Home

Zijn invloed zie je terug in gevels, torens en ruimtes vol daglicht. Maar wie wás de mysterieuze Lieven de Key?

Een Gentse metselaar belandt als bootvluchteling via Londen in Haarlem en groeit daar uit tot ‘de Frans Hals van de architectuur’. Dat is het verhaal van Lieven de Key, over wie een biografie is verschenen. Waar zien we zijn invloed vandaag?

schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.

Er zijn in de Lage Landen zo’n twintig Lieven de Key-straten, een Lieven de Keypark, een Lieven de Keyschool, een Woonstichting Lieven de Key en een Lieven de Keypenning, zoals de Haarlemse architectuurprijs heet. Toch weten weinigen wie Lieven de Key (ca. 1557-1627) was, constateert journalist Ids Haagsma aan het begin van zijn pas verschenen biografie Meester Lieven van Ghendt.

Ja, zijn bouwwerken, die kennen velen wel. De Gentse metselaar, groot geworden als stadsbouwmeester van Haarlem, ontwierp onder andere de Vleeshal, de Waag en een stadhuisvleugel in Haarlem en het monumentale stadhuis van Leiden. Met een frontonnetje hier, een trapgeveltje daar en hanenkamvormige raambogen van rode baksteen en witte natuursteen die ‘als zonnestralen de gevel opfleuren’, zoals Haagsma het mooi omschrijft.

Op geen enkel werk zette Meester Lieven zijn naam; bouwen gold destijds als een gezamenlijke onderneming. Er bestaan geen afbeeldingen van hem. Aldus raakte hij na zijn dood vergeten, totdat zijn oeuvre rond 1860 door onderzoekers werd herontdekt en de Duitse kunsthistoricus Georg Galland hem uitriep tot ‘de Frans Hals van de Nederlandse architectuur’.

Maar wie was de mysterieuze man achter de schilderachtige gebouwen?

Ruim dertig jaar werkte Haagsma aan zijn boek, de levenswandel van De Key volgend. Hij ging naar Gent om te zien waar Lieven Lievenszoon opgroeide, in een dynastie van metselaars annex aannemers. Hij bestudeerde het imposante stadhuis dat in die tijd verrees en stelde zich voor wat een spannende periode het moet zijn geweest. ‘Gent, Brugge en Antwerpen waren toen het epicentrum van handel en cultuur, waarnaar de renaissance zich vanuit Italië had verspreid. Vlaanderen liep vijftig jaar voor op Holland’, zegt Haagsma. Met nieuwe technieken bouwden metselaars daar twee keer zo hoog; stedelijke panden met op de begane grond winkels achter grote etalageramen.

Politiek liep de spanning hoog op toen in 1577 in Gent de Calvinistische Republiek werd uitgeroepen, waarop de Spaanse koning Filips II geloofsvervolgingen begon. Het protestantse gezin De Key vluchtte in 1585 via Calais per boot naar Londen. Vijf jaar later duikt Lieven de Key, getrouwd en wel, op in Haarlem, waar hij prompt een reeks prestigieuze bouwopdrachten krijgt. Dat laatste vonden geschiedschrijvers vreemd, en daarom is getwijfeld of bepaalde gebouwen wel toegeschreven moeten worden aan De Key.

Haagsma vond een verklaring. Online speurend in de Amerikaanse mormonenarchieven met familiestambomen ontdekte hij dat Lievens jongere broer, anders dan men veronderstelde, niet samen met het gezin uit Gent vluchtte, maar al in 1577 naar Londen was vertrokken. Deze Gilliam – op zijn 18de al een handige zakenman – zou in 1621 medeoprichter worden van de West-Indische Compagnie, die de handelspost Nieuw Amsterdam stichtte; het huidige New York.

Haagsma: ‘Gilliam moet het gezin in Londen onderdak hebben geboden. Vervolgens verhuisde hij zijn handel naar Haarlem, waar hij zijn oudere broer in het zadel hielp.’ Het verklaart waarom Lieven de Key binnen twee jaar de artistieke regie kreeg over de stad aan het Spaarne. Hij bemoeide zich met publieke gebouwen, stratenpatronen en stelde zelfs een zwanenmeester aan voor het beheer van de zwanenpopulatie.

Een tweede sleutelfiguur die detective Haagsma in de familiestamboom opdook, is Jasper Panten. Bekend was al dat hij chef de bureau was in het atelier van Hendrick de Keyser, de stadsbeeldhouwer van Amsterdam met wie De Key regelmatig samenwerkte. Maar niet dat deze Jasper was getrouwd met De Key’s oudste dochter Josijna. Het stel verhuisde naar Zweden, waar Panten was aangesteld als hofarchitect. ‘Van de paleizen die hij daar bouwde, is weinig bewaard gebleven, maar op oude tekeningen van de gebouwen zie je dat hij goed heeft gekeken naar het werk van zijn schoonvader’, zegt Haagsma. Het toont hoe ver de invloed van Lieven de Key reikte.

Waar zien we die invloed vandaag nog terug?

Stadhuisgevel, Leiden: Gesamtkunstwerk (1598)

Met zijn eerste opdracht voor de vernieuwing van de Vontkapel in de Sint Bavokerk in Haarlem liet stadsmetselaar De Key meteen zien welke vernieuwing hij voor ogen had in Haarlem: in de gotische kathedraal plaatste hij een nieuwe raampartij in renaissancestijl en steunberen. Daarbij wist hij de verticaliteit van de gotiek en de horizontale lijnen van de renaissance – oud en nieuw – knap met elkaar te verbinden.

Toen de Leidse stadssecretaris Jan van Hout in Haarlem op bezoek kwam en de kapel zag, was hij zo onder de indruk dat hij De Key vroeg om een nieuwe gevel te ontwerpen voor het Leidse stadhuis. Het werd een 85 meter lange ‘symmetrische symfonie in steen’ met een monumentaal trappenbordes en een daarboven uittorende topgevel vol zuilen en ornamenten. Nog altijd twisten architectuurhistorici over wie precies wat ontwierp; De Key, de Leidse stadsmetselaar Hendrick Cornelisz van Bilderbeeck of de Bremer steenhouwer Lüder von Bentheim, die het natuursteen leverde. Vast staat dat vele vaklieden aan de stadhuisgevel hebben gewerkt.

Dat idee van een gesamtkunstwerk waarin architectuur en (beeldhouw)kunst versmelten, sprak driehonderd jaar later tot de verbeelding van de Amsterdamse architect Hein Berlage. Voor zijn ontwerp van de Amsterdamse Beurs bestudeerde hij gebouwen in Italië en Duitsland, maar hij was ook geïnspireerd door De Key. In zijn boeken beschreef Berlage onder andere diens Vleeshal en de stadhuizen in Haarlem en Leiden. Het 150 meter lange Beursgebouw gaf hij het voorkomen van een stadhuis met toren. Voor de wandversieringen, sculpturen en reliëfs betrok Berlage de beeldhouwer Lambertus Zijl, kunstenaars Jan Toorop en Roland Holst en dichter Albert Verwey. Maar het totaalkunstwerk kreeg uiteindelijk wel zijn naam.

Vredesbrug in Heemstede: De Key-collage (1646)

Tegelijk met de stadhuisgevel bouwde De Key in Leiden een stadspaleis aan het Rapenburg voor zijn vriend Daniël van der Meulen, een uit Antwerpen afkomstige, puissant rijke koopman. Het was een van de eerste huizen in de stad met een pronkgevel; een feest van natuurstenen krullen en gemetselde raambogen. Door talloze verbouwingen aan het pand, waarin nu het Japanmuseum is gevestigd, is daar niets meer van over.

Maar Haagsma ontdekte – via archiefstukken – dat er toch iets bewaard is gebleven: de natuurstenen balustrades die De Key liet maken voor het dakterras. Die werden opgeslagen en in 1646 verkocht aan diplomaat Adriaan Pauw, samen met een partij brokstukken en ornamenten van de gesloopte Marepoort. Deze stadspoort bij de rivier de Mare was in 1602 gebouwd om na 13 jaar alweer afgebroken te worden voor een stadsuitbreiding. Op een gevelsteen in een naburig Leids huis is te zien hoe de poort eruitzag: het ontwerp was grofweg een kopie van de voorgevel van de Key’s Vleeshal.

Pauw kocht de gebouwfragmenten om er zijn buitenhuis in Heemstede mee te verfraaien. Over de slotgracht bouwde hij de zogenoemde Vredesbrug, nadat hij als onderhandelaar van de Republiek der Nederlanden in 1648 de Vrede van Münster voor elkaar kreeg. Op een oud schilderij van het huis is de Marepoort – ingemetseld in de voorgevel – herkenbaar. Het huis werd in 1810 gesloopt. De brug, waarin de balustrades zijn verwerkt, is er nog.

Vleeshal, Haarlem (1604): Van Nellefabriek avant la lettre

De Vleeshal die De Key aan de Grote Markt bouwde, kreeg niet een, niet twee, maar wel drie pronkgevels in Hollandse renaissancestijl, versierd met ossen-, rams- en schapenkoppen. Het is het bouwwerk dat Haagsma het meest intrigeert. ‘Ik heb zitten peinzen: wat wilde Meester Lieven nu eigenlijk? Waarom maak je een gebouw met Anton Pieck-achtige gevels vol decoraties, en vervolgens aan de binnenkant gotische gewelven en spierwitte wanden?’

‘Uiteindelijk had ik het door: De Key’s voornaamste doel was daglicht binnenhalen, om een prettige werkplek te maken voor de vleeshouwers en koopmannen.’ Daarom ontwierp hij geen vlak renaissanceplafond, maar gewelven die het licht weerkaatsen. Daarom liet hij die gewelven en de muren witten, zoals dat in Vlaamse kerken ook wel werd gedaan. En daarom maakte hij – zeker voor 1604 – zulke gigantische ramen.

Aldus liep de Vleeshal ver vooruit op het modernistische adagium ‘licht, lucht en ruimte’, waarvan de Van Nellefabriek in Rotterdam (architecten Brinkman en Van der Vlugt, 1931) uiteindelijk hét symbool werd. De Key bouwde een daglichtfabriek avant la lettre.

Haarlemse gevels

Toen De Key in Haarlem arriveerde, was het daar een armoedige bedoening. Hij trof er tweelaagse huisjes met vlakke baksteengevels. De stadsmetselaar wilde de stad nieuw elan geven, maar besefte dat daarvoor meer nodig is dan een paar markante publieke gebouwen. De bulk van huizen bepaalt immers het algehele straatbeeld. Daarom ontwierp hij een reeks voorbeeldgevels voor woonhuizen. Kenmerkend zijn de rode baksteen, naar voren hellende trapgevels, raamluiken en wit-natuurstenen hanenkammen; rondboogconstructies die hij afkeek bij de Friese architect Hans Vredeman de Vries. Om opdrachtgevers te voorzien van dergelijke natuurstenen blokken en gevelornamenten, opende De Key een winkel.

Al snel verrezen overal in de stad – maar ook in Leiden en Amsterdam – ‘Haarlemse gevels’. Een fraai exemplaar is die van het dubbelpand De Olifant aan het Korte Spaarne, dat werd verbouwd voor de eigenaar van de gelijknamige bierbrouwerij. Ook nu nog strekken deze gevels tot voorbeeld. Zo bouwde architect Herman Zeinstra in de jaren negentig pal naast De Olifant een hedendaagse variant op het tweelingpand. Vooroverhellende gevels met getrapte vormen, grote ramen, felrood metselwerk met witte accenten; alle De Key-ingrediënten zijn erin aanwezig.

Annatoren in Haarlem (1616): nageaapt in Londen

De biografie toont niet alleen gebouwen van Lieven de Key, maar ook bouwwerken in Gent, Antwerpen en Londen die hij als jonge metselaar gezien moet hebben en die zijn stijl vormden. Al vermoedt Haagsma dat De Key als vluchteling in Londen ook aan bouwprojecten heeft gewerkt. ‘Hij was al aangesloten bij het Gentse metselaarsgilde, en gold als een jong talent. Via zijn broer Gilliam zal hij vast zwart betaalde klussen hebben gekregen.’

Als De Key inderdaad in Londen heeft gebouwd, dan is daar niets meer van te zien, want in 1666 verwoestte een grote brand de City. Maar: vervolgens verrees er wel een kerktoren naar model van de Annatoren die De Key in 1616 in Haarlem had gebouwd. Dat zit zo. De Britse architect Sir Christopher Wren kreeg na de brand opdracht om zo’n vijftig nieuwe kerken te bouwen. Hij begon met de belangrijkste, St. Mary-Le-Bow. Daarvoor liet hij de mooiste protestantse kerken in Europa in kaart brengen. Zijn medewerkers spitten honderden architectuurboeken door en er reisde een delegatie af naar de Republiek, die destijds op Engeland voorliep als het ging om kerkenbouw.

Ze kwamen uit bij de Annatoren, met zijn onderbouw van onopgesmukt metselwerk, waarbij de achthoekige toren vol obelisken, vazen, bollen en bogen des te uitbundiger afsteekt. Vooral deze ‘wellustige dans van vormen’, zoals Haagsma de toren typeert, moet Wren aangesproken hebben. Een soortgelijke dans zien we in de natuurstenen spits van Mary-Le-Bow. Haagsma: ‘En toch vind ik de Annatoren nét iets mooier.’

Ids Haagsma: Meester Lieven van Ghendt – Gebouwen rond Lieven Lievensz. de Key, Uitgeverij Architext, 37,50 euro

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next