Het gaat slecht met bestuivende insecten, die essentieel zijn voor bijna alle voedingsgewassen. Een nieuwe langdurige telling moet uitwijzen hoe slecht. Maar ‘drastische maatregelen’ zijn nu al hoognodig, zeggen onderzoekers.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Een eurekamoment is doorgaans feestelijk, maar de kans dat Theo Zeegers over vijf jaar met zijn onderzoek naar de stand van insecten jubelend als een Archimedes uit bad zal springen en naakt door de straten zal rennen is nihil. Zo goed gaat het niet met de insecten, en dat is geen nieuws.
Maar iemand moet het doen, zo’n stelselmatige insectentelling. Zeegers dus, al veertig jaar entomoloog en betrokken bij het EIS Kenniscentrum Insecten. Begin april lanceerde hij een landelijke telling van bestuivers, in opdracht van het ministerie van LVVN.
Het project is mede deel van de Europese ambitie om de neergang van de insectenstand te stuiten vóór 2030. Alle EU-landen moeten uiterlijk vanaf 2027 meten in hoeverre dat doel wordt gehaald. Belangrijk, want de mens kan niet zonder insecten. Ongeveer 85 procent van de voedselgewassen is afhankelijk van bestuiving door insecten. ‘Zonder bestuivers zouden veel fruitsoorten en andere gewassen uit Nederlandse boomgaarden en supermarkten verdwijnen’, stelde onderzoekspartner Natuurmonumenten in april.
En dus inventariseren de komende vijf jaar acht professionele tellers op 150 locaties structureel het aantal bijen en zweefvliegen. Op vastgestelde dagen en tijdstippen, bij warm weer (dan tonen insecten zich meer dan bij regen en kou) belopen zij elk stukken van 1.000 meter. ‘Het protocol schrijft voor dat zij bij elke stap in een straal van anderhalve meter om zich heen kijken’, doceert Zeegers. En dan maar kijken wat ze zien. Op het blote oog, in een net, en in geval van twijfel gaat een opmerkelijk diertje mee naar het laboratorium voor determinatie. Een precisieklus, te ingewikkeld om aan vrijwilligers over te laten: in Nederland komen zo’n 350 soorten bijen en 320 soorten zweefvliegen voor.
Bij de aftrap gaf Zeegers alvast een schot voor de boeg: hij presenteerde nieuw onderzoek dat aantoonde dat op verschillende locaties in Nederland het aantal zweefvliegen de afgelopen dertig jaar met 50 tot 90 procent is afgenomen. Zweefvliegen zijn na bijen de belangrijkste bestuivers. Sinds 1990 gaan ze aanmerkelijk sneller achteruit dan daarvoor. Op sommige plekken met wel 3 à 4 procent per jaar. Zo’n versnelde afname zien we niet bij bijen, die in een constant tempo verdwijnen, zegt Zeegers. ‘Kortom, onze zweefvliegen zijn nog meer bedreigd dan onze wilde bijen’, zo concludeert hij.
Als we de achteruitgang al zo goed in kaart hebben, waarom dan nog vijf jaar tellen? Is dat voor de politiek geen excuus om nog vijf jaar met de handen in de zakken af te wachten?
Dat laatste zeker niet, zegt Zeegers. Wat hem betreft neemt de politiek nu al drastische maatregelen: ‘Er is wetenschappelijke consensus over de hoofdoorzaken van de achteruitgang in de insectenstand. Die zijn: stikstof, pesticiden, klimaatverandering – en dan vooral verdroging – en afname van geschikt leefgebied, vooral door de landbouw.’
Al die zaken moeten wat Zeegers betreft ingrijpend worden aangepakt. Maar hij gaat daar niet over; als wetenschapper zal hij de feiten blijven aandragen. Ook het nu begonnen onderzoek bevat voor hem nog uitdagingen. ‘We weten al dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de hoge zandgronden en de lager gelegen gebieden. Ik ben heel benieuwd hoe dat precies zit. Ook wil ik graag weten hoe goed het gaat met de soorten die niet op de Rode Lijst staan en dus in zogeheten goede staat zouden verkeren.’
De insectenwereld is volop in beweging, ziet Zeegers. Zo is er door klimaatverandering een grote aanwas van insecten uit zuidelijke streken. Inheemse soorten verdwijnen van de kaart; Zeegers wil weten waarheen die gaan.
Het tempo van de veranderingen verbijstert hem. ‘Insecten verschijnen nu drie weken vroeger in het jaar dan veertig jaar geleden. Dat is gemiddeld een halve dag per jaar vroeger; echt bizar snel.’ En zo kan het dat Zeegers insecten tegenkomt die in 1980 nog niet stonden vermeld in veldgidsen die noordelijker dan Parijs gingen, en nu in de helft van Nederland worden gezien.
Ondanks (of misschien wel dankzij) de achteruitgang mogen insecten zich verheugen in bredere belangstelling, aangewakkerd door bezorgde wetenschappers en betrokken burgers. Zo mag de grote rietsigaargalvlieg (wie kent hem niet?) zich in 2026 ‘Insect van het jaar’ noemen, als winnaar van de vijfde jaarlijkse verkiezing die Naturalis in het leven heeft geroepen. Een publieksactie, compleet met BN’ers die als ‘ambassadeur’ van een insect optreden, bedoeld om de waardering voor insecten op te vijzelen.
De grote rietsigaargalvlieg nam het dit jaar op tegen de vuurzwamveervleugelkever, de boerenwormkruidbladrandluis, de zandoorworm en de hertenluisvlieg – liefhebbers van woordspelletjes kunnen aan de entomologie hun hart ophalen. En dan zouden we bijna nog de schaatsenrijder vergeten, uitgeroepen tot ‘Waterdiertje van het jaar’ door burgerwetenschapsplatform Waterdiertjes.nl, waarin meer dan twintig instellingen en organisaties samenwerken.
