Nederland speelt donderdagnacht de derde groepswedstrijd tegen Tunesië. Oud-international en -Feyenoorder Karim Saïdi heeft weinig hoop dat zijn landgenoten iets kunnen klaarmaken.
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Er is geen beter moment voor Nederland om Tunesië te treffen. ‘Overal is er crisis, chaos, kritiek’, ziet Karim Saïdi, voormalig Tunesisch international en oud-speler van Feyenoord. Tunesië verloor de eerste WK-duels met 5-1 van Zweden en met 4-0 van Japan.
Met Hervé Renard staat er alweer de derde bondscoach in een halfjaar voor de groep, nadat Sabri Lamouchi na de openingswedstrijd werd ontslagen. ‘Renard houdt vast aan 3-5-2, met voetbal op de counter. Maar hij kan geen magie verrichten in zo’n korte periode. En eigenlijk gold hetzelfde voor Lamouchi’, vertelt Saïdi ruim een dag voor het treffen tussen Nederland en Tunesië donderdagnacht in Kansas City.
Saïdi, selectielid van Tunesië op het WK 2006, zag de bui al hangen tijdens een eerder interview in een Haagse koffiebar voor de toernooistart. ‘Voor een groot toernooi als een WK heb je meer tijd nodig, meer stabiliteit in de staf. Er zijn nieuwe, jonge spelers bij gekomen die moeten integreren. Zeventig procent heeft te weinig bij zijn club gespeeld. Je kunt niet negentig minuten verdedigen als je niet fit bent. Nee, de tweede ronde bereiken is kansloos. Onze groep is topzwaar. Ik denk wel dat Nederland ons nog het beste ligt, die speelstijl lijkt op die van ons. Techniek, grote ruimtes, minder fysieke duels.’
Saïdi hoopte op toptalent Khalil Ayari, gekocht door PSG. ‘Hij is creatief, goed in de een tegen een, maar zijn omschakeling is nog niet goed. Dat geldt ook voor Sebastien Tounekti. We missen een sterke spits. In de defensie en op het middenveld hebben we wel ervaring en kwaliteit met Hannibal Mejbri, Ismaël Gharbi en Ellyes Skhiri.’
In Tunesië wonen 12,4 miljoen mensen. ‘Ze zijn allemaal gek van voetbal. Iedereen praat erover. Zeker in de weken voor interlands of de grote derby van Tunis tussen Club Africain en Espérance. Veel fakkels, vuurwerk, er moet een internationale scheidsrechter komen om alles in goede banen te leiden. Er worden speciale liedjes bedacht, spandoeken, provocaties op sociale media.
‘Er is dezelfde sfeer als bij de grote derby’s in Marokko en Algerije. Maar in Marokko is het professioneler, spelers worden op tijd betaald, de velden zijn beter, het niveau hoger. De nationale ploeg van Marokko presteert uitstekend, maar ook de jeugdteams en de vrouwenteams. Allemaal ingezet door de overheid. In Tunesië is de politiek niet stabiel genoeg om dat in te halen.’
Op de Frans-Tunesische bondscoach Sabri Lamouchi, aangesteld na de tegenvallende Afrika Cup, kwam direct veel kritiek omdat hij nauwelijks spelers uit de Tunesische competitie selecteerde. Saïdi: ‘Dat snap ik wel, die competitie is niet goed genoeg. Maar ik snap niet dat hij zijn zoon bij de staf haalde. De media werden gek toen ze daarachter kwamen.’
Saïdi houdt van het Tunesische elftal; hij heeft er zelf veel aan te danken. Dankzij goede optredens tijdens de Afrika Cup tekende hij in 2004 een vierjarig contract bij Feyenoord. Daar startte hij uitstekend onder Ruud Gullit. Maar onder diens opvolger Erwin Koeman slonk zijn speeltijd drastisch. Hij werd verhuurd aan Lecce en Sivasspor en keerde terug bij Club Africain, zijn eerste club.
‘Zo kan een carrière lopen. Je hebt geluk nodig, professionaliteit, slimme, ervaren mensen in je entourage, je moet de taal leren. Ik was jong, ik maakte verkeerde keuzes. Ik was geïsoleerd in de groep, had alleen contact met wat buitenlandse jongens.’
De Ghanees Christian Gyan hielp hem. ‘Erg lieve jongen. De eerste die betaalde als we een etentje hadden. Toen ik hoorde dat hij overleden was, jeetje, ik was van streek, dat vond ik echt zielig, man. Nu probeer ik zelf jonge spelers te behoeden voor die fouten.’
Aan zijn Nederlandse avontuur hield hij wel zijn vrouw over. Met zijn gezin woont Saïdi in de gemeente Westland. Hij heeft zijn trainersdiploma’s gehaald en geeft privétrainingen. ‘Voetbal is nog steeds geweldig.’
Hij leerde het op de straten van Tunis, werd op zijn 10de gescout door Club Africain. Maar hij ziet dat het Tunesische voetbal sindsdien niet echt is doorgegroeid. ‘Er is veel concurrentie, veel kritiek, sommige mensen willen zelf een baantje bij de bond. Het schiet niet op.’
Hij woonde na zijn carrière een periode in Tunis. ‘Met het land zelf gaat het redelijk. Er is veiligheid, veel toerisme. Maar het leven is duur. En het talent trekt weg nadat ze hebben gestudeerd, naar Duitsland, Frankrijk, Canada. Ze denken dat Europa en Noord-Amerika het paradijs zijn.’
Achterblijvers hoort hij veel klagen. Behalve als het nationale team wint. ‘Dan maakt niemand zich meer druk om de toekomst, om dure boodschappen, om politiek.’
Daarom is het jammer dat de eerste twee wedstrijden zo ruim verloren gingen, dat er nu overal crisis is. ‘Iedereen is teleurgesteld, niet zozeer in de coach, maar in het niveau van onze spelers. Ze moeten vechten voor de vlag. Maar er zijn twee groepen: de spelers die in Tunesië zijn geboren en die in Europa zijn geboren.’
Dat Lamouchi werd ontslagen, snapt hij niet. ‘Dat is te snel geweest, en slecht voor ons imago. Nu spreekt iedereen over ons in termen als ‘chaos’ en ‘niet professioneel’. We moeten vechten voor onze reputatie. Maar er is geen goede atmosfeer, spelers bekritiseren elkaar.’
Hij zucht. ‘Ik dacht vooraf dat we tegen Nederland nog een kansje zouden maken. Maar we zijn een makkelijke prooi, vrees ik.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant