De ‘hardwerkende Nederlander’, die nogal eens als boegbeeld van de VVD fungeert, kent diepe historische wortels, zo betoogt Lotte Jensen. Deel één van een serie over wat het concept ‘Nederlanderschap’ betekent in het maatschappelijk debat.
‘Ben ik eigenlijk een Nederlander?’, vroeg programmamaker Mischa Blok aan haar gesprekspartner, Telegraaf-journalist Wierd Duk. Ze interviewde Duk in haar nieuwe televisieserie over mannen die het beter weten. ‘Ja, tuurlijk’, antwoordde Duk resoluut. Blok drong aan. Hoe kon ze Nederlander zijn, want ze was toch ‘multiculti’? Een migrant die niet in Nederland is geboren?
Duk was glashelder: etniciteit is geen criterium. Zolang Blok geïntegreerd is in de Nederlandse cultuur en de waarden van de liberale, westerse democratie onderschrijft, betoogde Duk, is ze Nederlander. Daarmee was de kwestie echter nog niet opgelost. De gesprekspartners verschilden duidelijk van mening over wat die Nederlandse cultuur en waarden dan precies inhielden.
Over de auteur
Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze publiceerde onder meer Vieren van vrede. Het ontstaan van de Nederlandse identiteit 1648-1815. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
De aflevering was al eerder opgenomen, maar sloot naadloos aan bij de recente ophef rondom uitspraken die Lidewij de Vos, fractieleider van Forum voor Democratie, in de Tweede Kamer deed. Ze stelde onder meer dat Nederland er voor de ‘oorspronkelijke Nederlanders’ is en liet er geen twijfel over bestaan dat dat ‘blanke’ Nederlanders zijn.
Er volgde een stortvloed aan reacties. Die van oud-profvoetballer Ruud Gullit maakte misschien wel de meeste indruk. Als Surinaamse Nederlander had hij altijd het gevoel gehad net iets harder zijn best te moeten doen om erbij te horen. Hij was blij dat hij iets had weten te betekenen voor de Nederlandse samenleving. Deed dat er allemaal ineens niet meer toe?
Het Nederlanderschap stond weer eens in het brandpunt van de media-aandacht. Volgens sommige opiniemakers moet de Nederlandse identiteit tegen bedreigingen van buitenaf beschermd worden. Anderen benadrukken dat het om fantoomdreigingen gaat, bedoeld om kiezers angst aan te jagen. Spookbeeld of niet, het is een onderwerp dat ons allemaal raakt. Wie mag zich Nederlander noemen en wie niet? Wanneer hoor je erbij?
Wetenschappers houden zich al meer dan een halve eeuw intensief bezig met het fenomeen ‘nationale identiteitsvorming’. Van politicologen tot sociologen, van juristen tot mediawetenschappers. Ook historici doen er onderzoek naar, waarbij ze graag op het belang van de bredere context wijzen. Opiniemakers en politici deden en doen hun uitspraken namelijk niet in het luchtledige. Hun stellingen resoneren altijd in een specifieke maatschappelijke omgeving. Discussies over Nederlanderschap in de jaren twintig van de 19de eeuw gingen over heel andere thema’s dan in de huidige tijd. Wie heeft het tegenwoordig nog over de twijfelachtige loyaliteit van pauslievende katholieken aan de Nederlandse vorst?
Tegelijkertijd zijn er ook bepaalde patronen te ontwaren door de tijd heen. Die laten zien hoe het proces van natie- en identiteitsvorming in zijn werk gaat. Hier volgen drie wetmatigheden die ons in staat stellen iets meer grip te krijgen op ‘de Nederlander’. Of, beter gezegd, die ons tonen hoe fluïde en tijdsgebonden dat begrip is.
‘Ik juich! Geen hoger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld, / Dan dat ik, Nederland! ben op uw grond geteeld.’ De 19de-eeuwse Amsterdamse dichter Jan Frederik Helmers kon zijn geluk niet op dat hij in Nederland was geboren. Geen enkel ander land had zulke dappere krijgslieden, wijze staatslieden, ondernemende kooplieden, dappere ontdekkingsreizigers, vernuftige wetenschappers en grote kunstenaars voortgebracht: ‘Dat fijn gevoel voor kunst, dat reiner, hooger leven, Is, Nederlanders, u, bij uw’ geboort’ gegeven!’, dichtte hij in 1812.
Het is een van de positieve zelfbeelden die publicisten in de negentiende eeuw rondpompten om het zelfbesef van de Nederlanders te vergroten. Dat gedeelde natiebesef kreeg vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw steeds duidelijker contouren, tijdens de opstand tegen de Spanjaarden. Schrijvers bejubelden de Nederlandse strijdvaardigheid en koopmansgeest. Ze beschouwden Amsterdam als het centrum van de wereld.
Er ontstond een vast beeldrepertoire, waarop publicisten zo vaak teruggrepen dat er aan het einde van de 18de eeuw een heuse vaderlandcultus ontstond. In de 19de eeuw nam de politieke ideologie van het nationalisme een hoge vlucht. Vrijwel iedere schrijver klopte zich toen op de borst vanwege ‘typisch Nederlandse’ eigenschappen, zoals koopmansgeest, godvruchtigheid, deugdzaamheid en Oranjeliefde, ofwel loyaliteit aan het koningshuis.
Volgens de historicus Willem Frijhoff spelen in de totstandkoming van collectief identiteitsbesef drie elementen een rol: verbeelding, benoeming en herkenning. Groepsidentiteiten, en dus ook nationale identiteiten, krijgen vorm in verhalen, waarin allerlei kenmerken worden verbeeld en benoemd. In de eindeloze herhaling van dit soort verhalen schuilt de overtuigingskracht ervan: dankzij de herkenning wordt het wij-gevoel versterkt. Daarbij treedt een wisselwerking op tussen het beeld en de werkelijkheid. Immers, de gemeenschap gaat handelen naar haar eigen verhaal. Beeld en werkelijkheid kunnen elkaar zo voeden en versterken.
De politicoloog en antropoloog Benedict Anderson heeft laten zien dat media een cruciale rol spelen bij het creëren van nationaal gemeenschapsgevoel. Hij introduceerde het begrip ‘imagined community’, oftewel verbeelde gemeenschap. De leden ervan kennen elkaar niet persoonlijk, maar voelen zich onderling toch verbonden. Denk aan het tegenwoordige effect van een voetbalwedstrijd van het Nederlands elftal: juichend zijn we even één.
Samenbindende, positieve zelfbeelden rondom ‘Nederlanderschap’ doen al eeuwenlang de ronde. Denk aan de technisch superieure Nederlander die polders droogmaalt en zo de natuur naar zijn hand zet. Of dat van de hardwerkende koopman, die risico’s durft te nemen. Of dat van de liefdadige Nederlander, die zijn portemonnee trekt bij rampen.
De ultieme verbeelding van de ideale Nederlander vloeide uit de pen van de 19de-eeuwse doopsgezinde uitgever en schrijver Adriaan Loosjes. In 1808 publiceerde hij een historische roman over Maurits Lijnlager. Deze 17de-eeuwse koopman werkte keihard, was deugdzaam, godvruchtig, liefdadig en tolerant. De ‘hardwerkende Nederlander’, die nogal eens als boegbeeld van de VVD fungeert, kent dus diepe historische wortels.
De werkelijkheid achter dit soort positieve zelfbeelden is echter weerbarstiger, want het proces van natievorming gaat steevast gepaard met in- en uitsluiting. Het Nederlandse wij-gevoel werd steevast gedefinieerd in relatie tot een vijandige ‘zij’. Die ‘zij’ wisselde vaak van gedaante. In oorlogstijd ging het onder meer om Spanjaarden, Fransen, Engelsen of Duitsers. De christelijke Nederlander wees een ander aartsvijand aan: de heidense Turken.
De roofzuchtige Nederlander achtte de eigen cultuur superieur aan die van de koloniale ‘ander’. Met alle gewelddadige uitbuitingspraktijken van dien. Een wrang voorbeeld van uitsluitingspraktijken was een liefdadigheidsactie in 1883, na de verwoestende uitbarsting van de Krakatau in Indonesië. Een welgestelde Nederlandse familie in Yogyakarta organiseerde een benefietfeest, inclusief wafelkraam, een waarzegster, zang, dans, drank en hapjes. De opbrengsten kwamen alleen ten goede aan getroffen Nederlanders – niet aan de Indonesiërs.
De ‘ander’ kon zich ook in eigen land bevinden. In tijden van crisis hadden Nederlanders de neiging een zondebok aan te wijzen. Toen in 1732 paalwormen de Hollandse dijkpalen wegvraten, leidde dat tot vervolging van homoseksuelen in Utrecht. Hun ‘zonden’ zouden het goddelijk oordeel over de natie hebben afgeroepen. Na de watersnood van 1825 vochten orthodoxe en rekkelijke protestanten elkaar de tent uit over eenzelfde schuldvraag. De aartsconservatieve dichter Willem Bilderdijk zag de ramp als een terechte straf van God. Hij wreef de Nederlanders hoogmoed aan, omdat ze ten onrechte meenden het water te kunnen temmen.
Polarisatie was aan de orde van de dag in de vroegere Nederlandse samenleving. Voor de een hoorde katholieken erbij, voor de ander niet. Voor de een symboliseerde de stadhouder van de natie, terwijl de ander de Oranjes als het gif van de ware vrijheid beschouwde. De voortdurende spanningen tussen patriotten en orangisten leidden in de jaren 1780 zelfs tot een heuse burgeroorlog. Kortom, de verbeelde gemeenschap stond voortdurend op spanning.
Zowel patriotten als orangisten meenden ‘ware Nederlanders’ te zijn, terwijl later ook liberalen, katholieken en orthodox gereformeerden aanspraak maakten op die kwalificatie. Iedere groep creëerde ook zijn eigen heldenpantheon. Zo fungeerde Michiel de Ruyter achtereenvolgens als boegbeeld van de patriotten, de anti-Napoleontische verzetsschrijvers, de koningsgezinde nationalisten en de NSB.
Deze typisch Nederlandse held bleek flexibel inzetbaar. Politici en publicisten eigenden hem toe om hun eigen idee van Nederlanderschap te promoten. Zo pleitte voormalig Tweede Kamerlid Zsolt Szabó (VVD) in 2005 voor een herdenking, omdat De Ruyter de economische belangen van Nederland en de vrijheid van godsdienst verdedigde. Die zaken behoorden volgens hem tot de kernwaarden van de Nederlandse identiteit.
De Nederlandse vlag, hét symbool van dit land, kan op soortgelijke wijze worden toegeëigend. De BBB keerde deze om, om te laten zien dat ze zich niet gehoord voelden in Den Haag. Extreemrechtse partijen communiceren een andere boodschap: zij willen met hun excessieve vlaggebruik duidelijk maken dat Nederland van hen is. D66 kaapte de vlag terug tijdens de verkiezingscampagne in het najaar van 2025 met de boodschap: ‘Het echte Nederland is van de positieve krachten.’
Soms duiken er nieuwe prototype-Nederlanders op. In een overtuigend essay in De Groene laat journalist Lotfi El Ahmidi zien hoe ‘de bezorgde burger’ een kwart eeuw geleden plotseling zijn intrede deed in het publieke debat. Die ‘bezorgde burger’ kent vele gedaantes, van milieuactivist tot iemand die bij de voedselbank werkt. Maar sinds de protesten tegen asielzoekerscentra is dit type Nederlander vooral het projectiescherm van radicaal-rechtse groeperingen geworden. Zij werpen zich op als de beschermer van deze ‘authentieke Nederlander’ tegen het vermeende gevaar van die ander, ‘de migrant’.
Terug naar het gesprek tussen Mischa Blok en Wierd Duk. De laatste nam nadrukkelijk afstand van Forum voor Democratie: etniciteit was volgens hem geen criterium voor Nederlanderschap. Maar daar hield de consensus dan ook op. Het was duidelijk dat de visies van Blok en Duk op Nederland mijlenver uit elkaar liggen.
Volgens Duk gaat het land ‘naar de klote’. Blok ziet het zonniger in. Twee Nederlanders, twee verbeelde gemeenschappen, twee verschillende vormen van toe-eigening. Ze deden een uiterst moeizame, maar moedige poging elkaar niet uit te sluiten.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant