Home

Met ‘Zonnehuis’ toont Marja Pruis nogmaals waarom ze zo’n meesteressayist is

In het wandelessay Zonnehuis loopt Marja Pruis de Amsterdamse grachtengordel uit, naar haar working class geboortegrond Tuindorp Oostzaan. Knap, hoe zij de vraag ‘bij wie hoor je en waarom?’ kan stellen zonder dat het opiniemakerij wordt.

Toen ik Nederlands studeerde hoorde ik een studiegenoot eens zeggen dat het een goed bewaard geheim is dat Marja Pruis stiekem eigenlijk in Utrecht woont.

Dat was grappig omdat het iets zei over de Nederlandse letteren: dat alles zich in de Amsterdamse grachtengordel afspeelt, dat het een in zichzelf gekeerd wereldje is, elitair, homogeen. Pruis was overduidelijk onderdeel van die kringen, maar niemand mocht dus weten, ging de grap, dat ze een geheim leven leidde buiten die grachtengordel.

‘Kringen’ is een sleutelwoord in Zonnehuis, het wandelessay dat Pruis schreef in het kader van de prachtig uitgegeven Terloops-reeks van Van Oorschot. Een aantal jaren geleden verhuisde Pruis terug naar haar geboortegrond, die zich – indachtig die grap, ironisch genoeg – in Amsterdam bevindt.

Hoewel, een ander soort Amsterdam: Tuindorp Oostzaan, waarvoor je het pontje moet nemen en waar inmiddels ‘alles op oppuppen staat’. Tweeënzestig pagina’s lang neemt ze je mee op een wandeling van het Mosplein over de Papaverweg, de NDSM-werf, de Meteorensingel en het Zonnehuis naar de Vegastraat.

In die laatste straat woonden haar ouders bij een hospita terwijl ze zwanger raakten van hun eerste kind: ‘Ze zouden nu Amsterdam-Noord eens moeten zien. Waar mensen hun fiets neerzetten. Hoe druk de pont is.’

Pruis schrijft: ‘Mijn zus was niet zo’n wandelaar, het hoort meer bij mijn kringen om wandelen leuk te vinden’.

Als Pruis ‘mijn kringen’ zegt bedoelt ze een hoogopgeleide culturele elite, dezelfde mensen die bedoeld werden in die studentengrap – het zijn andere mensen dan de familie waarin ze opgroeide. Het is een eufemisme voor klasse, zou je kunnen zeggen, en zij belichaamt dan wat sociologen ‘opwaartse sociale mobiliteit’ noemen.

Maar in Zonnehuis betekent ‘kringen’ veel meer dan dat. De vraag die ze er mee stelt is: bij wie hoor je en waarom? Pruis loopt door Amsterdam-Noord haar verleden in, naar plekken die betekenisvol voor haar zijn. Naar mensen waarvan ze houdt. Beelden die ze koestert. Omdat ze bij haar horen.

Klassenkritiek ontstijgen

Een kracht van dit essay is dat het iedere meer of minder voor de hand liggende klassenkritiek ontstijgt. Zijdelings raakt het thema’s aan als gentrificatie, klassenstrijd, populisme en racisme, maar het is allesbehalve opiniemakerij.

Wanneer ze over de NDSM-werf loopt treft ze ‘een heel eigenaardig monument’ ter nagedachtenis aan de Turkse arbeiders die er in de jaren zestig gehuisvest waren in omstandigheden die ‘waarschijnlijk gewoon godgeklaagd’ waren.

Vlak daarna gaat het over haar oom, die toen ook op de NDSM werkte: ‘Lievere man dan hij kan ik me moeilijk voorstellen, maar toen hij een beroerte had gehad en niet meer kon praten, raakte hij totaal van streek als de verpleegkundige een hoofddoekje droeg.’

Zo’n sterk beeld, dat duizend keer meer zegt dan welke politieke analyse dan ook. Want je snapt de achterliggende maatschappelijke problematiek, de uitsluitingsmechanismen, je voelt mee met de Turkse arbeiders en die verpleegkundige met hoofddoek. Maar je ziet ook die oom voor je, en je gelooft meteen dat het een lieve man was.

Waarom dat zo goed werkt komt door de alom geroemde schrijfstijl van Pruis: persoonlijk, beeldend, invoelend, scherp maar niet veroordelend. Soms grijpt die stijl je bij de keel, bijvoorbeeld wanneer ze worstelt met wat en hoeveel ze kan vertellen over haar familie: ‘Ik wil ze niet uitleveren aan vreemde ogen. Probeer de onschuldige details te belichten.’

Je voelt dat ze recht probeert te doen aan het hele verhaal, dat ze weet dat dat per definitie onmogelijk is, maar dat ze het toch probeert, dat ze wel moet, omdat niemand anders het doet: ‘Er is zo veel te zeggen, maar ik weet niet goed hoe.’

Een van de manieren waarop Pruis te werk gaat is door slim gebruik te maken van de vrije indirecte rede: een manier van schrijven waarbij het nooit helemaal duidelijk is wie er aan het woord is, de ik-verteller (die samenvalt met Marja Pruis) of haar personages. ‘Wat hoor ik nou voor gekkigheid’ laat ze haar nicht Annemarie zeggen in de eerste zin van het essay.

Wie spreekt hier?

Meermaals komt dat woord terug: ‘Ja, gekkigheid, zo kun je het ook zien.’ Wie spreekt hier? Pruis zelf, maar ook haar nicht, haar oom, haar ouders, haar onlangs overleden zus. Het is een manier van spreken die al die perspectieven, van incrowd tot buitenstaanders, op een subtiele manier in de taal versmelt. Terwijl tegelijkertijd duidelijk is dat dat onmogelijk is, omdat er altijd een afstand blijft bestaan tussen het ik en de ander: ‘Ik weet niet wat een ander ziet. Ik kan alleen voor mezelf spreken.’

Met Zonnehuis toont Pruis nogmaals waarom ze zo’n veelgeprezen en bekroond meesteressayist is. Het motto van Michel de Montaigne, oervader van het essay, was ‘que sais-je?’ En ja, wat weet je eigenlijk? Heel weinig. Maar dat is geen reden voor defaitisme of cynisme, laat het werk van Pruis zien.

Haar poging een antwoord te formuleren op die vraag is het best te omschrijven met het Engelse woord soothing: verzachtend, rustgevend, troostend.

Marja Pruis: Zonnehuis – Een wandeling. Van Oorschot; 64 pagina’s; € 13,50.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next