gaat niet alleen over hoe zij schrijven, maar over hoe wij lezen. Met welke aandacht, bereidheid en bewustzijn van wie we zijn.’

Het zijn grote woorden, en tegelijk weet ik niet precies wat ze betekenen. Niemand die dit leest staat neutraal of afstandelijk ten opzichte van Oekraïne, want wie onverschillig is pakt deze boeken om te beginnen nooit op.

En wat is dan het omgekeerde, ‘niet-vrijblijvend lezen’? Moet wie deze boeken leest vrijwillig in dienst gaan in Oekraïne?

Dat bedoel ik niet sarcastisch. Het is eerder dat ik vermoed dat Uphoff een bepaald ongemak met grote woorden probeert te camoufleren. Het voelt alsof ze wíl dat het lezen iets doet, iets betekent. Het is heel herkenbaar wensdenken. Want geen raketinslag minder in Charkiv omdat iemand in Nederland een Oekraïens boek leest. Was het maar zo.

Misschien is dát de betekenis van Oekraïense oorlogsliteratuur: als een schuldcomplex in het hart van Europa. Als de plek die wij, als samenklontering van de rijkste landen uit de wereldgeschiedenis, permanent tekortdoen. Als een herinnering aan de zwakke plek die we dachten niet te hebben. Kortom, als een geweten.

Ik voel dat schuldcomplex wanneer Amelina uiteindelijk vanuit Egypte richting huis gaat. Ze landt op de luchthaven in Praag, en kan niet eens praten of dankjewel stamelen als ze door de douane gaat. Haar zoon vraagt waarom ze huilt:

‘Omdat we thuis zijn’, zeg ik.

‘Maar dit is Oekraïne niet,’ zegt hij verward.

‘Dit is Europa’, antwoord ik, alsof dat ene woord, ‘Europa’, een toverwoord is dat mijn kind alles duidelijk maakt.’

Het schuldcomplex is evident: ‘Europa’ kon haar leven niet beschermen. En iedereen die hierbij betrokken is voelt ergens schaamte, lijkt het. In het nawoord bij Amelina schaamt journalist Eva Peek zich. Peek werkte drie maanden vanuit het appartement van Amelina en telkens voelt ze hoe Amelina’s blauwe ogen haar volgen. Hoe doe je er recht aan in haar voetsporen te werken en te schrijven?

Ook Tommy Wieringa schaamt zich, hij schrijft het in zijn voorwoord bij Chapeye. Wieringa belt hem om hem te vragen mee te werken aan een documentaireserie. Wieringa: ‘Hij verdedigde zijn land tegen het Russische imperialisme en ik zou na ons gesprek pizza eten in een restaurant met uitzicht over een wonderschone vallei.’

Zelfs Artem Chapeye schaamt zich, schrijft hij. Iedereen in het land heeft het erover: ‘Als je een vrouw bent en kinderen hebt, schaam je je dat je geen betekenisvolle bijdrage kunt leveren aan de landsverdediging. Als je dat wel kunt en je als vrijwilliger inzet voor het leger, zit je altijd nog niet in het leger. Als je in het leger zit, dan dien je (zoals ik, bijvoorbeeld) niet in de voorste linies. Als je daar wel dient, dan ben je een officier en geen soldaat. (…) Als je gewoon soldaat bent die op de grond slaapt in een loopgraaf – dan ben je altijd nog in leven, terwijl je maatje het niet heeft gered.’

Sterker nog, wanneer een soldaat uit Chapeyes eenheid, die op een relatief veilige plek zit, zichzelf vrijwillig naar het front laat overplaatsen, schaamt die soldaat zich. Alsof hij bang is dat hij Chapeye een schuldcomplex wil opleggen.

Een week later is de soldaat omgekomen.

Kalme vertelstem

Beide boeken zijn, om verschillende redenen, prachtig. Bevlogen. Rijk. Menselijk. Gewone mensen dragen geen machinegeweren heeft een kraakheldere, kalme vertelstem. Over de Russen heeft Chapeye het nauwelijks. Hij schrijft over verbroedering, over moed. Over angst. Chapeye schrijft dat hij, als zijn vrouw en kinderen nog in het land zijn, de vreselijkste dromen heeft. Kinderen die op gruwelijke wijze omkomen, kittens en hondjes die door legerwagens worden platgereden.

Maar wanneer zijn vrouw en kinderen veilig het land verlaten beginnen de mooie dromen. Nog erger. Hij droomt dat hij zijn kinderen vastheeft, dolgelukkig is, en midden in de droom denkt hij steeds ‘als dit maar geen droom is’. En vervolgens lossen de kinderen op in het niets en wordt hij wakker, in zijn uniform met zijn geweer. De nachtmerrie is nu de werkelijkheid.

Amelina voltooide haar Vrouwen die oorlog zien nooit, en gek genoeg leest het mede daardoor als iets unieks. Talloze fragmenten lopen door elkaar heen; ze volgt een aantal Oekraïense vrouwen die, net als zij, oorlogsmisdaden vastleggen, die onderzoeken wat er met vrienden is gebeurd. Ze beschrijft ontmoetingen en panelgesprekken met andere schrijvers, buigt zich over de Oekraïense oorlogsgeschiedenissen van de vorige eeuw en spiegelt ze aan het heden.

Het gefragmenteerde voelt (maar wat weet ik nou?) zoals je denkt dat de uitbraak van een oorlog moet aanvoelen. Alles gebeurt tegelijkertijd, alles doorsnijdt elkaar, de betekenis van de ene gebeurtenis of ontmoeting wordt later – of nooit – pas duidelijk.

In de trein naar Kyiv zegt de conducteur dat Amelina het licht niet aan moet doen. Gevaarlijk. Maar ze opent het raam en kijkt de halve nacht naar buiten. Ze schrijft: ‘Ik zie hoe Oekraïne langs me heen raast, maar ook dichterbij komt, me opvult, net zoals de wind die van buiten komt mijn longen vult met de broodnodige lucht. Ik ben thuis, elke minuut onderweg naar Kyiv.’

De boeken van Chapeye en Amelina gaan over eenzaamheid, verlies, vernietiging, en toch lees je ze met een hoopvol gevoel: omdat de ellende niet lijkt te winnen, niet de liefde voor hun thuis corrumpeert, niet hun daadkracht. Zij, en de vele duizenden Oekraïners zoals zij, gaan zo lang als mogelijk door.

Artem Chapeye: Gewone mensen dragen geen machinegeweren – Gedachten over oorlog. Met een voorwoord van Tommy Wieringa. Uit het Oekraïens vertaald door Tobias Wals. De Bezige Bij; 144 pagina’s; € 21,99.

Victoria Amelina: Vrouwen die oorlog zien – Oekraïens dagboek. Met een voorwoord van Margaret Atwood en een nawoord van Eva Peek. Uit het Engels vertaald door Florian Jacobs. ISVW uitgevers; 320 pagina’s; € 29,95.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next