Biografie De definitieve biografie van NSB-leider Anton Mussert laat nog altijd op zich wachten. Het weliswaar spannend geschreven boek van Auke Kok over hem leunt te zwaar op getuigenissen achteraf om volledig te kunnen overtuigen.
Anton Mussert spreekt partijgenoten toe, 1942.
Als ultieme landverrader, zo zou ir. Anton Mussert (1894-1946) de geschiedenis ingaan. De leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) stond symbool voor het ‘foute’ deel van het Nederlandse volk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog actief met de Duitse bezetter had gecollaboreerd.
Auke Kok: Anton Mussert. Reis naar het kwaad. Hollands Diep, 480 blz. € 35,-
Toch is het beeld van Mussert in de geschiedschrijving niet zo eenduidig. Loe de Jong zag hem vooral als een typisch Nederlandse kleinburger die parmantig de rol speelde van fascistisch leider, maar geen ideologische gedrevenheid kende. Biograaf Jan Meyers kwam in 1984 tot een vergelijkbaar oordeel over de – ook bij hem – ‘burgerlijke’ Mussert.
Door latere NSB-experts is dit licht bagatelliserende beeld nogal aangepast. Zij stelden dat Mussert, die met zijn tante trouwde en met zijn achternichtje een verhouding had, juist allerminst een burgerlijk type was. Sterker, vanaf het begin was hij een overtuigde fascist, die zich vanaf de tweede helft van de jaren dertig op zwaar antisemitische wijze zou uiten. Bovendien verrijkte hij tijdens de oorlog zichzelf en zijn familie op exorbitante wijze, onder meer door huizen van gedeporteerde Joden voor spotprijzen op te kopen.
Het was dus goed te begrijpen én toe te juichen dat Auke Kok zijn tanden besloot te zetten in een nieuwe biografie, die hij niet alleen wilde baseren op de nieuwste inzichten maar ook op een vracht aan nauwelijks ontgonnen archiefmateriaal bij het NIOD. Kok is een narratief historicus pur sang, die als geen ander de kunst verstaat om complexe geschiedenissen op zo’n manier op te schrijven dat het lijkt alsof hij je in de kroeg een kleurrijk verhaal vertelt dat tot het eind blijft boeien. Eindelijk zou de definitieve Mussert-biografie geschreven worden. Of, in de woorden van Kok, „een zo waarachtig mogelijk portret van de man die dacht zijn land te moeten redden met een Nationaal-Socialistische Beweging”. Niet op Mussert neerkijken, maar hem serieus nemen.
Kok begint zijn biografie Mussert. Reis naar het kwaad sterk en verrassend, met een beeldende beschrijving van Musserts vliegreis naar Nederlands-Indië in 1935. De Leider was in een winning mood, want vlak ervoor had hij bij de Provinciale Statenverkiezingen een daverend resultaat geboekt door vanuit het niets liefst 8 procent van de stemmen binnen te slepen. De reis was in alle opzichten een succes voor Mussert. Hij bleef bewonderenswaardig koelbloedig bij noodweer tijdens de vlucht, mocht tot twee keer toe op audiëntie bij de gouverneur-generaal en werd uitbundig toegejuicht door massa’s aanhangers in alle uithoeken van de kolonie. Hier zag hij met eigen ogen welke kracht van een autoritair stelsel van orde en tucht uitging, en hoe gunstig het voor Nederland was om een groot koloniaal rijk in stand te houden.
Vervolgens gaat Kok terug naar de door God, Vaderland en Oranje beheerste jeugd van Mussert in Werkendam, naar zijn studietijd in Delft en naar zijn komeetachtige carrière als civiel (hoofd)ingenieur bij de provincie Utrecht. We leren Mussert kennen als een weinig populaire, maar wel uitzonderlijk eigengereide en ambitieuze jongeman, met een neiging tot gewichtigdoenerij. Hoewel totaal niet tactvol of empathisch weet hij door originele, welhaast potsierlijke acties zaken voor elkaar te krijgen en zichzelf op de kaart te zetten. Het meest prominent komt dit tot uiting in het door hemzelf geïnitieerde verzet tegen het Belgisch Verdrag, dat de waterverbinding met Antwerpen zou verbeteren – een verbinding die, volgens Mussert, ten koste zou gaan van de positie van Rotterdam, en dus van Nederland. Hij weet zodanige oppositie te mobiliseren dat het Verdrag niet doorgaat. Zijn naam is gevestigd.
Intussen knoopt Mussert een relatie aan met zijn achttien jaar oudere tante Rie Witlam. Kok citeert mooie brieven uit de begintijd van hun relatie, die laten zien dat de twee familieleden (koosnaampjes: ‘Boems’ en ‘Dar’) daadwerkelijk stapelverliefd waren op elkaar. En: dat het enige tijd kostte om met elkaars eigenaardigheden om te gaan. Als Rie een brief adresseert aan „de heer A.A. Mussert”, wordt haar neef woedend: het had „de weledelgeboren heer A.A. Mussert” moeten zijn. Ziet ze hem wel voor vol aan?
Jammer genoeg is Kok in de rest van de biografie – over Mussert als leider van de door hem opgerichte NSB – veel zuiniger met het gebruik van eigentijds archiefmateriaal, hoewel er bij het NIOD en andere archieven toch zo veel beschikbaar is. Hij baseert zich veeleer op literatuur, kranten en naoorlogse getuigenissen van Mussert en de mensen om hem heen.
Die getuigenissen zijn met een duidelijk doel afgelegd – namelijk: zichzelf vrijpleiten – en moeten daarom omzichtig worden behandeld, maar Kok neemt ze opvallend vaak op zonder enig kritisch commentaar. Daardoor bevestigt hij grotendeels het frame waarmee Mussert na de oorlog zijn rechters wilde overtuigen: dat hij geen bevlogen nationaalsocialist of fascist was geweest (laat staan een antisemiet), dat al zijn daden waren ingegeven door het streven om de autonomie van Nederland binnen een Groot-Germaanse statenbond te bewerkstelligen, en dat hij moedig weerstand had durven te bieden tegen de ondermijnende maatregelen van SS-baas Himmler en zijn Nederlandse verlengstuk Rauter.
Kok suggereert bijvoorbeeld dat Mussert „het fascisme acteerde”; de Leider was namelijk geen boekenwurm en zou niet buitengewoon onderlegd zijn in de fascistische ideologie. Maar Mussert had het schrappen van verkiezingen en het verbod op stakingen in zijn eerste verkiezingsprogramma opgenomen, was verzot op vlagvertoon, symbolen en rituelen, en werd ondersteund door een gewapende knokploeg: de WA. Hoe fascistisch wil je het hebben?
Ook neemt Kok aan dat Mussert vanaf 1942 „vrijwel niets weet” van het gruwelijke lot dat de Joden in Oost-Europa wachtte; het tijdens de Wannseeconferentie bedachte plan voor massamoord was tenslotte geheim, en de nazi’s zouden ook tegenover hem slechts hebben gesproken in termen als „evacuatie” en „werkkampen”. Maar het is nagenoeg onvoorstelbaar dat iemand die zo dicht op het vuur zat niet meer informatie zou hebben gehad. Koks aanname wordt bovendien enkele pagina’s later ontkracht door Musserts adviseur Robert van Genechten, die vlak na de Bevrijding bekende met de Leider te hebben gesproken over „de tot ons doordringende wijze waarop de Duitsers de Joden aan het liquideren waren”.
Koks losse vertelstijl biedt veel voordelen: je wordt in het verhaal gezogen, er zit vaart in en de ontknoping – Musserts executie, met opgeheven hoofd in een duinpan van de Waalsdorpervlakte – is weliswaar heel dik aangezet, maar spannend beschreven. De keerzijde is dat onnauwkeurigheid op de loer ligt en sommige formuleringen een vergoelijkende of zelfs heroïserende bijsmaak krijgen. Zo heeft Kok het over Musserts „oorlogsavonturen”, memoreert hij dat Mussert ten tijde van de massadeportaties „nog maar zelden iets aardigs over de Joden zegt”, en schrijft hij dat Joden „omkomen” in de Oost-Europese kampen. Dat is omfloerst taalgebruik: ze werden er vermoord.
Dit boek doet in verschillende opzichten denken aan zijn voorganger uit 1984, die ook de mens achter het symbool wilde laten zien, beschrijvend van aard was en sterk leunde op naoorlogse getuigenissen. Met als verschil dat de ‘burgerlijke’ Mussert nu heeft plaatsgemaakt voor de ‘brutale’ Mussert. Het blijft wachten op de definitieve Mussertbiografie.