Home

Clive Davis (1932-2026), de beroemdste platenbaas ooit, lanceerde de carrières van Bruce Springsteen, Whitney Houston en Alicia Keys

Maandag overleed Clive Davis op 94-jarige leeftijd. Hij droeg bij aan het succes van de allergrootste artiesten: Miles Davis, Patti Smith, Bob Dylan en Rod Stewart zijn er nog maar een paar. Davis’ naam in de business was zo groot dat hij zelf een ster werd.

schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.

Clive Davis was wellicht de beroemdste platenbaas die de muziekindustrie ooit heeft gekend. Niet alleen debuteerden uiteenlopende artiesten als Bruce Springsteen, Whitney Houston, Alicia Keys en Patti Smith onder zijn supervisie. Ook trok hij vastgelopen carrières vlot van sterren als Dionne Warwick, Santana, Aretha Franklin en Rod Stewart.

Davis, die maandag op 94-jarige leeftijd overleed in zijn woonplaats New York, domineerde de industrie niet een paar jaar lang, maar vele decennia. Vanaf het moment dat hij Janis Joplin in 1967 op het Monterey Festival hoorde en haar een platencontract bezorgde bij Columbia, waar hij toen de scepter zwaaide, tot aan zijn dood bleef hij bij de muziekbusiness betrokken.

Zelf een ster

Hij genoot van zijn status als een van de invloedrijkste platenbazen en deed er alles aan om zichzelf ook als ster te profileren. Toen hij in 2013 op het SXSW muziekfestival in de Amerikaanse stad Austin zijn autobiografie The Soundtrack of My Life presenteerde, was de ontvangst enthousiaster dan voor een ster als 50 Cent. Met een bijna pauselijk handgebaar moest hij de luid joelende zaal tot stilte manen, voordat hij met grote trots meldde dat zijn boek op de tweede plaats van de New York Times-bestsellerlijst stond.

Het leek wel alsof dit meer voor hem betekende dan bijvoorbeeld het succes van Whitney Houston, die hij in 1983 tekende, toen ze pas 19 jaar oud was.

Hij hoorde toen al een grote ster in haar, maar zocht eerst twee jaar lang naar de beste liedjes en de beste arrangeurs. Pas toen hij die had gevonden, liet hij Houston haar eerste album maken. Whitney Houston (1985) werd een miljoenensucces en was typerend voor de werkwijze van Davis. Die hield zijn artiesten voor nooit zelf liedjes te gaan schrijven als die minder goed waren dan die van andere schrijvers, vaak door hemzelf aangedragen.

Zo kon Barry Manilow nog zo overtuigd zijn van zijn eigen talenten als songschrijver, Davis hoorde meer in een ander, al bestaand liedje, en gaf Manilow met Mandy zijn eerste wereldhit.

En Carlos Santana mocht in de jaren zeventig onder auspiciën van Davis veel succes hebben gehad met eigen werk, toen Davis hem in 1999 opnieuw contracteerde, was dat met liedjes van derden, met bijdragen van artiesten die een jong publiek zouden aanspreken.

Dankzij de hits Smooth en Maria Maria werd Supernatural het best verkochte album van Santana. Tussen de negen Grammy’s die het album zou winnen, zat er een voor Clive Davis als beste producer.

Bruce Springsteen en Patti Smith

Het slimme van Davis was ook dat hij goed wist wanneer hij zich niet met het repertoire van zijn artiesten moest bemoeien. Bruce Springsteen zou hij alleen hebben aangeraden zich op het podium wat meer te bewegen, toen deze op 22-jarige leeftijd een contract bij hem tekende. Ook Patti Smith kreeg alle vrijheid toen ze in 1975 als een van de eerste artiesten op Davis’ eigen label Arista mocht debuteren met het klassiek geworden album Horses.

Net als in Bob Dylan en Miles Davis zag hij in Patti Smith niet zozeer een artiest die astronomische verkoopcijfers zou halen, als wel iemand die andere artiesten naar zijn label zou trekken. Dergelijke fenomenen moest je vooral alle artistieke vrijheid geven. De hits haalde hij wel elders.

En mocht een artiest zoals Miles Davis ontevreden zijn, dan dacht hij met ze mee over hoe ze een groter publiek konden bereiken. In zijn geval door de jazzclubs uit te gaan en op rockpodia te gaan spelen. Het zou bijdragen aan het grote succes van Miles Davis’ Bitches Brew (1969).

Soms zat hij ernaast

Miles Davis, toch niet bepaald scheutig met complimenten over platenbazen, zegt in zijn autobiografie dat hij en Davis het goed met elkaar konden vinden ‘omdat hij denkt als een artiest en niet als zakenman’. Maar Clive Davis zat er ook weleens naast. Zo wees hij het succesalbum Bat Out of Hell van Meat Loaf af omdat hij de muziek te theatraal vond en de zanger geen ster.

Ook zijn samenwerking met Prince leverde in 1999 niet het gewenste succes op. Glimmend van trots presenteerde Davis in New York het album Rave Un2 the Joy Fantastic, waarna Prince zelf een paar liedjes ervan speelde. Het album deed weinig, de samenwerking liep snel stuk.

Prince was dan ook niet het soort artiest dat zich makkelijk door Davis liet kneden. Dat werkte beter bij debutanten als Alicia Keys of Angie Stone. Of een oudgediende als Rod Stewart. Davis’ advies aan de Schot: ga liedjes uit ons American Songbook zingen. Het leverde Stewart en Davis vijf platina platen op.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next