Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
‘Kun je je haar naar achteren houden?’, vraag ik. Haar handen duwen de schelpwitte krullen uit haar gezicht en zetten die vast op haar hoofd. Haar ogen zijn weer iets groter dan de vorige keer; haar neus iets wijder. ‘Eerste keer dat ik je insmeer dit jaar.’ Het is een van de spaarzame momenten waarin ik meer dan een paar seconden het gezicht van mijn jongste dochter recht voor me heb en haar in alle rust kan bekijken. Maar goed, ze haat dit en ik haat dit omdat zij het haat.
‘Niet te dik.’
‘Ik doe het niet te dik, ik doe er precies genoeg op.’ Een veeg zonnebrand op haar voorhoofd, een veeg op haar kin en twee dikke druppels net onder haar ogen, waar ze snel rood wordt.
‘Ben ik nu helemaal wit?’
‘Nee.’ En dat is de eerste leugen van de dag. Ze is Witte de With.
‘Nog even je wangen.’
Ze gromt. ‘Ik ben er klaar mee.’
Ja, we zijn er allemaal klaar mee. Dat is het leven.
Ik smeer haar armen in en als ik daar klaar mee ben, klaagt ze dat ze nu helemaal kleverig is.
‘Even (fucking) geduld, het trekt zo in.’
Het pad naar het meer is een haast ondoordringbare kluwen van fietsen, bakfietsen en fatbikes. In de verte klinkt gedreun uit de draadloze speakers van de pubers die ook weer een jaar ouder zijn. Ze houden verblijf boven in de duinpannen en rennen af en toe schreeuwend naar beneden om elkaar in het water te beuken.
Beneden, aan de oever, zitten de ouders met de kleinste kinderen; net daarboven de ouders met iets oudere kinderen. Daar sjok ik heen, werp mijn laken uit, maak een hoofdkussen van de tas en ga verder aan mijn boek.
Mijn dochters rennen het water in. Dat is koud en samen met de witte lijven om ons heen het enige bewijs dat het echt nog pas lente is. Alles schreeuwt zomer. De scherpe zon, de dikke warmte, het bronstige gebrul van de puberbro’s, het geklieder in het water, het zand op mijn telefoon. Ze zijn alweer snel terug. De oudste gaat op een doek naast me liggen, op haar buik, en leest. De kleine bibbert. ‘Kom hier’, zeg ik. Ze kruipt naar me toe en legt haar hoofd op mijn borst. Haar krullen druipen. Vroeger roken ze dan naar natte wol. Nu ruik ik het water van het meer en een vleug conditioner.
‘Je bent lekker warm’, zegt ze. De warmte van de zon, het gewicht van haar koele hoofd op mijn huid, het geluid van haar ademhaling. Even ogen dicht, zodat alleen dit nog bestaat. De rest: ruis.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant