Home

Geniale tenorsaxofonist Sonny Rollins (1930-2026) bleef levenslang geplaagd door onzekerheid

De maandag in zijn huis in Woodstock overleden Sonny Rollins (95) was een van de allergrootste muzikanten die de jazz heeft voortgebracht. De tenorsaxofonist speelde met Charlie Parker en Miles Davis, kon zich meten met John Coltrane en Wayne Shorter en had de allermooiste toon die ooit op een tenorsax is geblazen.

De reus is dan toch gevallen: tenorsaxofonist Sonny Rollins, de laatste jazzgigant uit de generatie die het genre halverwege de vorige eeuw vormgaf. Hij was geen groot jazzvernieuwer, zoals zijn generatiegenoten Miles Davis, Wayne Shorter en John Coltrane, maar hij was wél de allerbeste saxofonist die de jazz heeft gekend, met een machtige toon en een improvisatievermogen waaraan zelfs John Coltrane niet kon tippen.

In de jaren vijftig en zestig waren Coltrane en Stan Getz de grote namen, maar de reeks platen die Rollins tussen 1956 en 1958 uitbracht werden stuk voor stuk legendarisch: Saxophone Colossus (1956), Way Out West (1957), Newk’s Time (1957), Freedom Suite (1958) en de live-plaat A Night At The Village Vanguard (1957) zijn al meer dan een halve eeuw niet uit de jazz-canon weg te denken.

De in 1930 als Walter Theodore Rollins in New York geboren muzikant had het geluk op te groeien in een tijd en op een plek waar jazzgeschiedenis werd geschreven door de bebopgeneratie van legendarisch geworden mannen als Thelonious Monk, Charlie Parker, Bud Powell en Miles Davis. Hij zocht ze op en speelde al met ze toen hij zijn tienerjaren nauwelijks was ontgroeid. De omgang met hen dwong hem al vroeg het beste uit zijn spel te halen.

Heroïne

De groten inspireerden Rollins, maar iemand als Charlie Parker bezorgde hem ook een verslaving aan heroïne. Rollins zou later zeggen dat hij, zoals veel jazzmuzikanten, dacht dat het druggebruik zijn spel zou verbeteren.

Tussen 1949 en 1954 leidde zijn verslaving tot diverse aanvaringen met de politie. Maar, vertelde hij in een interview met de Volkskrant, het was ook Parker die hem weer van de heroïne afhielp door hem tijdens een opnamesessie streng toe te spreken.

Woorden die voor Rollins meer betekenden dan de behandelingen in de vele afkickcentra die hij bezocht. Uiteindelijk had hij eind 1954 zijn verslaving overwonnen. In 1955 had hij vervolgens het geluk mee op tournee te kunnen met het kwintet van trompettist Clifford Brown en drummer Max Roach – hij kon daardoor weer snel routine opbouwen.

Het was ook in deze band dat Rollins uitgroeide tot een absolute grootmeester op zijn instrument.

De eerder genoemde reeks verbluffend sterke platen verscheen in de jaren daarna. Hoe goed de ontvangst ervan ook was, Rollins was niet tevreden over zijn eigen spel en trok zich in 1959 terug uit de jazzwereld om in de anonimiteit soms zestien uur per dag te studeren.

Williamsburgbrug

Dat deed hij onder de Williamsburgbrug, vlak om de hoek bij zijn huis, dat te gehorig was. Tussen augustus en november 1959 was die brug de enige plek waar Rollins, die net de top van zijn roem bereikt had, te horen was.

Hier tekende zich al af wat hem zijn verdere carrière parten zou spelen: onzekerheid over zijn spel en een toenemende weerzin tegen plaatopnamen. In 1962 verscheen zijn comebackalbum The Bridge en sindsdien was zijn plaatproductie behoorlijk, maar de kwaliteit ervan stond in geen verhouding tot zijn optredens.

Op het podium was hij decennialang ongenaakbaar. Niemand kon zo knap thema’s uit popliedjes, bebopnummers, opera’s en filmsoundtracks combineren met eigen composities als St. Thomas, Airegin en Oleo. Altijd is hij ze blijven verwerken in machtig klinkende improvisaties.

Keek op de week

Maar tevreden was hij dus zelden. Hij bleef zoeken naar die ene perfecte noot, lick of solo. Dat deed hij het liefst in triobezetting, zonder akkoordinstrumenten als gitaar of piano. Met tegenzin volgde hij eind jaren zestig de jazzrockmode, al even ongemakkelijk flirtte hij in de jaren zeventig met disco.

De popwereld leerde Rollins in 1981 kennen door zijn onvergetelijke solo in de hit Waiting on a Friend van de Rolling Stones.

Rollins bleef in de jaren tachtig en negentig platen maken die altijd goed maar zelden geweldig waren. Een Nederlands succesje had hij met het nummer Duke of Iron van het album Dancing in the Dark (1987), dat in 1989 de begintune werd van het satirische tv-programma Keek op de week van Wim de Bie en Kees van Kooten.

Rollins had inmiddels door dat hij met zijn prachtige spel grote concertzalen kon vullen, ging veel touren en kwam vanaf 1989 ook met zekere regelmaat naar het Concertgebouw in Amsterdam. Onvergetelijke gebeurtenissen, zoals ook een latere live-plaat als Without a Song: The 9/11 Concert (2005) zijn grootheid op de tenorsax onderstreepte.

In 2014 moest hij na meer dan zestig jaar op het podium te hebben gestaan door longfibrose stoppen met spelen. Zijn tijd, zo zei hij tegen de Volkskrant in 2020, vulde hij met yoga en het bestuderen van het boeddhisme.

Tot op de laatste dag bleef hij optimistisch en stond hij goedgemutst journalisten te woord, met wie hij graag zijn wijsheden over het leven deelde. Hij zag niet op tegen de dood en geloofde in reïncarnatie. Maar hij baalde wel dat hij niet meer kon spelen, omdat zijn spel nog altijd niet zijn gewenste staat van perfectie had bereikt. ‘Ik was graag door blijven spelen want ik blijf denken dat het beste nog moet komen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next