is journalist en documentairemaker.
Eindelijk hebben ze Europa’s aandacht: het beeld van activisten op hun knieën, gekneveld en geblinddoekt, die door de Israëlische minister van Nationale Veiligheid, Itamar Ben-Gvir, worden beschimpt en door agenten worden mishandeld. Dat was dus de druppel.
Frankrijk noemde het ‘onbeschrijfelijk’ gedrag en verbande hem per direct van Frans grondgebied. De Italiaanse premier eiste excuses, Spanje vond het ‘monsterlijk’, de Raad van Europa was ‘geschokt’. Zelfs premier Rob Jetten vond het ‘alle perken te buiten gaan’, maar pas nadat zelfs de Israëlische premier de actie van zijn eigen minister ‘als beschamend’ had veroordeeld.
Wie de afgelopen drie jaar niet onder een steen leefde, denkt: huh? Itamar Ben-Gvir laat zich al maandenlang filmen terwijl hij gevangenen beschimpt en mishandelt. In februari stampte hij op de hoofden van gedetineerden terwijl ze met hun gezicht op de vloer lagen in de Ofer-gevangenis in Ramallah, op de Westelijke Jordaanoever.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De systematische verkrachting en mishandeling van Palestijnse gevangenen wordt al ruim twee jaar beschreven door die gevangenen zelf, is vastgelegd op video en opgeschreven in rapporten als Welcome to Hell. Ben-Gvir deelde machinegeweren uit aan kolonisten, toostte op de doodstraf voor Palestijnen en riep op tot de moord op Palestijnse functionarissen. Al die tijd was het geluid uit de Europese hoofdsteden: krekels.
Zou dit alles door die nu zo boze premiers echt zijn ontgaan? Of zijn sommigen getuigen van ‘onbeschrijfelijke’ misdaden meer gelijk dan anderen?
‘Het waarheidsgehalte van onze verhalen kan in twijfel worden getrokken; het is allemaal afhankelijk van huidskleur of afkomst’, vertelde de bureau chief voor het Midden-Oosten van de Los Angeles Times mij vorige week. Nabih Bulos was de afgelopen twee decennia getuige van alle grote oorlogen, van Oekraïne tot Afghanistan. Hij is behalve correspondent ook concertviolist en is geboren in Jordanië.
Maar hij ziet al jaren dat zijn naam in de krant aanzienlijk minder gewicht heeft dan die van een witte collega. ‘Internationale journalisten uit het mondiale noorden worden meer geloofd dan mensen met een achternaam als de mijne. Over onze rapportages zullen altijd vragen zijn.’
We zaten in een café in de Libanese hoofdstad Beiroet. Boven onze hoofden zoemde onophoudelijk een Israëlische drone. De dag ervoor waren acht auto’s op de snelweg naar Beiroet bestookt met raketten. Elke dag begon met nieuwe evacuatieorders van het Israëlische leger, die volgens onderzoek van Le Monde inmiddels 45 procent van de huizen in Zuid-Libanon hadden vernietigd of beschadigd. Een oorlog die niettemin nauwelijks aandacht krijgt van de internationale pers.
‘Het idee blijft toch dat wij te emotioneel betrokken zijn, te dicht op het verhaal zitten’, vertelde Bulos. Het bewijs voor die stelling leverde Nicholas Kristof van The New York Times, die op 11 mei wereldwijd ophef veroorzaakte met zijn column over de systematische verkrachting van Palestijnse gevangenen. ‘Dit verhaal wordt al twee jaar verteld. Maar nu pas wordt het serieus genomen, omdat het geschreven wordt door een witte journalist in The New York Times. Snap je? Dat is zoals het werkt’’, zei Bulos.
Journalisten met een Arabische achternaam worden niet alleen minder geloofd, ze lopen ook veel meer gevaar. In het café waarin we spraken hing de afbeelding van de Libanese Reuters-cameraman Issam Abdallah, die op 10 oktober 2023 werd gedood terwijl hij met zeven collega’s in persvesten verslag deed vanaf de grens tussen Libanon en Israël.
Het duurde drie maanden voordat Reuters durfde te rapporteren dat de raket die hun eigen collega had gedood afkomstig was van het Israëlische leger. Tot die tijd schreef Reuters dat de raket ‘uit de richting van Israël kwam’, zo bang was de redactie voor mogelijke kritiek.
Sindsdien kwamen zestien Libanese journalisten om het leven. ‘Als ik nu naar bepaalde gebieden in het zuiden ga, neem ik altijd een witte collega mee’, gaf Bulos toe. ‘Het spijt me dat ik het moet zeggen. Omdat ik gewoon bang ben dat als ik alleen rondrijd ik een makkelijk doelwit ben. Het is verschrikkelijk om te zeggen, maar ik gebruik eigenlijk mijn witte collega als menselijk schild.’
De internationale activisten van het Gaza-konvooi weten nu dat niemand veilig is voor het fanatisme van ministers als Itamar Ben-Gvir. Israël had het kunnen weten: in 1995 trok hij het embleem af van de dienstauto van de Israëlische premier Yitzhak Rabin, met de woorden: ‘Als we bij zijn auto kunnen komen, kunnen we bij hem komen’. Enkele weken later werd Rabin door een andere extremist vermoord. Zevenentwintig jaar later werd Ben-Gvir toch minister.
De last van het aantonen van de gevolgen van dat extremisme kan niet worden overgelaten aan lokale getuigen alleen, maar vergt de dwingende aandacht van grote internationale media. Al is het maar voor de luttele hoop dat Europa’s leiders dan eindelijk hun mond eens opentrekken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant