Home

Wordt de AOW echt onbetaalbaar? Dit zeggen de cijfers

De versnelde stijging van de AOW-leeftijd gaat definitief niet door, ondertussen wil het kabinet wel in gesprek over ‘alternatieven’ om de oudedagsvoorziening betaalbaar te houden. De kosten zouden op termijn niet te dragen zijn, maar klopt dat wel?

is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over pensioenen en sociale zekerheid.

Minister van Sociale Zaken Hans Vijlbrief mag het plan om de AOW-leeftijd sneller te laten stijgen in de prullenbak hebben gegooid, de discussie over de ouderdomswet is niet weg. In een brief aan de vakbonden waarin de minister zijn stap dinsdag toelichtte, laat hij er ook geen misverstand over bestaan: hij wil samen met werkgevers en werknemers in gesprek over ‘de toekomst van de oudedagsvoorziening in ons land’ en daarom naar ‘alternatieven’ kijken.

Afgelopen maanden bleek al dat Vijlbrief vindt dat er linksom of rechtsom wel iets moet gebeuren aan de AOW omdat de kosten ervan op termijn niet te dragen zouden zijn. In een interview met het AD vroeg Vijlbrief zich in april nog hardop af: ‘Hoe houden we onze oudedagsvoorziening betaalbaar?’

Ook in zijn brief aan de vakbonden noemt Vijlbrief de ‘kosten van de sociale zekerheid en de vergrijzende samenleving’ een belangrijk vraagstuk. En in een interview met De Telegraaf zei de minister deze week nog dat hij de komende tijd wel over de AOW wil praten ‘omdat we ons moeten realiseren dat het veel kost’. Wat de minister betreft liggen alle mogelijkheden om iets aan de kosten van de oudedagsvoorziening te doen op tafel.

In de Tweede Kamer riep Vijlbriefs standpunt over de toenemende kosten van de AOW al weerstand op. De linkerkant van de Kamer wijst er juist op dat de AOW de afgelopen jaren betaalbaarder is geworden. SP-Kamerlid Jimmy Dijk noemde de suggestie van de minister dat de ouderdomsvoorziening onbetaalbaar wordt ‘lariekoek’ en vindt dat Vijlbrief onnodig ‘onrust stookt’ om een bezuiniging door te drukken.

Wordt de AOW straks echt onbetaalbaar? De Volkskrant dook in de cijfers.

Duizelingwekkende stijging

Op het eerste gezicht valt van de redenering van Vijlbrief weinig af te dingen. Nederland vergrijst en de komende vijftien jaar neemt de zogenoemde grijze druk toe, oftewel: er zijn steeds meer ouderen ten opzichte van het werkende deel van de bevolking. Een steeds kleinere groep mensen moet dus de uitkeringen van een steeds groter deel van de bevolking ophoesten.

De verhoudingen zijn steeds schever. Bij de invoering van de AOW, in 1957, waren er voor elke AOW-gerechtigde nog zo’n zeven potentieel werkenden, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Tegenwoordig is dat gedaald naar ongeveer drie. Dat zal naar verwachting in 2040 twee zijn.

Ook staat vast dat de uitgaven aan de AOW de komende jaren toenemen. De rekensom is immers simpel: hoe meer mensen recht hebben op de ouderdomsuitkering, hoe meer die kost. De kostenstijging sinds het begin van deze eeuw is duizelingwekkend. Volgens het CBS namen sinds 2000 de AOW-uitgaven toe van 19,1 miljard euro tot 51,9 miljard euro in 2024.

Het werkende deel van de bevolking zou dat met enkel het betalen van premie niet kunnen betalen: de premie zou de pan uit rijzen. Daarom komt de bekostiging voor een steeds kleiner deel uit de AOW-premie en een steeds groter deel uit de algemene middelen, oftewel de belastinginkomsten. In 2024 werd voor het eerst meer dan de helft van de AOW met belastinggeld bekostigd, een trend die verder zal doorzetten.

Dat klinkt alarmerend, maar het zegt op zichzelf weinig over de betaalbaarheid. Om de cijfers in context te plaatsen worden ze vaak afgezet tegen het bruto binnenlands product (bbp): de totale omvang van de Nederlandse economie. Het biedt de meest realistische maatstaf om in te schatten in hoeverre de kosten te dragen zijn.

In debatten over de AOW-leeftijd wordt vaak verwezen naar de cijfers van het Centraal Planbureau (CPB), dat sinds jaar en dag prognoses maakt van de AOW-uitgaven. Het CPB berekende dat de AOW-uitgaven in 2025 ongeveer 4,7 procent van het bbp bedroegen. Als er niets verandert zou dat percentage in 2040 zijn opgelopen tot 5,6 procent.

Een stijging van 0,9 procentpunt lijkt op het eerste gezicht niet enorm, maar in dit geval gaat het om ongeveer 11 miljard euro. Vijlbrief benadrukte eerder dan ook dat het om een ‘flinke’ kostenstijging gaat.

Historisch perspectief

Toch reageerde de oppositie verontwaardigd. Zij wees er in de eerste plaats op dat de stijging geen verrassing is die om een drastische beleidswijziging vraagt, de prognoses zijn immers al langer bekend. En dan is er nog het historisch perspectief. Al sinds de jaren zestig schommelen de AOW-uitgaven als percentage van het bbp zo tussen de 4 en de 6 procent: de huidige cijfers wijken daar niet van af.

De oppositie benadrukte bovendien dat de situatie er nu juist een stuk rooskleuriger uitziet dan toen in het pensioenakkoord werd afgesproken om de AOW-leeftijd minder snel te laten stijgen. In 2019 voorspelde het CPB namelijk nog dat de AOW-uitgaven in 2040 ongeveer 6,5 procent van het bbp zouden bedragen. De prognose bleek te pessimistisch, onder meer omdat ouderen langer door zijn blijven werken en de stijging van de levensverwachting achterbleef.

Toch hield de minister voet bij stuk. Ook de stijging tot 5,6 procent van het bbp is in zijn ogen dusdanig fors dat er iets moet gebeuren, onder meer omdat er door de oplopende spanning in de wereld meer geld naar defensie moet.

Prognoses te pessimistisch

Maar ook bij die laatste prognose van het CPB worden inmiddels vraagtekens geplaatst. ‘Het CPB is stelselmatig te pessimistisch in zijn voorspellingen over de AOW’, zegt Paul de Beer, emeritus hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. Al zolang als Den Haag worstelt met de oplopende kosten van de AOW kijkt het CPB vooruit om de politiek een handje te helpen. ‘Maar als je terugkijkt, zie je dat die voorspellingen steeds niet zijn uitgekomen.’

Het probleem volgens De Beer: het CPB schatte een aantal ontwikkelingen stelselmatig te negatief in, zoals het aantal mensen dat daadwerkelijk aan het werk gaat. Dat valt het planbureau niet op alle punten aan te rekenen. ‘De werkgelegenheid is sinds de jaren tachtig bijvoorbeeld enorm gegroeid, niemand had dat voorzien’, aldus De Beer.

Maar op een ander punt valt volgens De Beer zeker wel wat af te dingen. Zo gaat het planbureau ervan uit dat de AOW-uitkering meestijgt met de algehele loonontwikkeling. In werkelijkheid is dat nooit het geval geweest. De AOW-uitkering is immers gekoppeld aan de hoogte van het minimumloon, die weer verbonden is met de cao-lonen. ‘Die stijgen gemiddeld een half procent minder dan de algemene loonontwikkeling’, aldus De Beer.

Daardoor valt de voorspelling al snel te hoog uit. Ook in de huidige prognose gaat het CPB er namelijk van uit dat de AOW meestijgt met de algemene lonen.

‘Vreemd’, noemt De Beer dat uitgangspunt. Het CPB moet in zijn berekeningen immers uitgaan van ongewijzigd beleid. ‘En daar is geen sprake van: het kabinet is niet van plan om de AOW-uitkering extra te verhogen. Het wijkt af van wat er in de afgelopen decennia is gebeurd en ook van de regeringsplannen in het coalitieakkoord. Ik vind dat op z’n minst subjectief.’

Het CPB schrijft in een reactie zich in de projecties inderdaad ‘niet aan de letter van de wet’ te houden. Het planbureau gaat er bijvoorbeeld van uit dat de ‘huidige verhouding’ tussen de hoogte van de AOW-uitkering en ‘het algemeen welvaartsniveau’ de komende decennia doorzet. Zou het CPB uitgaan van de daadwerkelijke koppeling van de AOW aan de cao-lonen, dan zou het inkomen van AOW’ers ‘achterblijven bij het algemene welvaartsniveau’.

Dat laatste is volgens De Beer juist het punt: de afgelopen decennia bleef de AOW inderdaad achter. Dat het in de toekomst ook gebeurt, is in zijn ogen niet zo onwaarschijnlijk.

Gunstiger scenario’s

Pessimistische prognoses kunnen overigens ook juist hebben bijgedragen aan de betaalbaarheid van de AOW. Als kosten uit de hand dreigen te lopen, is dat immers reden voor de politiek om op de rem te trappen. Het CPB schrijft daarom in een reactie het ‘niet verrassend’ te vinden dat prognoses uit het verleden te pessimistisch bleken. ‘Daarin kan juist de aanleiding liggen voor hervormingen’, schrijft het planbureau.

Dat speelt zeker mee, zegt De Beer. In de jaren tachtig zijn sociale uitkeringen, waaronder de AOW, bevroren, wat ook een deel van de lagere groei kan verklaren. ‘Als het CPB pessimistisch raamt, is er extra politieke druk om te bezuinigen. Maar dat laat ook zien dat prognoses zeker niet neutraal zijn.’

Volgens De Beer is dat laatste juist reden om prognoses te baseren op de meest ‘reële verwachtingen’ die uitgaan van beleid van de afgelopen decennia.

Doe je dat, dan is het vooruitzicht een stuk gunstiger, zo berekende de emeritus-hoogleraar. Is het uitgangspunt dat de AOW-uitkeringen met de cao-lonen meestijgen, zoals het beleid nu is, dan komen de uitgaven aan de AOW ten opzichte van het bbp op het hoogtepunt in 2038 iets lager uit. Als je alle historische trends doorzet, zoals een toenemende arbeidsparticipatie, dan is het verschil nog veel groter. In 2038 komen de AOW-uitgaven ten opzichte van het bbp dan op slechts 5 procent, waarna het in de jaren daarop tot ver onder het huidige niveau daalt.

In potentie betekent het een verschil van vele miljarden euro’s aan uitgaven. Dat werkt twee kanten op, benadrukt de Beer. ‘Niet alleen is er mogelijk minder reden om te bezuinigen, ook is er minder te winnen met de bezuinigingen.’

Rijkere gepensioneerden laten meebetalen?

Meevallende cijfers of niet: de AOW blijft ook in gunstige scenario’s een grote kostenpost. ‘Dat kan uiteraard een reden zijn om erop te bezuinigen, afhankelijk van wat je politiek belangrijk vindt’, zegt De Beer.

Dat is wel wat minister Vijlbrief suggereert. Nu de versnelde stijging van de AOW-leeftijd niet doorgaat, moet hij naar andere maatregelen kijken. In een reactie zegt een woordvoerder dat het kabinet een ‘open gesprek’ wil met werkgevers en werknemers en ‘waarbij alle opties op tafel komen’.

In De Telegraaf wees Vijlbrief deze week naar het advies van de studiegroep Begrotingsruimte van afgelopen zomer. Die suggereerde onder meer om de AOW te ‘fiscaliseren’. Oftewel: de AOW-uitgaven voor een steeds groter deel uit belastingen te dekken in plaats van de premies die werkenden betalen. Dat heeft ook een nivellerend effect, omdat rijkere gepensioneerden steeds meer meebetalen.

Het is zeker legitiem om naar dat soort maatregelen te kijken, zegt De Beer. ‘Maar om het effect goed in te schatten, moeten we wel een discussie voeren op basis van de juiste cijfers. En dat gebeurt nu niet.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next