Het valt niet goed te begrijpen waarom in Nederland zo wordt gestreefd naar een grote biodiversiteit. Is het verzameldrift?
Op een zomerse avond een klein decennium geleden zit de voorruit van deze auto vol insecten.
Biodiversiteit blijft een lastig ding. Wij hier in Holland weten dat de biodiversiteit altijd omhoog moet, dat-ie om zo te zeggen nooit hoog genoeg kan zijn en dat daaraan ook hard gewerkt is. Er zijn buitenlandse bevers en otters aangetrokken, wilde paarden en grote grazers overgebracht, er is heide afgeplagd, duingebied schoongebulldozerd, er zijn eilanden opgespoten en noem maar op, maar als je dan op een goede dag wilt weten waar een hoge biodiversiteit eigenlijk goed voor is dan moet je dat in een boek opzoeken.
En dan lees je in dat boek (2005) dat nog lang niet vaststaat waar een hoge biodiversiteit goed voor is. Dat het niet eens meevalt biodiversiteit te méten – het is veel meer dan een soortenlijst – en dat de consensus eigenlijk niet verder gaat dan de aanname dat gebieden met een hoge biodiversiteit zich kenmerken door een hoge veerkracht en stabiliteit en daarnaast door allerlei florerende ecologische functies zoals daar zijn productiviteit, voedselopname en het vasthouden van water. Er wordt direct aan toegevoegd dat helaas niet helemaal duidelijk is wat met ‘stabiliteit’ wordt bedoeld en dat ecosystemen zóveel functies hebben dat er altijd wel een paar meebewegen met de biodiversiteit.
Veerkracht en stabiliteit blijken niet synoniem. Het gevierde tropisch regenbos met zijn fameuze biodiversiteit blijkt helemaal niet zo veerkrachtig. Aangetaste bosgebieden herstellen zich uiterst langzaam of helemaal niet. Wel lijkt het tropisch bos stabiel, al is het weer de vraag of dat het gevolg is van de biodiversiteit of net andersom: dat de soortenrijkdom zich kon ontwikkelen dankzij de stabiliteit. De treurig soortenarme toendra en taiga, het boreale naaldwoud, hebben zich ondanks hun mini-diversiteit eeuwenlang uitstekend weten te handhaven (al brengt de klimaatopwarming daar nu verandering in).
Natuurgebieden die, aan zichzelf overgelaten, naar hun climax groeien verliezen vaak gaandeweg weer aan biodiversiteit. Anderzijds blijken gebieden die verstoord werden en in een ecologische overgang raakten een hoge biodiversiteit te hebben. Kijk toch uit met je begrip biodiversiteit zou je wel willen roepen. Maar naar wie?
In ieder geval is niet zomaar te begrijpen waarom er in Nederland zo gejaagd wordt op een hoge biodiversiteit. Misschien is het nog een stukje verzameldrift van de achttiende-eeuwse geleerde genootschappen die later ook het postzegelalbum voortbracht. Of het is gewoon nostalgie, het Ot-en-Sien-verlangen. Wat ook kan is dat het diversiteitsverlangen vooral voortkomt uit een afkeer van de agrarische praktijken die de bestaande biodiversiteit de das omdeden, het moet allemaal nog uitgezocht worden. De consequentie is in ieder geval dat natuurkenners diep neerkijken op complexen van riet, vlier, bramen en brandnetels (en kleefkruid) die zich in reactie op vervuiling spontaan vestigden. Terwijl dat toch ook pure natuur is.
Opgelet: wij van AW zien ook liever zeldzame planten dan planten die zeldzaam zijn geworden. Een hoekje met zonnedauw kan betoverend zijn, al moet je niet denken aan velden zonnedauw tot aan de horizon: het blijven insecteneters en insecten hebben het ook moeilijk tegenwoordig, de dagvlinders niet het minst. De aantallen dagvlinders zijn sinds 1992 gehalveerd (CBS).
Zo is het gekomen dat natuurliefhebbers de bermen langs snelwegen zijn gaan inzaaien met bloemplanten die aantrekkelijk zijn voor insecten. Het zaad daarvoor komt niet zelden uit Oost-Europa en zelfs het Midden-Oosten en brengt met zijn afwijkende genetische patroon een forse floravervalsing teweeg, maar een kniesoor die daarop let. De vlinders vinden het fijn.
Het probleem is dat je die vlinders lokt naar een gebied waar ze een groot gevaar lopen. De vlinder die oversteekt van de ene aantrekkelijke berm naar de andere eindigt niet zelden als een natte plek op de voorruit van een auto of eerder nog als een kadavertje lang de rand van de weg. Andere insecten die misschien wat sneller vliegen treft geen beter lot, ontwijken is er niet bij. Een modern dilemma: zonder de bloemrijke bermen was er misschien helemaal geen nectar en stuifmeel, mét de bloemen worden de insecten in dodelijk gevaar gebracht.
Is het moderne autoverkeer een bedreiging voor de insectenstand? Daar blijkt al aardig wat onderzoek naar gedaan, een Vlaamse studie (2017) geeft een overzicht. De versnippering van het landschap door het wegennet is al een probleem, de directe aanrijdingen komen erbij. Vermaard is het onderzoek (2016) van Piotr Skórka die doodgereden vlinders langs Poolse wegen telde. Het bleken er mee dan het leek want de meeste kadavertjes worden binnen 48 uur door de mieren afgevoerd. In absolute aantallen lijkt de verkeersslachting reusachtig, in relatieve zin is het geen directe bedreiging.
Het kan de oudere automobilist niet zijn ontgaan dat hij tegenwoordig minder insecten op zijn voorruit vangt dan, zeg, vijfentwintig jaar geleden. Het was al niet veel meer toen de Wageningse onderzoeker Arnold van Vliet in mei 2011 zijn citizen science-project ‘Splashteller’ opzette. Automobilisten werd gevraagd na elke autorit het aantal dode insecten op de kentekenplaat te tellen – en de plaat dan weer schoon te poetsen. Het project heeft maar een paar maanden gelopen, er was geen budget en het was de meeste citizens uiteindelijk te veel moeite. Er werden gemiddeld maar twee insecten per 10 km gevangen, het hoogst was de score nog in Zeeland, Groningen en Friesland en dan vooral in de avond.
Achteraf kun je je afvragen of de kentekenplaat niet te laag zit voor een goede insectenoogst. Aan het vervuilde front van intercity-treinen zie je soms dat insecten vele meters hoog boven het maaiveld kunnen vliegen. Voor de aardigheid is eens bekeken hoeveel vliegjes er op de kentekenborden van de auto’s in AW-omgeving zaten. Praktisch geen. Ja, op auto’s uit Duitsland en Polen een paar.
Insecten op de voorkant van een intercity.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin