Home

Opinie: Pas als het papier zegt dat iemand hulp nodig heeft, lijkt die hulp officieel te bestaan

Waarom geven we een casemanager dementie, die een gezin soms jarenlang begeleidt, niet de mogelijkheid om tijdelijk ondersteuning direct te laten starten?

Toen mijn moeder in 2006 haar zorgboerderij begon, was de logica nog eenvoudig. Als iemand thuis vastliep, belde een casemanager dementie of een huisarts. ‘Kunnen jullie morgen beginnen?’ Natuurlijk kon dat. De papieren volgden later. Niet omdat regels er niet toe deden, maar omdat iedereen zag dat wachten geen optie was. Want dementie wacht niet.

Een mantelzorger die al maanden wakker ligt omdat haar man ’s nachts door het huis dwaalt, raakt niet pas op 1 juni overbelast. Een zoon die zijn moeder niet langer veilig alleen thuis kan laten, ontdekt dat niet op de dag dat de gemeente een besluit neemt. En een jonge man met niet-aangeboren hersenletsel die thuis steeds verder vastloopt, heeft die hulp niet ineens nodig vanaf de datum die bovenaan een brief staat.

Over de auteur

Jorn Albers is verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg en werkt daarnaast bij Zorgboerderij De Horst en Millsveld, dagbestedingslocaties voor jonge mensen en ouderen met dementie, niet-aangeboren hersenletsel en andere vormen van kwetsbaarheid.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Professionele inschatting

Toch is dat nu hoe ons systeem werkt. De casemanager dementie kent de cliënt, kent de partner en de kinderen, de momenten waarop het nét nog ging en het moment waarop het niet meer ging. Weet welke ondersteuning nodig is en welke plek passend is. Maar die professionele inschatting is niet meer voldoende: eerst volgt het keukentafelgesprek, dan het onderzoek, daarna de interne toetsing en tot slot de beschikking.

Pas als het papier zegt dat iemand hulp nodig heeft, lijkt die hulp officieel te bestaan. We hebben een systeem gebouwd waarin de indicatie belangrijker is geworden dan de werkelijkheid waarvoor die indicatie bedoeld is. Dat is geen verwijt aan Wmo-consulenten, integendeel. Ook zij werken onder hoge druk, met ingewikkelde regels, juridische risico’s en krappe budgetten. Gemeenten moeten iedere euro kunnen verantwoorden. Want als achteraf blijkt dat geld onterecht is uitgegeven, volgt kritiek van accountants, toezichthouders en soms de rechter.

Dat wantrouwen komt niet uit de lucht vallen. Internist Marcel Levi wees er onlangs op dat de schade van zorgfraude volgens schattingen kan oplopen tot miljarden euro’s per jaar. Een onthutsend bedrag. Publiek geld moet zorgvuldig worden besteed, maar er schuilt een wrange paradox in. Uit angst voor een kleine groep die misbruik maakt van het systeem, zijn we iets gaan bouwen dat vooral de goedwillenden wantrouwt.

En niet de fraudeur merkt als eerste de gevolgen. Het is de mantelzorger die nog een paar weken moet volhouden terwijl dat eigenlijk niet meer gaat. Het is de casemanager dementie, die precies weet wat nodig is, maar moet wachten tot haar professionele oordeel administratief is bekrachtigd. Het is de zorgaanbieder, die uit menselijkheid iemand alvast opvangt en hoopt dat de financiering later volgt. Maar het is vooral de cliënt, die in de tussentijd verslechtert.

Tegelijkertijd investeren gemeenten steeds vaker in algemene voorzieningen, zoals ontmoetingsplekken en huiskamers in dorpen, zo ook in onze gemeente Land van Cuijk. Dat zijn waardevolle initiatieven, maar laten we oppassen dat we deze voorzieningen niet presenteren als alternatief voor professionele dagbesteding. Een kop koffie in het dorpshuis is iets anders dan gespecialiseerde begeleiding voor mensen met dementie of niet-aangeboren hersenletsel.

Wie intensieve ondersteuning nodig heeft, is niet geholpen met een lichtere voorziening alleen omdat die goedkoper is. Juist tijdige, activerende dagbesteding helpt mensen langer zelfstandig te blijven, mantelzorgers te ontlasten en zwaardere zorg uit te stellen. Wat op papier een besparing lijkt, kan in de praktijk leiden tot hogere maatschappelijke kosten. Een dorpshuiskamer is een waardevolle aanvulling op zorg, maar geen vervanging van zorg.

De vraag is niet of we zorgvuldig moeten omgaan met gemeenschapsgeld. Natuurlijk moeten we dat. De echte vraag is of we nog durven vertrouwen op de professionals die het dichtst bij mensen staan. Waarom geven we een casemanager dementie, die een gezin soms jarenlang begeleidt, niet de mogelijkheid om tijdelijk ondersteuning direct te laten starten? Waarom organiseren we geen voorlopige overbruggingsindicaties voor situaties waarin de nood evident is?

Dat zou niet alleen menselijker, maar ook goedkoper zijn. Wie op tijd passende dagbesteding krijgt, blijft langer thuis, voorkomt escalatie en ontlast mantelzorgers voordat zij zelf uitvallen. Mijn moeder begon in 2006 met een simpele gedachte: als iedereen ziet dat het thuis niet meer gaat, dan ga je helpen. Twintig jaar later lijkt dat soms ingewikkelder geworden dan nodig.

De vraag is niet of we deze zorg kunnen betalen. De vraag is hoeveel het ons kost als we pas helpen wanneer het te laat is.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next