Home

De VPRO bestaat 100 jaar, oud-radiodirecteur Jan Haasbroek: ‘De grap was dat wij de enige waren die het leuk vonden om gekke dingen te doen’

De Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep oftewel VPRO bestaat 100 jaar. Oud-radiodirecteur Jan Haasbroek schreef een boek over zijn omroep: ‘Alles debunken, niets voor waar aannemen, dat is de kern van vrijzinnigheid.’

is cultuurverslaggever bij de Volkskrant.

‘Op 29 mei 2026 viert de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep – tot 1968 V.P.R.O., daarna omroepvereniging VPRO – haar honderdste verjaardag. Voor mij, de VPRO is bijna twintig jaar ouder dan ik, is dat een uitgelezen kans om de jarige met een boek te verrassen.’

Zo begint Jan Haasbroek zijn boek Waar gaat het eigenlijk over? 100 jaar VPRO dat vrijdag verschijnt. Het uitgebreid geïllustreerde overzichtswerk, waarvoor hij diep in de archieven dook en tientallen (oud-)medewerkers sprak, zal voor de VPRO inderdaad een verrassing zijn want niemand had Haasbroek erom gevraagd. ‘Het was een volkomen eigen idee. Ik dacht: de VPRO is een belangrijke factor in deze samenleving, hij bestaat honderd jaar, dat verdient een boek. Als iemand anders al een officieel jubileumboek was gaan schrijven, had ik het evengoed gedaan. Ik vond het leuk om mijn eigen kijk te geven op de omroep waar ik zoveel jaren heb gewerkt.

‘Maar het was nog een hele toestand, hoor. Ik heb het idee voor dit boek vorig jaar januari naar literair agent Paul Sebes gestuurd en hij reageerde nog dezelfde middag: goed plan, we gaan een uitgever voor je zoeken. Nou, daar zijn ze drie maanden mee bezig geweest, ze hebben wel vijftig uitgevers benaderd. Niemand had er zin in. Uiteindelijk zei uitgeverij Rubinstein ja.’

Waarom had niemand er zin in?

‘Ik begreep van Sebes dat alle uitgevers begonnen met de vraag hoeveel exemplaren de VPRO zelf zou afnemen. Het is een drama, die uitgeverijen, ze beginnen niet aan zo’n boek als ze geen afnamegarantie hebben. Rubinstein zou er ook met de VPRO over gaan praten, maar dat gesprek is geloof ik nog steeds aan de gang, of het is nog niet begonnen. Ik heb geen idee wat de directie van mijn boek vindt.’

Jan Haasbroek (1943) werkte tussen 1967 en 1996 bij de VPRO, onder meer als directeur radio. Daarvoor en daarna bekleedde hij verschillende journalistieke functies, net als zijn tweelingbroer Nico, oud-hoofdredacteur van het NOS Journaal: onder meer schreef hij voor HP en De Groene Amsterdammer en was hij directeur van de Humanistische Omroep.

In Waar gaat het eigenlijk over? deelt Haasbroek de honderd VPRO-jaren op in vier tijdsblokken. Hij begint bij het begin: de oprichting op 29 mei 1926, door de theologen Nicolette Bruining en Everhard Spelberg. Televisie bestond nog niet, radio wel. Een paar jaar eerder was door de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek in Hilversum de Hilversumsche Draadloze Omroep opgericht, later omgedoopt tot Algemene Vereniging Radio Omroep (AVRO), en inmiddels verzorgden ook de Nederlandsche Christelijke Radio Vereniging (NCRV), de Katholieke Radio Omroep (KRO) en de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA) wekelijkse radio-avonden.

Van de vijf omroepen die in de jaren twintig van de vorige eeuw radioprogramma’s gingen uitzenden, was de VPRO de laatste, de kleinste en de meest buitenissige, schrijft Haasbroek. Dát de vrijzinnig-protestanten die programma’s wilden maken, was om ‘de vrijheid van de godsdienstige persoonlijkheid te kunnen uitdragen en verdedigen tegenover orthodoxen, die strikt vasthielden aan het gezag van de Bijbel.’

Maar eigenlijk werden er in die beginjaren nog helemaal geen programma’s gemaakt, zegt Haasbroek. ‘Dat gaat door tot ver in de jaren vijftig, toen de televisie kwam. Die dominees wisten zich daar totaal geen raad mee, ze keken erop neer, televisie vonden ze iets voor duistere huiskamers. Het enige programmaformat dat ze kenden was een spreker – een vrijzinnige professor of theoloog of dominee – die lang, moeilijk en verheven lulde. Dat werd dan omlijst met orgelspel van Anthon van der Horst. En er was het Zondagshalfuurtje, gepresenteerd door Laura Spelberg, de echtgenote van oprichter Everhard.’

De periode 1969-1999 krijgt in Haasbroeks boek de meeste aandacht. Het zijn de jaren van Hoepla, Het Gebouw, Theo en Thea, Van Kooten en De Bie, Herenleed, Jiskefet, Zomergasten en tal van andere iconische programma’s. ‘Dat is de tijd die ik zelf het best ken, want toen werkte ik er, maar het is ook de bloeitijd van de VPRO. Niet dankzij mij, maar omdat het zo was; ik had gewoon de mazzel daar in die bloeitijd terecht te komen. De dominees waren weg, er waren nog geen netmanagers, er was nog geen commerciële omroep, overal was geld voor, het was een geweldige tijd.’

Daar ging een minder geweldige tijd aan vooraf; tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten alle omroepen samen met de Duitsers, ook de VPRO, schrijf je.

‘Dat was al bekend, Dick Verkijk heeft dat in de jaren zeventig onweerlegbaar beschreven in Radio Hilversum, 1940-1945. De VPRO had er een wat andere reden voor dan andere omroepen, die zag de Nederlandsche Omroep die de Duitsers in 1941 instelden als een mogelijke opstap naar een nationale omroep, die dacht: hierna komt de verzuiling niet meer terug. Dat was naïef en behoorlijk opportunistisch. Maar er werkten ook moedige mensen bij de VPRO, zoals Anne Mulder, die in 1941 in het omroepblad Vrije Geluiden van leer trok tegen de Jodenvervolging.’

Je hoort vaak dat sterke publieke omroep van belang is voor het overeind houden van een democratie, jij schrijft dat ook. Maar in de jaren veertig heulden de omroepen dus met de vijand.

‘Ze dachten: we redden het wel, want we gaan lekker amusement doen, muziek kan niet fascistisch zijn, we zullen ons niet laten dwingen om propaganda te maken – nou, dat lukte natuurlijk niet, want dat moest op een gegeven moment toch. En als je het niet deed, werd je eruit gegooid.’

Ik bedoel eigenlijk: waarom zou je erop vertrouwen dat een sterke publieke omroep in de toekomst wel een buffer vormt tegen bedreigingen van de democratie?

‘Daar kun je helemaal niet op vertrouwen, nee. En daarom moet zo’n omroep ook niet volledig in handen zijn van de staat. Media kosten geld, en dat geld komt van de commercie, van de overheid of van de gebruikers. Ik denk dat het enige werkzame model een mix van die drie is. Dat je mensen weer kijk- en luistergeld laat betalen, de overheid voor subsidie zorgt en dat er beperkt reclame-inkomsten zijn via de Ster.’

En dan alle omroepverenigingen opheffen en er één nationale omroep van maken?

‘Natuurlijk! Ik ben altijd tegen de verzuiling geweest en voor de gezamenlijkheid, ook in die bloeitijd, toen veel VPRO-collega’s hun eigen omroep koesterden. Iedereen wist hoe ik erover dacht, maar niemand vond het erg, want ze wisten dat zo’n nationale omroep er toch niet kwam. In die jaren hadden de PvdA en het CDA een Kamermeerderheid, en die partijen steunden het verzuilde omroepbestel.’

Volgens de huidige vooruitzichten gaan de bestaande ledenomroepen in 2029 op in vier of vijf omroephuizen. De VPRO en de EO willen er samen eentje delen.

‘Dat vind ik niet deugen.’

Waarom niet?

‘Als je de verzuiling dan toch overeind wilt houden, vanwege de pluriformiteit, en de boel gaat indikken zoals nu het voornemen is, moet je natuurlijk verwante partijen bij elkaar zetten, in overzichtelijke groepjes. Dan is het de nonsens ten top om mensen die niks met elkaar te maken hebben onder één management te plaatsen.’

De gedachte van beide omroepen is dat ze door samen te gaan hun identiteit overeind kunnen houden, juist omdat ze zo van elkaar verschillen.

‘Ja. Maar zo werkt het mechanisme niet. Dat de VPRO allang niet meer kan doen wat hij wil doen komt omdat we hier een publieke omroep hebben die wil scoren, uit angst dat anders iedereen naar de streamingdiensten gaat. Daardoor moeten steeds meer echt publieke programma’s het veld ruimen. En dat voorkom je niet door een fusie met een andere partner, dat voorkom je alleen door te zorgen dat de politiek zich niet meer met de omroep bemoeit. Er zou een zuiver publieke omroep moeten zijn die alles wat commercieel is overlaat aan de commerciële televisie. Dus sport en dat gedoe met die bakkers en andere flauwekul. Een kleine publieke omroep. En geen omroephuizen, die omroephuizen zijn nonsens.’

Wat blijft er dan over van de VPRO?

‘Niks, maar is dat erg?’

Hadden al die bijzondere programma’s waarover je in je boek schrijft kunnen ontstaan als de VPRO deel was geweest van zo’n groter geheel?

‘Dat denk ik niet, nee. Maar dat was een andere tijd. De grap van de VPRO was dat wij de enige waren die het leuk vonden om gekke dingen te doen. En omdat alle anderen dat níét deden, werden we groter en groter.

‘In deze tijd liggen al die dingen die voor de VPRO van vitaal belang zijn, onder vuur. Aandacht voor wetenschap, voor buitenland, voor de lange termijn in plaats van voor de korte, voor rare kunsten in plaats van voor gangbare. Journalisten worden tuig en schorriemorrie genoemd, wetenschap wordt gewantrouwd, de elite is verdacht. Het speelveld van de VPRO is aanzienlijk verkleind, door het populisme. Ik denk echt dat in deze tijd een sterke nationale omroep de enige weg is om tot vernieuwende of bijzondere programma’s te komen, als daar tenminste een management zit dat niet vanuit een commerciële maar vanuit een journalistieke en culturele insteek werkt. Alleen dan kan er nog iets van vrijzinnigheid bestaan.’

Wat versta jij onder vrijzinnigheid?

‘De kern van vrijzinnigheid is debunking. Op losse schroeven stellen. Niets voor waar aannemen. Onderzoeken. Praatjes tegen het licht houden. Je hoorde het die dominees altijd zeggen: ís dat nou wel zo? Die ‘stonden in de twijfel’, heette dat. Mijn moeder ook: klets toch niet zo jongen, denk even na. Dat is vrijzinnigheid. Wantrouwen ten opzichte van stelligheid, van ‘zo zit het’, van spijswetten of welke dogma’s dan ook. Je bij alles altijd blijven afvragen of het misschien niet toch anders zit.

‘Het komt dicht in de buurt van Karl Poppers falsificatietheorie: elke stelling moet weerlegbaar zijn. Als je een stelling niet onderuit kunt halen, dan kan hij niet leiden tot verbetering van de wetenschap. En in feite heb je het dan ook over de democratie. Democratie is oneindige onenigheid. Er is altijd onenigheid tussen mensen, dat is omdat we geen van allen hetzelfde gebakken zijn, of we nou op elkaar lijken of niet – mijn tweelingbroer is heel anders dan ik. En omdat we over dingen van mening verschillen, moeten we het gesprek voeren en proberen oplossingen te vinden. Dat lukt alleen als bepaalde waarden in acht worden genomen, de rechtsstaat en weet ik veel.’

In de jaren zeventig tot negentig straalden journalisten van de drie V’s – Volkskrant, VPRO, Vrij Nederland – juist in alles uit dat ze de wijsheid heel erg in pacht hadden. Ze bepaalden wat wel kon en wat niet, wat wel goed was en wat niet, ze waren behoorlijk stellig.

‘Maar dat mag dus niet.’

Maar het gebeurde wel, en het was van een tomeloze arrogantie.

‘Zeker. En die arrogantie heeft ook het populisme veroorzaakt, daar ben ik van overtuigd. Bij Vrij Nederland maakte de redactie uit wat goed was en wat niet en als je commentaar had, dan deugde je niet of was je te dom. Je had ook van die mensen die woedend waren als ze met pensioen moesten, haha.’

Was je zelf ook zo’n draak?

‘Nou, ik was vooral een mafketel. Ik zei altijd: er is niks gemakkelijkers dan directeur radio van de VPRO zijn, want je hebt een zak geld, dat verdeel je over een groep mensen en klaar is Kees. Waar ik voordeel van had, is dat ik principieel vond dat alles moest kunnen. Daar had ik goed over nagedacht en dat bleek ook te werken. Ik zei: gaan jullie vooral lekker over de schreef en dan probeer ik het wel weer bij elkaar te lullen. Mensen vonden mij een leuke baas omdat ik ze niet voor de voeten liep.’

Wie van al die programmamakers die je in je boek noemt, ademt het meest de ziel van de VPRO?

‘Arjan Ederveen, Pieter Verhoeff, Arjen Lubach. Wim T. Schippers! Er was altijd zo’n discussie: kies je voor Van Kooten en De Bie of voor Wim T. Schippers? Ik ben van Wim T. Schippers. Met Van Kooten en De Bie heb ik ook veel lol gehad, maar Wim T. Schippers is helemaal de VPRO. Ik citeer in het boek een zin van hem waarin hij zegt dat je ‘de zinloosheid van het bestaan sportief moet opvatten’: prachtig. En voorin het boek staat een foto van een van zijn kunstwerken, De verzonken toren van Drienerlo, op de campus van de Universiteit Twente. De kerk die verdrinkt: dat is de overwinning van de wetenschap op het geloof.’

Arjen Lubach zit nu bij RTL, is zijn programma anders dan toen hij nog bij de VPRO zat?

‘Nee, helemaal niet. Dat programma is zo goed, die makers ontstijgen dat.’

Hoe ziet jouw mediaconsumptie er tegenwoordig uit?

‘Ik doe niks met de telefoon, ik kan niet appen, niet chatten, ik weet niet eens hoe ik hem zachter moet zetten. Ik lees de kranten en ik kijk naar het nieuws, om zes uur naar de NOS en om half acht naar RTL. En ik zie al die talkshows, die allemaal even verschrikkelijk zijn, en ook gevaarlijk. Ze laten de gekste politici aan het woord zonder ze te weerspreken. Ik ben allergisch voor talkshows.’

Waarom kijk je er dan naar?

‘Dat hoort gewoon, dat zit in mijn journalistieke dinges.’

De VPRO heeft nooit een talkshow gemaakt. Moeten ze dat niet alsnog doen?

‘Nee, daar zijn we totaal ongeschikt voor. De VPRO maakt Tegenlicht, maar dat kun je nu niet meer op televisie bekijken. Dat is heel erg. Gelukkig zijn er ook jonge makers die snappen dat het de verkeerde kant op gaat en die nieuwe dingen ontwikkelen, mensen als Nicolaas Veul, Abel Enklaar, Stephanie Louwrier. Daar zit voor mij de hoop.’

Jan Haasbroek: Waar gaat het eigenlijk over? 100 jaar VPRO. Van domineesomroep tot avant-garde. Uitgeverij Rubinstein, € 34,99, verschijnt op 29 mei.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next