Ook opvallend: het Handboek Motten – Alle microvlinders van Nederland en België, een even lijvig (788 pagina’s in twee delen) als prijzig (99,50 euro) standaardwerk waaraan bioloog Tymo Muus veertien jaar werk heeft gehad. Het verscheen op 7 maart; een woordvoerder van uitgeverij KNNV laat weten dat na twee dagen de eerste oplage was uitverkocht.
Er bestaan vele initiatieven die de bestuivers willen ondersteunen. Zo groeide een studentenproject aan de Wageningen Universiteit (WUR) uit tot BeeGrateful, een bedrijf dat twee keer per jaar bestuivers monitort en hun leefomgeving in kaart brengt. Op meer dan vierhonderd locaties in gemeenten en bedrijventerreinen onderzoekt het bedrijf bijenhotels en de omliggende habitats. Met de resultaten wil BeeGrateful gemeenten en bedrijven adviseren in hun biodiversiteitsbeleid. Van half april tot 2 mei jongstleden werden 2.150 waarnemingen verzameld van zo’n honderd soorten bestuivers. De rosse metselbij, de honingbij en de akkerhommel werden het meest gezien, het zijn algemene soorten die ook de jaarlijkse Nationale Bijentelling aanvoeren.
Dat plekken met veel variatie aan bloeiende planten meer bestuivers aantrekken, zoals bleek, is geen nieuws. Evenals de constatering dat de aanwezigheid van natuurlijk nestmateriaal als dood hout, riet en braam soorten bestuivers helpt die in holten nestelen, terwijl grondnestelende soorten juist open, zonnige zandgronden vergen. ‘Het klinkt logisch, maar nu kunnen we het ook aantonen en daarmee gerichte aanbevelingen doen voor habitatverbetering’, zegt Florence van Haastrecht, een van de initiatiefnemers.
Verrassender wellicht is dat het onderzoek toont dat niet elk groen automatisch de biodiversiteit bevordert. ‘Strak gemaaide grasvelden of beplanting met één dominante soort zien er misschien verzorgd uit, maar bieden vaak weinig voedsel, nestgelegenheid of beschutting voor bestuivers’, aldus de onderzoekers. ‘Met name de combinatie van vegetatielagen, kruidlaag, struiklaag en boomlaag blijkt een significant positief effect te hebben. Wanneer deze lagen afzonderlijk rijk aanwezig zijn, zien we al meer bestuivers. Wanneer alle drie de lagen samen voorkomen, is het effect op biodiversiteit het sterkst.’
Op locaties waar ecologisch wordt beheerd en waar veel verschillende inheemse, vroegbloeiende planten aanwezig zijn, werden meer bestuivers gezien. Dat kan zelfs op recent vergroende bedrijventerreinen al het geval zijn. In open landschappen, zoals langs dijken en open weilanden zonder herstelmaatregelen, worden juist minder soorten gezien.
Dat herstelmaatregelen kunnen helpen, zag BeeGrateful in het Limburgse Thorn, waar een gebiedje ‘bijvriendelijk’ werd ingericht en ecologisch beheerd met een gevarieerd aanbod aan planten. Daarbij werden ook zeldzame bestuiversoorten waargenomen, waaronder de ereprijszandbij en de groene zandbij.
Entomoloog Theo Zeegers wijst op een onderzoek naar de stand van bestuivers in Bargerveen in Drenthe, bij Emmen. Het natuurgebied daar werd de afgelopen dertig jaar hersteld en beheerd, met onder meer grootschalig waterbeheer. Dat had effect: vooral bijen en zweefvliegen gingen vooruit, tegen de landelijke trend in. De droogte van afgelopen jaren was ook daar meetbaar, maar minder sterk dan op landelijk niveau.
Het is een zeldzaam lichtpuntje in het vakgebied van Zeegers, geeft hij toe. Hij kent de vele initiatieven om bestuivers te helpen, van gratis zakjes zaad uitdelen (zoals van The Pollinators) tot de aangekondigde verduurzaming van tuincentra. Zeegers waardeert de initiatieven, ‘al is het maar om burgers enig handelingsperspectief te geven’. Maar hij blijft nuchter: ‘Zonder drastische maatregelen van de politiek blijft het klein bier. De insectencrisis is zo groot dat die te complex is om aan de burger over te laten. Daar hebben we een overheid voor. Die moet nu handelen, voor het te laat is.’ En hij zegt het maar eerlijk: ‘Dat gaat in het huidige politiek klimaat niet gebeuren. Maar ik zal doorgaan met het verzamelen van de kille feiten.’
Hoewel verstedelijking een bedreiging vormt voor bestuivers, kunnen juist steden een grotere rol spelen in bescherming. Nederland telt grofweg 3.500 wijken die zouden kunnen worden omgevormd tot veilige, voedselrijke leefgebieden voor insecten, onderzocht Collectief Natuurinclusief, een samenwerkingsverband van bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden.
De organisatie publiceerde onlangs ‘elf richtlijnen voor insectvriendelijke steden’. De meer dan zevenduizend insectensoorten die afhankelijk zijn van planten, zouden zijn geholpen met stedelijk groen dat ecologisch is ingericht, stelt Collectief Natuurinclusief. De leefgebieden voor insecten moeten minimaal 0,8 hectare groot zijn, er mag niet worden gewerkt met chemische bestrijdingsmiddelen en de beplanting moet bestaan uit inheemse soorten.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant