Home

Vermoedelijk koloniaal roofgoed in kunstcollectie van het Koninklijk Huis, stukken afkomstig uit Indonesië

In de kunst-en erfgoedcollectie van het Koninklijk Huis bevindt zich een klein aantal objecten dat vermoedelijk als koloniaal roofgoed kan worden beschouwd. Het gaat daarbij vooral om geschenken uit voormalige Nederlands-Indië (het huidige Indonesië).

is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.

De stukken zijn als buit meegenomen of anderszins te koppelen aan militaire acties. De aanwezigheid in de zogeheten Koninklijke Verzamelingen is in deze gevallen ‘mogelijk niet rechtmatig en rechtvaardig’.

Dit concludeert een onafhankelijke commissie die is ingesteld door de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje Nassau (SHVON). Koningin Máxima is bestuursvoorzitter van deze stichting. De commissie presenteerde donderdag haar rapport Herkomstonderzoek Koloniale Objecten in de Koninklijke Verzamelingen.

Donderbus

Als voorbeeld van een collectiestuk met een problematische herkomstgeschiedenis wordt een ‘donderbus’ (historisch handvuurwapen) beschouwd van Raden Intan, vorst van een koninkrijk in Lampung. Hij werd in 1856 door Nederlandse militairen gedood, waarna dit wapen aan koning Willem III werd geschonken. Het object is in bruikleen gegeven aan Museum Bronbeek.

Ook een rond schild, in bruikleen bij het Nationaal Militair Museum, en een gouden amuletketting behoren tot deze categorie. Het schild, dat eigendom was van een krijgsoverste uit Atjeh, werd vermoedelijk in 1877 buitgemaakt tijdens een expeditie en ook gedoneerd aan koning Willem III. De amuletketting is in 1909 cadeau gedaan door districtshoofden in Atjeh voor de geboorte van prinses Juliana, ‘niet lang na vijandelijkheden’.

Ook zijn er in de collectie van de Oranjes besmette stukken gevonden uit voormalige koloniën van andere mogendheden. Zo moeten volgens de commissie enkele in 1869 geschonken objecten afkomstig van een Engelse strafexpeditie in Ethiopië ‘hoogstwaarschijnlijk als roofgoed worden bestempeld’.

Teruggeven

Het ligt voor de hand dat de landen van herkomst in deze gevallen een verzoek tot teruggave zullen doen. De commissie stelt dat de vraag of deze collectiestukken mogelijk niet rechtmatig en rechtvaardig zijn terechtgekomen in de Koninklijke Verzamelingen ‘in samenspraak met vertegenwoordigers van de vroegere koloniën moet worden beantwoord’. Daarmee wordt ‘paternalisme’ voorkomen.

Alle verzamelde onderzoeksgegevens moeten volgens de commissie online raadpleegbaar worden. Daarnaast dient de opdrachtgever van het onderzoek, SHVON, na te denken hoe te handelen als er verzoeken tot teruggave komen.

Koningin Máxima liet in reactie op het rapport weten dat SHVON alle conclusies en aanbevelingen overneemt. De stichting stelt de verzamelde gegevens zo snel mogelijk digitaal beschikbaar en heeft hiervoor ook financiële middelen gereserveerd. Volgens het bestuur van SHVON kunnen daarna ‘gesprekken worden gevoerd met betrokkenen uit de landen van herkomst over de toekomst van objecten waarover ernstige vragen zijn gerezen’.

Circa duizend objecten

In totaal zijn door de commissie in de Koninklijke Verzamelingen circa duizend objecten aangetroffen die een koloniale herkomst hebben. Het gaat daarbij voor het overgrote deel om geschenken, die bijna allemaal afkomstig zijn uit Nederlands-Indië, Suriname en het Caribisch gebied.

Zo’n 10 procent van de aangetroffen objecten werd gedoneerd aan koning Willem III. De meeste andere zijn aangeboden aan de koninginnen Emma en Wilhelmina, bij bijzondere momenten als een inhuldiging, geboorte of jubileum.

Bij het overgrote deel van deze objecten zijn volgens de commissie ‘geen directe indicatoren van onvrijwilligheid aangetroffen’. Ze zijn weliswaar gegeven ‘in een context van ongelijke koloniale verhoudingen’, maar kunnen toch niet als roofgoed worden beschouwd.

In haar rapport legt de commissie dit uit aan de hand van een aantal voorbeelden. Zo hebben lokale vorsten in Nederlands-Indië dure geschenken gegeven aan het Nederlandse koningshuis, maar die zijn niet zelden gevolgd door even dure tegengeschenken van de Oranjes.

Onvolledig

Van slechts een deel van de geschenken kon de herkomst worden achterhaald. De gegevens daarover zijn ‘vaak onvolledig, de archieven incompleet en de beheerders die waren belast met de inventarisatie van objecten misten de specifieke kennis om de juiste aanduidingen en karakteristieken op papier te zetten’, aldus de commissie. Van zo’n tweehonderd objecten is te weinig bekend om daar een oordeel over te kunnen vellen.

Er waren ooit veel meer (en veel oudere) geschenken met een koloniale herkomst in de koninklijke collectie, maar die zijn eerder via erfenissen verdwenen, overgedragen aan bijvoorbeeld musea of afgestoten vanwege een gering historisch belang.

Het onderzoek naar potentieel koloniaal roofgoed in de Koninklijke Verzamelingen is uitgevoerd door Simone van Wijk. Zij werd in 2024 speciaal daarvoor aangesteld bij de Dienst Koninklijk Huis, maar was inhoudelijk uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie die haar begeleidde en die nu rapport heeft uitgebracht.

Veel ervaring

De voorzitter van de commissie was Rudi Ekkart. Hij heeft veel ervaring met onderzoek naar objecten die voorafgaand en in de Tweede Wereldoorlog door het nazi-bewind werden geroofd. De commissie bestond verder uit Valika Smeulders, een van de samenstellers van de grote tentoonstelling over slavernij in het Rijksmuseum in 2021, en Martin Bossenbroek, vooral bekend als auteur van historische boeken, onder meer over Nederlands-Indië. Hij won twee keer de Libris Geschiedenis Prijs.

Ekkart leidde eerder een commissie die de Koninklijke Verzamelingen onderzocht op de aanwezigheid van Joodse roofkunst. Die bracht in 2015 rapport uit, waaruit bleek dat koningin Juliana na de oorlog een schilderij had gekocht dat, zonder dat ze dit wist, in 1942 door de Joodse eigenaar onder dwang was afgestaan aan de Duitse bezetter.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next