Essays In Oogsprong onderzoekt Bernke Klein Zandvoort hoe waarneming eigenlijk werkt. Voor wie er even bij stilstaat, is juist de eigen blik op de wereld omgeven door raadsels.
‘Een verhaal over zien en niet zien’ luidt de ondertitel van Bernke Klein Zandvoorts essaybundel Oogsprong. ‘Over gezien worden en niet gezien willen worden’ had ook gekund. Haar poëzie is ‘een ode aan de waarneming’ genoemd. De essays in Oogsprong zijn een onderzoek naar hoe die waarneming werkt – en niet werkt.
Bernke Klein Zandvoort: Oogsprong. Een verhaal over zien en niet zien. Querido, 267 blz. €21,99
Vroeg in de bundel vergelijkt Klein Zandvoort de stralen van licht die we over de wereld werpen als we kijken met de draden van een spinnenweb, die op hun beurt zijn als de draden die de schrijver weeft en afloopt, helemaal tot de rand van het web en dan weer terug naar het hart. Een dikke draad die door deze essays heen loopt, is het verhaal van Klein Zandvoorts oudere nicht, die haar oog verliest aan een tumor, waarna de kanker toch terugkomt en ongeneeslijk blijkt. Het brengt de auteur, die tegelijk vriendin, mantelzorger en huisopruimer is, op het pad van de wetenschap van het kijken.
We leren over het oog en zijn sprongen, over kunstogen en hoe die gemaakt worden. Over blindheid en waarnemen zonder zicht, dat eerder een soort voelen is. Over het gevoel dat iemand naar je kijkt. Maar ook over fotografie en de hallucinaties van Hildegard van Bingen. Onderwijl reflecteert ze op de geschiedenis van haar familie, vooral die van de vrouwen, zoals haar overgrootmoeder die als verloskundige ’s nachts heel Amsterdam doorfietste.
Zien en niet zien, en gezien worden en niet gezien willen worden. Bij Klein Zandvoort is het altijd het ene én het andere. Zo is haar nicht haar oog kwijt, maar heeft ze er fantoomwaarnemingen voor teruggekregen: letters en oogbollen die voor haar in de ruimte dansen. De auteur vindt het lastig om te schrijven vanuit haar ‘ik’, terwijl ze toch een heel persoonlijk boek heeft afgeleverd. ,,Ik ervaar mijn blik als mijn meest raadselachtige lichaamsdeel”, schrijft ze. Om die blik te doorgronden, schakelt ze de hulp in van dichters, filosofen en kunstenaars, zoals het een essayist betaamt. Maar het persoonlijke verhaal overheerst, is het niet van de auteur, dan van haar nicht.
De afstand tot de actualiteit die daarmee ontstaat is enerzijds verfrissend. De essays zijn een toonbeeld van vertraging en aandacht – zonder die twee valt immers niet goed te kijken. Anderzijds dringt zich in de loop van het lezen toch de vraag naar de urgentie op.
Een dunne draad verkent het feminisme, dat kan haast niet anders als het gaat over de blik en vrouwengeschiedenis. Verwacht echter geen beschouwingen over de male gaze of fnuikende schoonheidsidealen. De politiek van het oog komt terloops ter sprake, in gesprekken of als Klein Zandvoort op zoek gaat naar de vrouwen achter de mannen van de geschiedenis. Zo verkent ze wie eigenaarschap heeft over het eigen beeld. De vrouw heeft dat vaak niet.
Het is belangrijk om zichtbaarheid op te eisen, ook al worstelt zij daar als auteur zelf mee, lijkt ze te hebben besloten. Ze doet dat echter op haar eigen manier, zonder zendingsdrang en steeds op weifelende toon. De vraag waarom het belangrijk is dat wij aandacht hebben voor zien en niet zien blijft daarmee wel onderbelicht. We krijgen een uitgebreide kennismaking met een welbepaald perspectief, van deze specifieke schrijver, met dit specifieke leven.
Het is alsof je op een lange treinreis in gesprek raakt met je buurvrouw: het gesprek verloopt met sprongen, soms aarzelend, dan met enthousiaste herkenning. Zolang je door de ogen van een ander kijkt, is wat je ziet niet vanzelfsprekend. Maar eenmaal op de bestemming aangekomen gaat ieder weer zijn eigen weg. Je kijkt misschien net even anders naar de omgeving en realiseert je dat ieder iets anders ziet.
Om de lezer niet te laten verdwalen in de vele ‘oogsprongen’ van de schrijver, was het goed geweest om vaker uit te zoomen naar de bredere relevantie. Klein Zandvoort heeft een punt wanneer ze schrijft: ,,Toch is dat het enige wat ik heb: de woorden tot ogen maken van waaruit ik de wereld bekijk.” Dat voelt zowel waar als te bescheiden.