Home

Nu kabinet op het matje komt, blikt coronapersoneel terug: 'Het was onmenselijk'

Coronahoofdrolspelers als Jaap van Dissel, Mark Rutte en Hugo de Jonge moeten vanaf deze week op het matje komen bij de parlementaire enquêtecommissie corona. Die evalueert het kabinetsbeleid. Een arts en een uitvaartondernemer blikken terug: "Alle aandacht ging naar de ziekenhuizen."

"Er overleden zó veel mensen achter elkaar dat we nauwelijks toekwamen aan de verwerking. Terwijl je wel een band met mensen en hun families had opgebouwd", blikt Joes Meens (67) terug op de pandemie. Hij werkte als specialist ouderengeneeskunde in een paar verpleeghuizen in Nieuwegein.

"Coronapatiënten waren dood- en doodziek. Ik rende de hele dag van hot naar her, het was dweilen met de kraan open. Je had geen tijd om met een kop koffie stil te staan bij je verdriet."

De eerste maanden van de pandemie mochten verpleeghuisbewoners geen enkel bezoek ontvangen. Meens: "Behalve als iemands einde nabij was. Dan liet je een familielid eerst zo'n maanpakoutfit aantrekken: een lang schort, mondkapje, oogmasker en een soort hoedje."

"Zo kon diegene als een soort alien afscheid nemen van zijn of haar vader of moeder. Aan patiënten met fysieke aandoeningen kon je dat soms nog wel uitleggen, maar mensen met dementie begrepen het niet en schrokken daar heel erg van."

Het bezoekverbod hakte er enorm in bij de bewoners. "Ik zag mensen overlijden door eenzaamheid. Ze belandden in een soort depressie, aten en dronken niet, misten hun partner en kinderen heel erg en dachten: zo hoeft het van mij niet meer."

Het verpleeghuis van Meens ging daarom als een van de eerste in Nederland over tot "burgerlijke ongehoorzaamheid", zoals hij het noemt. "Na een paar maanden kozen we ondanks de lockdownregels toch voor een klein opendeurbeleid. Onder strikte voorwaarden mochten bewoners wat bezoek krijgen." Binnen twee weken gold het beleid in heel Nederland.

Het kabinet-Rutte III had meer oog moeten hebben voor de ouderenzorg, vindt Meens. "In het begin ging alle testcapaciteit naar de ziekenhuizen. Niemand wist hoe ernstig de situatie in de verpleeghuizen was, totdat enkele ICT-bedrijven achter de elektronische patiëntendossiers in april al die gegevens analyseerden. Toen pas werd duidelijk hoe groot de ramp was." Verpleeghuizen telden toen bijna tweeduizend vermoedelijke of bevestigde besmettingen, maar hadden nog steeds niet genoeg mondkapjes.

Toen de pandemie voorbij was, kreeg Meens er nachtmerries van. "Ik droomde over mensen die lagen te stikken en naar het ziekenhuis moesten, maar voor wie geen plek was. Alles bij elkaar leverde me een stevige burn-out op." Het duurde acht maanden voordat hij weer fulltime kon werken. Inmiddels is hij met pensioen.

Ook uitvaartondernemer Jos Buitelaar (58) zag hoe alle kabinetsaandacht naar de ziekenhuizen ging. Ook hij had te maken met lange dagen, enorm veel overledenen en te weinig beschermende middelen. Hij droeg noodgedwongen een week lang hetzelfde 'maanpak', terwijl dat wegwerpmateriaal was. En ook hij vond de maatregelen "niet meer menselijk", al begreep hij ze wel.

"Wie besmet was, mocht niet naar een begrafenis of crematie komen. Zo had ik te maken met een meneer die COVID-19 opliep, terwijl hij in het ziekenhuis lag voor heel iets anders. Vijf dagen later was hij dood. Zijn vrouw was ook besmet, dus zij mocht niet naar zijn uitvaart komen." Maar een uitvaart zonder partner, dat kan niet, vond de familie. "We hebben alles afgeblazen en ik heb meneer in mijn eentje weggebracht."

Na een paar maanden zag Buitelaar soms een creatieve oplossing. "Toen een besmette vrouw de natuurbegrafenis van haar vader zou moeten missen, heb ik de schuifpui van de aula opengezet en nam ze buiten op een stoel plaats. Met een draagbare microfoon kon ze vanaf die plek toch haar toespraak houden."

Buitelaar kreeg te maken met een samenleving waarin mensen steeds vaker vonden dat de regels niet voor hen golden. Dat ze bijvoorbeeld geen mondkapje hoefden te dragen. "Wij stonden voorafgaand aan een uitvaart altijd bij de ingang. Je kunt je wel voorstellen wat voor discussies ik daar heb gehad."

"En een familie kondigde eens aan dat zij met meer mensen zouden komen dan het maximum van honderd per uitvaart. 'We laten de vrouwen en kinderen als eerste naar binnen gaan en daarna komen wij, de mannen. En wij zijn allemaal crimineel', zeiden ze."

Buitelaar loste het diplomatiek op. "Ik vertelde die familie dat wij het aantal mensen niet zouden controleren, zolang zij ervoor zouden zorgen dat er niet opvallend veel auto's bij de ingang zouden staan. Want dan zouden we problemen krijgen met handhaving of de politie. Dat hebben ze toen keurig gedaan. Uiteindelijk waren er iets van 130 aanwezigen zonder dat de situatie escaleerde. Zo was ik altijd bezig om de overheidsregels enigszins werkbaar te houden."

Buitelaar vindt dat Den Haag te weinig oog had voor de uitvaartzorg. "Een rouwbezoek of uitvaart was niet aangemerkt als essentieel bezoek. Wij redden geen levens, maar het welzijn van de mens is niet alleen iets lichamelijks. Ook iets geestelijks. Veel mensen hebben behoorlijk wat emotionele last gehad van het feit dat ze niet naar een uitvaart mochten. En ik was daar de boodschapper en handhaver van."

Source: Nu.nl algemeen

Previous

Next