Hittegolf Ook in de zomer van 1976 was het buitengewoon heet. Het warme weer leidde tot droogte, bosbranden, burenruzies en geluidsoverlast. In de krant werd gespeculeerd over klimaatverandering als oorzaak van de hitte.
De zomer van 1976: pootje baden in de lek bij Vianen.
‘Kwik kan tot 37 graden oplopen’, berichtte NRC Handelsblad precies vijftig jaar geleden op de voorpagina. „Voor de tijd van het jaar is dat extreem hoog”, aldus de (anonieme) redacteur. De oorzaak is „een zwakke zuidelijke stroming, in samenhang met een omvangrijk hogedrukgebied dat al enkele dagen het weer in onze omgeving beïnvloedt”. Tegenwoordig zouden we dat waarschijnlijk een heat dome of hittekoepel noemen.
Het bericht luidde het begin in van een hittegolf die volgens de meteorologen van het KNMI nog steeds „dikgedrukt in de meteorologische recordboeken staat”. Op de website schreef het Nederlandse klimaat- en weerinstituut vorige week al over de uitzonderlijk lange hittegolf van 1976, die op 23 juni begon en tot 9 juli duurde en maar liefst tien tropische dagen telde, en die gepaard ging met een historisch neerslagtekort.
NRC Handelsblad schreef op maandag 28 juni, drie dagen na het voorpaginabericht, voor het eerst over de gevolgen van de hitte. Zo woedde er een grote bosbrand in Belgisch Limburg, waarbij een natuurgebied van 600 hectare in vlammen opging en die net niet de Nederlandse grens overstak. Maar ook in Brabant en Limburg „hebben kurkdroge bossen en heide op sommige plaatsen gebrand” – in alle gevallen bleef de schade relatief beperkt.
Volgens hetzelfde artikel zochten in dat eerste weekeinde „vele honderdduizenden […] bij temperaturen van 32 tot 35 graden verkoeling aan het strand en in natuur- en zwembaden”. Zeker negen mensen zouden zijn verdronken, onder andere in wat toen nog de Lauwerszee heette. Het bericht maakt ook melding van burenruzies in „de grote steden in het westen van het land”, vaak doordat mensen die ’s nachts wakker bleven geluidsoverlast veroorzaakten. „De politie schrijft de vele verzoeken om bemiddeling – waaraan lang niet altijd kan worden voldaan – ook toe aan het feit dat de mensen als gevolg van de hitte minder verdraagzaam zijn.”
Twee dagen later besteedt de krant opnieuw aandacht aan de hitte. Op woensdag wordt melding gemaakt van een dreigend tekort aan bierflesjes door de hitte. „Aan bier geen gebrek, maar het publiek houdt de lege flessen te lang vast of laat ze ergens achter.” Ook neemt het risico op een tekort aan drinkwater toe, vooral in Limburg, waar burgers gemaand worden tot zuinigheid. En op het schietterrein Oldenbroek ontstaat „een kleine brand tijdens schietoefeningen”. Waarna defensie tot nader orde alle oefeningen afgelast.
Drukte op het strand van Scheveningen op 27 juni 1976.
Mensen op het strand tijdens een hittegolf, 30 juni 1976.
Tropische warmte op 6 juli 1976.
In het tweede weekend pakt de krant het serieuzer aan. De krant opent met het bericht dat het leger hulp gaat bieden bij het bestrijden van de droogte op het platteland – wat een paar dagen later weinig succesvol is, omdat er nu eenmaal nauwelijks water is om het land te besproeien. Ook pagina 2 en 3 zijn grotendeels gewijd aan de hitte: ‘Droogte catastrofaal in sommige landen, elders kritieke punt genaderd’, aldus een bericht. Andere artikelen melden: ‘Tuinbouw in Westland in moeilijkheden door opdringend zout water’ en ‘Noodwet voor waterverbruik in Engeland’.
Maar het belangrijkste verhaal komt van ‘weerkundig medewerker dr. H. ten Kate’. Hij vraagt zich af of de hitte een signaal is dat het klimaat verandert „en, zo ja, is zo’n verandering te voorspellen?” Ja, concludeert Ten Kate, het klimaat verandert. Maar nee, voorspellen welke kant het op gaat, is onmogelijk. Volgens Ten Kate wordt er veel onzin over het klimaat verteld: „Vele overdreven meningen hebben de ronde gedaan, meningen die niet altijd werden ondersteund door de harde feiten en evenmin door een goede kennis van zaken.”
Ten Kate wijst op allerlei mogelijke oorzaken van klimaatverandering, variërend van straalvliegtuigen zoals de Concorde die de ozonlaag in de stratosfeer aantasten, tot vervuiling van de dampkring die de stralingsbalans zou kunnen beïnvloeden. Ook wijst hij op mogelijke schommelingen in de intensiteit van de zonnestraling en op een toename van „de concentratie van het koolzuurgas in de atmosfeer” met zo’n 10 procent als „gevolg van het verbranden van fossiele brandstoffen”.
Ten Kate acht het niet aannemelijk dat de toename van CO2 (‘koolzuurgas’) grote invloed heeft. Want volgens de klimaatmodellen zou die hebben moeten leiden tot een stijging van de gemiddelde temperatuur met 0,3 graden, wat in tegenspraak is met de temperatuurdaling met 0,6 graden tussen 1940 en 1970 – door sommigen ook wel de ‘Kleine IJstijd’ genoemd. Zijn conclusie is dan ook: „Uit al deze onderzoekingen […] blijkt dus wel dat de atmosfeer heel wat kan hebben eer er gekke dingen gebeuren en een blijvende verstoring van het klimaat is te verwachten.”
De thermometer geeft tropische temperaturen aan op 25 juni 1976.
Inmiddels denken ze daar bij het KNMI anders over. De effecten van de hittegolf waren ingrijpend, schrijft het instituut: „Verdorde akkers, massale vissterfte in opgewarmde rivieren, en meer dan twee miljoen bomen die het niet overleefden. Het leger werd ingezet voor irrigatie, en in sommige regio’s werd drinkwater op rantsoen gesteld.” Maar de 37 graden die de krant voorspelde werd niet gehaald. Volgens het KNMI bedroeg de maximumtemperatuur 34,9 graden.
De zomers in Nederland zijn inmiddels veel warmer dan destijds. Het KNMI heeft de zomer van 1976 in een computermodel nagebootst voor een 3 graden warmer klimaat – dat is waar Nederland naar op weg is. Bij diezelfde omstandigheden zou de hittegolf niet alleen langer duren, er zou ook nog een tweede volgen, waarmee we zouden worden geconfronteerd met 34 tropische dagen.